• Menu
  • Historie
     
    Email ons!
     
  • GRUNN.NL: Stadshistorie
  • 20ste eeuw

    Politiek en bestuur

    266

    • Kor Feringa/20e eeuw/stadsgeschiedenis van Groningen / geschiedenis stad Groningen/historie.
      De stad in de Tweede Wereldoorlog par. 267.

    Groningen blijft in de 20e eeuw een, voor Nederlandse begrippen, grote stad. De schaal van de stedelijke samenleving wordt ruimer; de intensiteit ervan neemt toe, vooral na de Tweede Wereldoorlog.
    De verantwoordelijkheden van het gemeentebestuur worden breder. De omvang en de professionaliteit van het ambtelijk apparaat houdt daarmee gelijke tred.
    Tegelijkertijd onderscheidt de Groningse samenleving, in de eenheidsstaat die Nederland nu eenmaal is, zich steeds minder van die in andere steden. Veel van wat de stad bezig houdt doet zich op vrijwel gelijke wijze voor in het hele land en vaak ook nog daarbuiten.
    • De verhouding tussen de verschillende overheden is complementair. De gemeente Groningen is - als alle andere gemeenten - financieel in belangrijke mate afhankelijk van de rijksoverheid (Gemeentefonds 1929, specifieke uitkeringen: vooral na WO II). In de laatste decennia van de eeuw wordt voor veel projecten ook een beroep gedaan op Europese fondsen.
    Aan het eind van de eeuw ligt, via de elektronische media, de gehele wereld in feite op een overbrugbare afstand. De factor tijd is daarbij vaak zelfs te verwaarlozen.
    De stad ontleent, evenals andere Nederlandse en - in een integrerend Europa - buitenlandse steden, status en prestige aan een, door de eeuwen heen tot stand gekomen, unieke combinatie van zogeheten locatiefactoren. Behalve klassieke, als ligging en bereikbaarheid, spelen nu ook factoren als kennisinfrastructuur, culturele infrastructuur en de kwaliteit van het overheidsbeleid (governance) een rol. 'Citymarketing' wordt een begrip.
    • De eigen tijdrekening van Groningen (de plaatselijke middelbare tijd) en ook de spoortijd worden in 1909 bij wet vervangen door een landelijke tijdrekening, de middelbare tijd van Amsterdam. Op 16 mei 1940 wordt op Duits bevel de Midden-Europese tijd ingevoerd.
      Tussen 1916 en 1939 en vanaf 1977 wordt onderscheid gemaakt tussen zomer- en wintertijd.
    • De wit-groen-witte vlag van Groningen is voor het eerst uitgestoken - door particulieren - in 1869 en door het stadsbestuur erkend in 1879. De vlag is door de burgemeester in 1897 officieel vastgesteld. Eerst vanaf 1952 wordt de vlag volop uitgestoken. (Zie voor de mogelijke herkomst van de groene kleur in het wapen en de vlag van Groningen par. 039.)
      In 1950 wordt een provinciaal Groningse vlag vastgesteld. De stedelijke kleuren wit en groen vormen daarin een kruis dat staat voor de centrale positie van de stad. De kleuren rood en blauw in de vier hoekpunten symboliseren de Ommelanden. De vlag verwijst ook naar die van de Scandinavische landen, waarmee Groningen al in de vroege middeleeuwen handelsrelaties onderhoudt.

    Omhoog
    267

    Ook in de 20e eeuw wordt de stad bezet door een vreemde mogendheid. Tijdens de Tweede Wereldoorlog wordt Groningen al in de vroege avond van 10 mei 1940 bezet door Duitse troepen. De hoofdmacht - voornamelijk afdelingen wielrijders, versterkt met pantserafweergeschut - rukt op via Nieuwe Schans-Nieuwolda-Ten Boer en langs het Winschoterdiep en gaat nog in de nacht via Groningen verder naar Friesland. Om 7.30 uur wordt Leeuwarden bereikt.
    In Groningen vinden geen gevechtshandelingen plaats. Om de eventuele passage van een Duitse pantsertrein te beletten is uit voorzorg een locomotief met tender bij het Hoofdstation het Hoornsediep in gereden. De pantsertrein is evenwel niet verder gekomen dan Winschoten.

    • Voor de verdediging van het noorden van Nederland zijn weerstandslinies ingericht, louter met de bedoeling de opmars van het Duitse leger te vertragen door het vernielen van wegen en bruggen en - in Friesland - het stellen van inundaties (die echter op voorhand al niet verdedigd konden worden). Onder meer voor het uitvoeren van vernielingen in de direct ten westen van Groningen gelegen, zogenoemde A-lijn (langs het Aduarder- en Eelderdiep) zijn evenmin troepen beschikbaar. In die linie bevindt zich de belangrijke brug in de Friesestraatweg bij Nieuwklap.
    • Om 5 uur in de ochtend van de eerste oorlogsdag vertrekt de Territoriaal Commandant met zijn staf uit Groningen naar Norg (het commando was gevestigd in de Stationsstraat). Ook de nog aanwezige militairen in de Rabenhauptkazerne vertrekken. Al om 10 uur wordt aan alle eenheden in het noorden het bevel gegeven om zich terug te trekken op de stelling van Wons (aan de kop van de Afsluitdijk).
    • In de periode 10-14 mei 1940 sneuvelen 20 militairen uit Groningen. Hun namen zijn als eersten ingeschreven in het dan pas enkele maanden oude Gulden Boek van de stad Groningen (ingesteld ter gelegenheid van het 900-jarig bestaan van de stad).
    Vanaf 1 september 1941 functioneert de democratisch gekozen gemeenteraad niet meer; in september 1942 wordt de burgemeester ontslagen. Op 1 maart 1943 wordt het gemeentelijk politiekorps vervangen door centraal aangestuurde staatspolitie.
    In de stad vinden tijdens de oorlog geen - in nationale verhoudingen - uitzonderlijke gebeurtenissen plaats.
    • Groningen telt in de loop van de bezetting al met al zo'n 1.400 illegale werkers, leden van verzetsgroepen. Plm. 4.200 jongens en mannen zijn - o.m. om aan verplichte tewerkstelling in Duitsland te ontkomen - op enig moment 'ondergedoken'.
    • Overigens zijn ook ruim 1.400 Groningers aangesloten bij de Duitsvriendelijke Nationaal Socialistische Beweging; ca 1.150 personen zijn (tevens) lid van (para)militaire organisaties als de Nederlandse SS of de Landwacht; ettelijke tientallen nemen dienst in Duitse militaire formaties of maken deel uit van de Duitse Sicherheitsdienst (SD). Zie voor de Groningse politie par. 327.
    • In het 'Scholtenhuis' aan de Grote Markt is een Aussendienststelle van de SD (vanaf september 1944 een Einsatzkommando) voor de noordelijke provincies gevestigd. Het pand krijgt daardoor een zeer slechte reputatie ('voorportaal van de hel'). Het wordt bij de bevrijding verwoest en is niet weer opgebouwd. Sinds 2009 is het virtueel te bezoeken (www.scholtenhuis.nl).
    • Ambtenaren, onderwijzend personeel, e.d. moeten eind 1941 opgeven of zij van joodsen bloede zijn, dan wel met een Jood gehuwd of verloofd. In het laatste geval worden zij bij een eventueel huwelijk ontslagen. In augustus 1941 worden voor Joodse kinderen afzonderlijke scholen ingericht.
    • Op 3 mei 1942 wordt het dragen van een Jodenster verplicht. In dat jaar en in 1943 worden plm. 2.550 Joodse stadjers via kamp Westerbork gedeporteerd, nadat eerder al ettelijke tientallen Joodse mannen naar werkkampen in Nederland zijn overgebracht (om later alsnog naar Westerbork te worden getransporteerd). Een relatief klein aantal heeft nog een mogelijkheid 'onder te duiken', met alle risico's daaraan verbonden: een derde overleeft de onderduik niet. Zij worden verraden of anderszins ontdekt en alsnog weggevoerd. (Zie ook par. 302 en 305.)
    • Op Oudejaarsavond 1943 vinden, bij wijze van represaille voor een verzetsdaad, zgn. 'Silbertannemoorden' plaats: een zestal bekende Groningers (w.o. boekhandelaar Godert Walter) wordt in de stad of in Haren in eigen huis neergeschoten. Tegelijkertijd worden ruim 40 anderen in gijzeling genomen.
    • Bij een overval op drukkerij Hoitsema in de Tuinbouwdwarsstraat op 17 mei 1944 maakt het verzet niet minder dan 133.500 bonkaarten buit.
    • Vanaf oktober 1944 worden in beginsel alle mannen van 17-55 (later 60) jaar door de Duitsers verplicht tot het graven van tankgrachten en schuttersputten in de zgn. 'Frieslandriegel', een uitbreiding van de Westwall vanaf Zwolle/Meppel, langs de Drentse Hoofdvaart en het Eemskanaal, tot Delfzijl. De 'putjesgravers' zijn doorgaans werkzaam in de omgeving van de stad, in februari 1945 niet minder dan 2.300 man.

    267.1 In Groningen wordt, als gevolg van de ligging in agrarisch gebied, tijdens de oorlog geen honger geleden. Via de reguliere distributie worden vanaf 9 december 1944 echter geen aardappelen meer verstrekt; vanaf 2 februari 1945 is er geen (tapte)melk en margarine meer, terwijl het broodrantsoen vanaf 30 maart nog slechts een half brood per persoon per 14 dagen omvat.
    Er is ook een tekort aan vooral kleding, schoeisel en zeep. Daarnaast zijn veel artikelen vervangen door surrogaten (evenmin vrij verkrijgbaar). Tijdens de laatste oorlogswinter eten de Groningers hoofdzakelijk suikerbieten, kool, koolraap en zoutloos brood. Bij de boeren in de omgeving wordt nog al eens 'melk gehaald', of ook wel tarwe, bonen en aardappelen. Alles in de hoop dat op de terugweg de Landwacht kan worden ontweken.
    • Distributiemaatregelen voor tal van producten (ook voor aardappelen en groenten) gelden van 1939-1952. Suiker is al vanaf 11 oktober 1939 'op de bon'; op 14 januari 1952 is als laatste ook koffie weer vrij verkrijgbaar.
    • Als gevolg van het niet meer beschikbaar zijn van brandstoffen wordt doorgaans gekookt op zogenoemde 'noodkacheltjes' (allesbranders). Onder meer alle straatbomen worden opgestookt.
    Het openbare leven komt tijdens de bezetting op den duur vrijwel tot stilstand als gevolg van onder meer de volgende maatregelen:
    • verduisteringsmaatregelen van zonsondergang tot zonsopgang, het verplicht aanbrengen van verduisteringsgordijnen, geen straatverlichting meer, afscherming koplampen (vanaf 11.5.40); verbod particulier autoverkeer 22-04 uur (27.8.40); beperking levering gas en elektra tot maximaal het verbruik in 1939 (14.12.40); de verplichte inlevering van radiotoestellen (13.5.43), de afsluiting van de telefoon (1.4.44), het instellen van een avondklok (van 20-04 uur mag niemand zich op straat bevinden, 5.9.44); de spoorwegstaking (17.9.44); de volledige afsluiting van elektriciteit (3.12.44, woonvertrekken worden nu verlicht met oliepitjes); het stilleggen van het openbaar vervoer (tram en trolley, de autobusdiensten zijn al in 1943 gestaakt, 23.12.44); het niet meer ophalen van huisvuil (24.1.45); het volledig staken van de gaslevering, dan al teruggebracht tot een half uur per dag (30.3.45); het veelvuldig geven van luchtalarm, in het eerste kwartaal van 1945 dagelijks meerdere malen.
    • Tijdens de oorlog wordt Groningen een tiental keren getroffen door geallieerde vergissingsbombardementen. Er vallen 13 dodelijke slachtoffers.

    267.2 Van 13 - 16 april 1945 wordt de stad bevrijd door eenheden van een Canadees geallieerd leger. Daarbij sneuvelen 43 Canadezen (en 130 Duitsers) en vallen 110 doden onder de burgerij. Onder de burgerslachtoffers een relatief groot aantal als gevolg van het vroegtijdig inslaan van granaten tijdens urenlange beschietingen vanuit het zuidwesten van de stad op stellingen aan het Van Starkenborghkanaal. Ongeveer 5.200 Duitsers worden krijgsgevangen gemaakt. Een deel van het centrum, met name rond de Grote Markt, wordt in de as gelegd.
    • Dit is vooral het gevolg van de snelle opmars van de bevrijders, waardoor de Duitse verdediging van de stad (in totaal plm. 7.000 man, vooral van de Waffen SS en de Kriegsmarine) zich niet meer kan terugtrekken op het Sterrebos en de Rabenhauptkazerne aan de Hereweg, die als belangrijkste weerstandsbastions hadden moeten dienen. Het laatste verzet wordt nu geboden vanuit het (voormalig) Rijksarchief aan de St. Jansstraat/Singelstraat. Daar vindt ook de overgave plaats.
    • De bevrijding van Groningen wordt in de Canadese militaire historie aangeduid als 'de slag om Groningen'.
    Pas op 2 mei 1945 is de provincie Groningen in zijn geheel bevrijd. De Duitsers bieden hevig verzet in de 'pocket van Delfzijl'. Het Canadese leger verliest nog 115 soldaten; het Duitse 71. De Canadezen verblijven tot in november in Nederland; pas dan is voldoende scheepscapaciteit beschikbaar voor de terugkeer naar Canada.

    267.3 De Eerste Wereldoorlog (1914-1918) gaat aan Nederland voorbij. Wel is gedurende de gehele oorlog plm. 7 % van de Nederlandse mannen gemobiliseerd (voor Groningen plm. 3.000). Op 19 januari 1915 wordt de gemeente Groningen in staat van beleg verklaard.
    In Groningen wordt een interneringskamp voor ruim 1.500 Britse militairen van de Royal Naval Division ingericht: de planken stad Timbertown, ter plaatse van de huidige Engelse Kamp. In het begin van de oorlog worden - gedurende een korte periode - plm. 500 Belgische vluchtelingen opgevangen.
    Overigens is ook tijdens WO I een prijsbeheersings- en sinds februari 1917 een distributiestelsel van kracht voor tientallen artikelen. Men spreekt van regeringsbrood en regeringsvarkens, van eenheidsworst en van volksbiscuit. In maart 1918 wordt het broodrantsoen gesteld op 200 gram brood per persoon per dag. Het vleesrantsoen is dan 300 gram per persoon per week.
    • Ingeval tijdens WO I de Engelsen een aanval op de Zeeuwse kust zouden uitvoeren en Nederland dus in de oorlog wordt betrokken, bevat het Duitse plan 'Fall K' onder meer de bezetting van Delfzijl. De strategie van het Nederlandse leger voorziet overigens niet in de verdediging van de noordelijke provincies, daaronder begrepen de monding van de Eems. De Nederlandse regering gaat zelfs akkoord met het leggen van mijnen in de Eemsmonding door Duitsland. De Eems geldt tijdens WO I als een volledig Duitse rivier.
    • De grens in de Eems is niet geregeld, anders dan dat beide landen in 1960 (Eems-Dollardverdrag) hebben vastgesteld dat sprake is van een betwist gebied (de zandbanken Hond en Paapzand).
      Duitsland beroept zich op een (gefalsificeerde) leenbrief uit 1464, waarin de graaf van Oost-Friesland van de Duitse keizer de hoogheid over zijn land verkrijgt 'von der Westeremse osterwards' (dus inbegrepen de Eems). Die hoogheid is volgens Nederland in de Franse tijd - na de inlijving van beide gebieden bij het Franse Keizerrijk - vervallen. De grens zou, volgens internationaal recht, in het midden van de vaargeul moeten liggen en niet onder de Groningse kust.
      De Bondsrepubliek is van mening dat het betwist gebied rechtmatig is verkregen en vervolgens in ongestoord langdurig bezit is gebleven. Er is derhalve geen reden tot wijziging van de situatie.
      Het Eems-Dollardverdrag is in latere jaren de basis voor een aantal samenwerkingsovereenkomsten. In 2012 heeft de Duitse interpretatie van het grensverloop ook consequenties voor het windmolenpark Riffgat op 15 km. boven Rottumerplaat, dat naar de mening van Nederland voor een deel op Nederlands gebied ligt. De grens van de territoriale zone ligt 12 mijl of plm. 22 km. uit de kust. die van de Exclusieve Economische zone op 200 zeemijlen of plm. 370 km. uit de laagwaterlijn. In 2014 is een aanvullend verdrag, het Westereemsverdrag, gesloten.
    267.4 Tijdens de Koude Oorlog (1948-1989) ligt Groningen eveneens in het deel van Nederland dat niet zal worden verdedigd. Volgens een plan van het toenmalige Warschaupact overschrijden na de derde aanvalsdag Poolse troepen de grens bij Nieuweschans en Ter Apel.
    Openbare schuilplaatsen bevinden zich nog onder het Top Shelf-gebouw aan de Grote Markt, in de parkeergarage Kleine Raamstraat en onder de Emmabrug.

    Omhoog
    268

    In het gemeentebestuur van Groningen (de raad telt aan het begin van de eeuw 31 en na 1931 39 leden, er zijn aan het eind van de eeuw zes wethouders) zijn sinds de invoering van het algemeen kiesrecht voor mannen, ouder dan 23 jaar (feitelijk in 1919) en voor vrouwen (1923, passief kiesrecht in 1919) 'linkse' of 'progressieve' partijen sterk vertegenwoordigd. Zij domineren de raad sinds 1946 (aanvankelijk mede door de aanwezigheid van een grote communistische fractie: 20 % van de zetels).

    • Al in 1919 vormt de SDAP de grootste raadsfractie. In 1923 levert ze voor het eerst een wethouder; vanaf 1924 (-1942) is dat Eltjo Rugge, de 'Groningse Wibaut', raadslid sinds 1901. Onder zijn leiding is in een eerdere periode - van 11-19 november 1918 - ook in Groningen gezinspeeld op een machtsovername door de arbeidersklasse.
    • In de periode 1900-1919 is het kiesrecht nog voorbehouden aan ongeveer tweederde van de volwassen mannen.
    Tot 1919 is in Groningen sprake van een (conservatief-)liberale raadsmeerderheid; na 1935 stabiliseert de liberale invloed zich op minder dan 20 % van de zetels. Confessionele partijen zijn in de periode 1919-1970 goed voor 30 %; daarna neemt hun invloed af tot ongeveer 15 % van de raadszetels aan het eind van de eeuw.
    In de periode 1972-1980 treedt, tegen de achtergrond van de dan optredende algehele politisering van het maatschappelijk leven op gemeentelijk niveau, een links meerderheidscollege op (een zgn. 'programcollege'), aangevoerd door de sociaal-democratische Partij van de Arbeid. (Zie ook par. 283.)
    In 1994 wordt in Groningen voor de eerste maal een referendum gehouden (over het al dan niet afsluiten van het Noorderplantsoen voor autoverkeer). De opkomst is 31%. In 1997 wordt door de gemeenteraad een referendumverordening vastgesteld.

    Omhoog
    269

    De 20e eeuw brengt geen wijziging in de formele positie van Groningen als Nederlandse gemeente, tevens zetel van het provinciaal bestuur.
    De stad ontleent voor het overige zijn positie niet zozeer aan de economische betekenis in Nederland als geheel - Groningen ligt buiten de centrale verkeersassen - als wel aan de functie die de stad heeft als verzorgingscentrum voor een gebied dat zich, naargelang de aard van het aangeboden product of de vorm van dienstverlening, uitstrekt over de gehele provincie Groningen, een groot deel van Drenthe en het oosten van Friesland.
    Als onderwijscentrum en als centrum voor gezondheidszorg heeft de stad in deze eeuw een functie voor het gehele noorden van het land, deels inclusief Salland en Twente.

    • Als gevolg van het gereed komen van autosnelwegen naar en in het aangrenzende Duitse gebied is aan het eind van de eeuw de aantrekkingskracht van Groningen voor inwoners van het Emsland en van Oost-Friesland groter geworden.
    Na WO II ontstaan rond Groningen kleinere, met name voor de detailhandel ook concurrerende, verzorgingscentra. In reactie daarop wordt getracht de kwaliteit en de bereikbaarheid van het stadscentrum ('het winkelhart van Noord-Nederland') zoveel mogelijk te bevorderen. Zie ook par. 340.
    • Tijdens het interbellum ziet het stadsbestuur mogelijkheden voor Groningen als belangrijke doorvoerstad tussen de industriestaten Engeland en (het noorden van) Duitsland. De economische depressie van de jaren dertig doet dit denkbeeld in rook opgaan.

    Omhoog
    270

    De rol van Groningen als belangrijkste stad in Noord-Nederland is na WO II door de rijksoverheid vastgelegd in opeenvolgende nota's over de ruimtelijke ordening. De Eerste Nota verschijnt in 1960.
    In 1977 wordt Groningen aangewezen als 'groeigemeente' en in 1988 (in de Vierde Nota) als 'stedelijk knooppunt'.
    Groningen zelf kent zich bij voorkeur de functie toe van 'trekpaard', 'hoofdstad' of zelfs 'metropool' van het Noorden; een landsdeel overigens dat in de gehele na-oorlogse periode in de eerste plaats wordt getekend door stagnerende werkgelegenheid.

    • Sinds 1952 zijn regionale stimuleringsprogramma's van kracht; na 1958 gelden ze voor het gehele Noorden des lands.
      De stad Groningen wordt ook betrokken bij door het Rijk geÔnitieerde en grotendeels gefinancierde projecten rond stadsvernieuwing en stedelijke herstructurering, onderwijsvoorrangs- en probleemcumulatiegebiedenbeleid, sociale vernieuwing en grotestedenbeleid.
    Aan het eind van de eeuw wordt het Noorden gekenmerkt door een toenemende vergrijzing van de bevolking, door een groeiend verlies aan arbeidsplaatsen in de klassieke landbouw en veeteelt en in de agro-industrie. Recreatie, toerisme en kennisintensieve dienstverlening worden gezien als kansrijke sectoren.
    Met enige regelmaat - maar niet zonder tegenspraak - wordt ook een 'overloopfunctie' voor de Randstad bepleit, mede te bereiken door het aanleggen van een hoge-snelheids-spoorlijn via Groningen naar Hamburg. Daartoe wordt in 1992 een Stichting Maatschappij tot aanleg van de Zuiderzeespoorlijn opgericht.

    Omhoog
    271

    In de tweede helft van de eeuw worden in Nederland, tegen de achtergrond van voortschrijdende technologische ontwikkelingen en de invloed daarvan op de samenleving, processen van bestuurlijke schaalvergroting in gang gezet.
    Rond Groningen ontstaat een bredere bestuurlijke regio. De stad vormt ook het centrum van het streekplan Centraal-Groningen (1971) en van bijvoorbeeld de ambulance-, politie- en brandweerzorg in de gehele provincie (-2011).

    • Gemeentelijke herindelingen die ook de provinciegrens overschrijden komen evenwel - op enkele kleine ingrepen na - niet tot stand.

    Omhoog
    272

    In 1996 ondertekent het stadsbestuur, samen met de provincies Groningen en Drenthe en een 14-tal (door een herindeling inmiddels 11) andere gemeenten het convenant Regio Groningen-Assen 2030.

    • Het convenant beoogt de nadere uitwerking van een regionale ontwikkelingsvisie en het meewerken aan de realisering daarvan binnen overeengekomen termijnen (2010, 2020, respectievelijk 2030).
      De partijen in het convenant spreken o.m. uit dat de nationale en interprovinciale betekenis van de stad Groningen behouden en waar mogelijk versterkt moet worden. Gemeenten als Noordenveld (Roden), Leek, Slochteren en Hoogezand-Sappemeer zullen een essentiŽle rol gaan spelen in de ondersteuning van de stad. Tynaarlo (in Eelderwolde: plan Ter Borch) en Haren (Haren-noord) zullen woningen bouwen in het kader van de taakstelling van Groningen. Ook de geprojecteerde bedrijventerreinen Kranenburg-zuid (Eelderwolde) en Nesciolaan (Haren) liggen niet in de gemeente Groningen.
    • De landschappelijke ontwikkeling is een belangrijk structurerend element in de verdere ontwikkeling van de regio.

    Omhoog
    273

    Aan het eind van de eeuw is op ruimere schaal, teneinde de economische potenties van Noord-Nederland optimaal te kunnen benutten, ook sprake van landsgrensoverschrijdende samenwerking van de vier noordelijke provincies met de Duitse Bundeslšnder Niedersachsen en Bremen in de Nieuwe Hanze-Interregio (1991) en van Groningen en Drenthe met het Regierungsbezirk Weser-Ems in de Eems-Dollardregio (1991).
    De stad Groningen is in beide gevallen ťťn van de zwaartepunten.

    Omhoog

    Ruimtelijke orde

    274

    Sinds de ontmanteling van de vesting na 1874 kent Groningen geen militaire verdedigingswerken meer. Wel is de stad tegen het einde van WO II volledig omringd door een stelsel van tankgrachten en loopgraven.
    De streek tussen Oosterhoogebrug en Delfzijl is dan geÔnundeerd (met zout water), evenals een gebied ten zuidwesten van de stad en kleinere gebieden ten noorden ervan.

    • De Rabenhauptkazerne aan de Hereweg is in 1945 verwoest en niet weer herbouwd. Groningen is sindsdien garnizoensstad af.
      Een marechaussee-kazerne (de Dragonderkazerne) is van 1898-1924 ondergebracht in het Prinsenhof, daarna tot 1975 aan de Helper Brink (de huidige Tressenplaats); tenslotte tot 1987 op het oude kazerneterrein aan de Hereweg.
      Tijdens de Duitse bezetting is de 'Frieslandkaserne' gevestigd in het gebouw van de Rijks HBS aan de Grote Kruisstraat en het 'Otto Weddigenlager' in het voormalige Engelse kamp. In de MHBS aan de Hofstraat is een kazerne van de Kriegsmarine, aan de Damstersingel een opleidingskamp.

    Omhoog
    275

    De bebouwde oppervlakte van de stad is aan het eind van de 20e eeuw zeer veel groter dan een honderdtal jaren eerder (2.616 respectievelijk 255 ha). De toename is gereguleerd door uitbreidingsplannen, verplicht op grond van de Woningwet (1901) en - na het in werking treden van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in 1965 - door structuur- en bestemmingsplannen.
    Voor de stadskern is na WO II nog het Wederopbouwplan van belang.

    • De uitbreidingsplannen dienen tot 1921 vooral als raamwerk voor de hoofdwegenstructuur, het beloop van de kanalen en spoorlijnen en de globale ligging van industrieterreinen. Na genoemd jaar mag - na een wetswijziging - ook aan de tussengelegen gronden een gedetailleerde bestemming worden gegeven.

    Omhoog
    276

    Het eerste uitbreidingsplan op basis van de Woningwet, het plan-Mulock Houwer, wordt al in 1903 ingediend. Het tweede, het plan-Berlage, dateert uit 1928.

    • Dit plan wordt tweemaal aangepast: in 1932 (Berlage/Schut) en in 1938 (Bloemers/Schut). Uiteindelijk is het laatstgenoemde plan in 1940 formeel goedgekeurd, maar - gegeven de oorlogsomstandigheden en de na-oorlogse situatie - slechts gedeeltelijk uitgevoerd.
      De plannen rond 1930 zijn, zonder enige wetenschappelijke onderbouwing, gebaseerd op een inwoneraantal van 200.000 (te bereiken in 1974), alsmede op grootschalige spoorwegplannen. In de gewijzigde plannen zijn beide ambities aanzienlijk teruggeschroefd.
    • De kritiek op het uitbreidingsplan- zoals met name verwoord door het provinciaal bestuur - betreft ook het ontbreken van afstemming met de plannen van omliggende gemeenten.
      Onder leiding van de provincies Groningen en Drenthe wordt daarom vervolgens gewerkt aan de totstandkoming van een, eveneens als gevolg van de oorlogsomstandigheden, nooit formeel vastgesteld streekplan voor het gebied rond Groningen. Het vaststellen van streekplannen is sinds 1931 wettelijk mogelijk.
    Op basis van de plannen is tot plm. 1925 een reeks kleinere buurten en een enkele grotere wijk gerealiseerd.
    Globaal in de aangegeven volgorde: de buurt De Hoogte (met het karakter van een 'tuinstad'), Tuinbouwstraat e.o., Bedumerstraat e.o. (met de eerste zgn. 'woningwetwoningen'), een deel van de Zeeheldenbuurt, de Spoorstraten e.o., de Willemstraten e.o., de Schilderswijk, de Helper Oost- en Westsingel, de Oranjewijk.
    • Vůůr 1925 - aanleg riolering - geldt de noodzaak in verband met een goede afwatering bouwterreinen extra op te hogen. Bijvoorbeeld de Oranjewijk is gebouwd 'op zeezand'.
      Sinds 1905 zijn tweeverdiepingswoningen toegestaan; vanaf 1928 woningen met niet meer dan drie woonlagen (uitzonderingen zijn mogelijk). Bedsteden en alkoven zijn vanaf 1918 verboden.

    Omhoog
    277

    In de periode 1925-1940 komen de volgende buurten en wijken tot stand.
    De Studentenbuurt, de Grunobuurt, de Oosterparkwijk ('Plan Oost'), een deel van Kostverloren, de Korrewegwijk (Professorenbuurt en Indische buurt) en Helpman.

    • De huizen in de Grunobuurt (gebouwd 1921-1928) zijn de eerste met elektrisch licht, kookgas, een closet met waterspoeling en met stromend water op de slaapkamers. Het eerste flatgebouw in Groningen (met lift) wordt in 1928 gebouwd aan de Grote Markt 43 (het 'Coendershuis').
    • Het voeren van een huishouding wordt in de jaren dertig ook eenvoudiger door innovaties als de stofzuiger (v.a. 1928), de koelkast (v.a. 1925; in 1938 in 50 % van de huishoudens), het strijkijzer, het elektrisch fornuis, de elektrische waterkoker en de elektrische wasmachine (v.a. 1935). De wasautomaat wordt overigens eerst rond 1960 gemeengoed; de koelkast pas aan het eind van de jaren zestig.
    Na WO II worden genoemde wijken afgerond, veelal met flatbouw (met portiek-etagewoningen, na 1948 ook in de sociale woningbouw toegestaan): Florakade e.o., een deel van de Indische buurt (daar in 1955 ook een flat van vijf verdiepingen zonder lift, inmiddels weer afgebroken), de Westindische buurt (voornamelijk montagebouw), Kostverloren.
    • Vanaf 1933 geldt in Groningen een gemeentelijke monumentenverordening.

    Omhoog
    278

    In 1950 is er opnieuw sprake van een uitbreidingsplan (structuurplan), ditmaal gebaseerd op een inwoneraantal van 185.000 in het jaar 2000. Het wordt nooit officieel vastgesteld.
    Het structuurplan 1961 houdt rekening met niet minder dan 265.000 inwoners, te bereiken in 1980. Op basis van deze plannen worden gebouwd de buurt De Laanhuizen, de eerste complete wijk: Corpus den Hoorn, de wijken De Wijert, Groenestein en Coendersborg, Selwerd, De Paddepoel en Vinkhuizen, alsmede een uitbreiding van het villapark in Helpman.

    • Aanvankelijk maakt in de beschreven periode in de stedenbouw de zgn. 'wijkgedachte' opgang. In deze visie is een wijk opgebouwd uit wooneenheden en buurten (voor alle bevolkingsgroepen) die in min of meer vaste patronen (stempels) steeds weerkeren. Elke wijk beschikt ook over zoveel mogelijk eigen voorzieningen.
      In latere jaren wordt een dergelijke - in zijn uitwerking vaak wat steriele - opzet minder gewaardeerd.
      Naast flatgebouwen (w.o. studentenflats: de eerste in 1959) worden nu, als gevolg van de toenemende vraag daarnaar, ook steeds meer eengezinswoningen gebouwd.
    • Vanaf 1952 is ook in de sociale woningbouw een badgelegenheid verplicht (lavet, later douche); vanaf 1963 geldt dat ook voor centrale verwarming.

    Omhoog
    279

    Het structuurplan 1969 (aangenomen in 1971) geeft gestalte aan Groningen als 'lobben- of gelede sectorenstad met doorgaande tangenten' (en met 275.000 inwoners in het jaar 2000). Radiaalwegen geven toegang tot de oude stad; ingrijpende doorbraken worden voorzien ten behoeve van de doorstroming van het verkeer. Het plan wordt op essentiŽle onderdelen niet uitgevoerd (zie par. 283).
    Een volgend structuurplan - dat de ontwikkeling van de stad een meer procesmatig karakter beoogt te geven - wordt vastgesteld in 1987.

    • Gebouwd wordt vervolgens in Lewenborg (een 'woonlandschap'), De Wijert-zuid, Beijum ('bloemkoolstedenbouw' met een 'labyrinthische verkeersstructuur'), Ulgersmaborg, De Hunze, Hoornsemeer (door architectuurcritici zeer gewaardeerd).
      Een plan om de bebouwing in de deelplannen van de wijk Beijum te variŽren naar de (veronderstelde) leefstijlkenmerken van de toekomstige bewoners is - om economische redenen - niet volledig uitgevoerd.
      Aan het eind van de eeuw zijn ook de wijken Klein Martijn en Ruischerwaard gereed gekomen, evenals de ecologische wijk Drielanden. In aanbouw zijn dan De Held (op afzonderlijke 'wierden'), Gravenburg, Ruskenveen en Buitenhof.
      De stad telt al met al aan het eind van de eeuw zo'n 82.000 woningen: bijna 43 per hectare feitelijk bebouwde oppervlakte. Elk huis wordt bewoond door gemiddeld 2,1 personen.

    Omhoog
    280

    Een in 1996 vastgesteld structuurplan 'De stad van straks' noemt als grotere locaties nog de Piccardthofplas (Hoornse Park), Ruischermeer (inmiddels Meerstad) en Reitdiep (bij Dorkwerd).

    • In de binnenstad wordt het dan zogeheten 'Ciboga-gebied' (tussen Korreweg en Bloemstraat) opnieuw ingericht, na bodemsanering van het terrein van de voormalige gas- en lichtfabrieken.
      Als nieuwe bedrijventerreinen worden genoemd Kranenburg (-noord en -zuid), Eemspoort, Europapark (herontwikkeling), Westpoort, Driebond-oost en Noorderhogebrug.
    Het structuurplan is enerzijds gericht op het totstandkomen van aantrekkelijke groene wijken (noodzakelijk om verdere suburbanisatie tegen te gaan), maar anderzijds ook op het creŽren van een 'compacte stad' om overbodig ruimtebeslag te voorkomen.

    Omhoog
    281

    Al deze uitbreidingen hebben niet tot stand kunnen komen binnen de gemeentegrenzen van 1884.
    In 1911 vindt een grenswijziging plaats ten koste van de gemeente Noorddijk (in verband met de bouw van de buurt De Hoogte). Ook in 1911 wordt een gedeelte van het grondgebied van Hoogkerk geannexeerd (inclusief de streek Kostverloren, in totaal met ruim 1.000 inwoners), in 1914 de buurtschap Helpman met 2.200 inwoners (ten koste van Haren) en in 1951 opnieuw een (miniem) deel van Noorddijk (afronding Korrewegwijk). In 1969 de gemeenten Hoogkerk en Noorddijk in hun geheel, alsmede enkele kleinere delen van de (toenmalige) gemeenten Adorp, Bedum en Haren.
    De laatste annexatie brengt de oppervlakte van de gemeente Groningen van 2.800 ha (waarvan ruim 2.000 ha is bebouwd) op 8.200 ha. Het aantal inwoners neemt in eenmaal met ruim 11.100 toe; de bevolkingsdichtheid is dan 2.103 inw./km2.

    • In 1989 vindt een beperkte grenswijziging plaats bij de A 7 waar een grondruil plaatsvindt met de toenmalige gemeenten Eelde, Peize en Roden; in 1990 idem met de gemeente Leek. In 1998 is er nog een grenswijziging rond de Piccardthofplas ten koste van de gemeente Eelde (inmiddels gemeente Tynaarlo).
      In al deze gevallen is ook een wijziging van de provinciegrens met Drenthe in het geding.

    Omhoog
    282

    De uitvoering van het, moeizaam totstandgekomen, Wederopbouwplan (in eerste aanleg onder leiding van de stedenbouwkundige Granprť MoliŤre) heeft onder meer gevolgen voor de rooilijn van de oostelijke wand van de Grote Markt (het plein wordt verruimd) en voor de vormgeving van het gebied rond het Kwinkenplein.

    • De wederopbouw heeft ook betrekking op de in 1945 geheel verwoeste Stoeldraaierstraat en op enkele kleinere complexen (Hereplein, Oosterstraat/Kattendiep e.a.).
      Op het van oudsher bestaande bouwblok Guldenstraat/Waagstraat verrijst een nieuw administratiegebouw voor het gemeentebestuur. Dit 'nieuwe stadhuis' is door een luchtbrug met het oude verbonden (1962).
    • De Grote Markt wordt in het Wederopbouwplan gezien als het centrale verkeersplein van de stad.

    Omhoog
    283

    Als gevolg van de sterke toename van het autoverkeer dreigt het centrum van de stad in de jaren zeventig van de 20e eeuw volledig dicht te slibben. Aanvankelijk worden daarom grote doorbraken voorzien die evenwel het amoveren van gehele woonbuurten noodzakelijk maken en bovendien de eeuwenoude structuur van de binnenstad aantasten.

    • De groei van het verkeer blijkt uit het aantal in de loop der jaren in Groningen geregistreerde auto's. In 1910: 80; 1940: 1.927, 1949: 2.189; 1960: 7.700, 1970: 22.230 en in 2000 56.200 voertuigen.
    Een na een politieke koerswijziging verschenen Nota Doelstelling Binnenstad Groningen (1972) biedt een geheel ander perspectief. De Nota geeft een belangrijke impuls aan het denken over de functies van binnensteden in Nederland in het algemeen.
    • De binnenstad dient volgens de Nota het forum te zijn waar de stedelijke en regionale bevolking zich betrokken kan voelen bij een keur van stedelijke activiteiten.
      Het stadscentrum moet aanleiding geven tot zowel uitbundigheid als bezinning; het dient ook te fungeren als cultuurlaboratorium: de stad als podium. (Onder andere de uitvoering van een opera op de Grote Markt in 1996 is een uitvloeisel van die intentie.)
      De historische, herbergzame, structuur van de binnenstad dient bij dit alles behouden te blijven, evenals de woonfunctie. Juist het centrum geeft de stad een zekere identiteit.
    • De politieke koerswijziging, zowel als de Nota Doelstelling Binnenstad, staat vooral op naam van de dan juist aangetreden PvdA-wethouder Max van den Berg, die in de beschreven periode een overwegende invloed heeft op het stadsbestuur. Max van den Berg is naderhand (2007- 2016) commissaris van de Koning(in) in de provincie Groningen. Op 30 maart 2016 is hij benoemd tot ereburger van de stad.

    Omhoog
    284

    Op basis van het in de Nota voorgestelde beleid geldt de binnenstad in een latere fase ook als 'strategische intensiveringszone'.

    • In dat kader wordt (samen met private marktpartijen) begin jaren negentig het 'Waagstraatplan' ontwikkeld, met name gericht op het aantrekken van kwalitatief hoogwaardige detailhandel. Het 'nieuwe stadhuis' moet daarvoor wijken.
      Vanaf 1996 worden ideeŽn ontwikkeld over een herstructurering van de bebouwing aan de noord- en oostzijde van de Grote Markt, die eveneens dateert uit de wederopbouwperiode.
    • Het grootscheepse project 'Binnenstad beter' (gereed 1996) tenslotte geeft de openbare ruimte in het centrum een belangrijke kwaliteitsimpuls. Onderdeel daarvan is een bestrating met gebakken gele steentjes. Gebakken vanwege het oorspronkelijk middeleeuwse karakter van de stad en geel vanwege de noordelijke lichtval.

    Omhoog
    285

    Naast nieuwbouw op grote schaal vindt ook sanering van woningen en woonbuurten plaats, waarbij - in het begin van de eeuw - vooral ťťn- en tweekamerwoningen worden geamoveerd. In 1919 zijn er daarvan nog 7.500.

    • Zo wordt, bij wijze van voorbeeld, in de dertiger jaren de sloppenbuurt rond de Violetsteeg (tussen Gr. Leliestraat en Gr. Rozenstraat) afgebroken, evenals de buurt Noorderwalhof (achter de Kruitgracht).
    Na WO II vinden renovatie en stadsvernieuwing plaats in de wijken die gebouwd zijn vůůr 1925. Inmiddels zijn ook vrijwel alle andere vůůr WO II en vlak daarna gebouwde woningwet- of sociale huurwoningen gerenoveerd.
    Bovendien worden - in aangewezen stadsvernieuwingsgebieden op grond van de Wet op de Stads- en Dorpsvernieuwing (1985) - woningcomplexen gerealiseerd ('ingebreid') op verlaten bedrijfsterreinen en temidden van bestaande bebouwing.
    • Tot de gesaneerde bedrijfsterreinen behoort het AA-Grunolcomplex langs het Oude Winschoterdiep (de huidige Barkmolenstraat) dat sterk verontreinigd is met chemisch afval. Grootschalige nieuwbouw langs en achter de Steenhouwerskade vervangt 'De buurt' (Ab Visser, 1953).
    • Met name bij stadsvernieuwingsactiviteiten wordt getracht zoveel mogelijk belanghebbenden en belangstellenden bij het besluitvormingsproces te betrekken. In de periode 1970-1980 wordt vooral 'voor de buurt', voor de zittende bewoners, gebouwd.

    Omhoog
    286

    Aan het eind van de eeuw wordt ook aandacht gegeven aan het beheer, c.q. het onderhoud van wijken en buurten, terwijl tegelijkertijd wordt gestreefd naar een evenwichtig woningbestand. Zo worden in oudere wijken koopwoningen gebouwd, of worden huurwoningen aan bewoners in eigendom overgedragen.
    Het ongebreideld bestemmen van huizen tot studentenwoningen wordt een halt toegeroepen.

    Omhoog
    287

    In de periode 1908-1925 wordt een reeks verenigingen opgericht, met als doel de bouw en exploitatie van 'sociale' woningbouwcomplexen.

    • De 'erkende en toegelaten' woningbouwverenigingen dragen namen als 'Patrimonium' (protestants-christelijk, 1914), 'Concordia' (rooms-katholiek, 1919-1993), 'Volkshuisvesting' (sociaal-democratisch, 1908), 'Gruno' (voor spoorwegpersoneel, 1919), 'Maatschappij tot verbetering van woningtoestanden' (sociaal-democratisch, 1914-1993), 'Vereniging tot Opruiming en Verbetering van Slop- en Gangwoningen' (1909-1936) en 'Groningen' (1919).
      Fusies hebben aan het eind van de eeuw geleid tot vier resterende woningbouwcorporaties in de stad: Patrimonium, de Huismeesters, Domein Woondiensten (Nijestee) en Volkshuisvesting. Daarnaast zijn er nog de Woningstichting Hoogkerk (1909) en de Stichting Noorddijker Woningbouw (1919)
    De woningbouwverenigingen zien het tot WO II mede als hun taak het woongedrag van hun huurders, waar nodig, op een hoger peil te brengen. Daartoe worden woninginspectrices aangesteld. Ook het totstandkomen van buurt- en speeltuinverenigingen wordt bevorderd.
    • Aan het Linnaeusplein verrijst in 1937 een buurthuis met o.m. een was- en badmogelijkheid, een toneelzaal en een bibliotheekfiliaal.

    Omhoog
    288

    Volgens het in de 20e eeuw breed aangehangen principe van functiescheiding tussen wonen, werken en recreŽren liggen de grote bedrijventerreinen van Groningen gescheiden van de woonwijken.

    • Het grootste is het gebied rond Eemskanaal en (nieuwe) Winschoterdiep in het zuidoosten van de stad (1970). Kleinere gebieden bevinden zich langs het Van Starkenborghkanaal, de Peizerweg en het Hoendiep. Complexen op zich zijn die van de beide suikerfabrieken.
    • Op het bedrijventerrein Zuidoost (380 bedrijven, 12.500 arbeidsplaatsen in 1996) bevindt zich ook een expeditieknooppunt. Als zodanig is het in de plaats gekomen van het Centraal Bodenparkeerterrein aan de Antonius Deusinglaan (1940-1970). In de veertiger jaren van de eeuw is Groningen nog het middelpunt van plm. 840 bodediensten per week naar omliggende steden en dorpen (daarvan in 1939 nog 125 beurtdiensten te water). In de vroege zestiger jaren wordt de laatste dienst per paard-en-wagen gestaakt.

    Omhoog
    289

    Structuurbepalende elementen in de stad zijn verder de grote groenvoorzieningen (met sportcomplexen): het Noorderplantsoen, het Stadspark (oorspronkelijk Zuiderpark, op particiulier initiatief aangelegd 1913-1929), het Oosterpark (1925-1935).
    Andere parken zijn nog in ontwikkeling of in ontwerp: Westpark (De Held), Kardinge.
    Vooral na 1985 zijn speciale zones benoemd en ontwikkeld ten behoeve van (kennisintensieve) diensten en onderwijsinstellingen: het Zernike Sciencepark (Universiteitscomplex), Hoornsemeer, het Martini Tradepark en de Verbindingskanaalzone.

    • De bebouwing van de Verbindingskanaalzone (van Griffeweg tot Hoendiep) staat model voor het streven van het stadsbestuur tot het aanbrengen van een stedenbouwkundig hoogwaardige bebouwing in de randzones van de binnenstad. Tot de Verbindingskanaalzone behoort ook het gebied ten zuiden van het Centraal Station.

    Omhoog
    290

    Het wegverkeer in Groningen wordt aan het eind van de 20e eeuw afgewikkeld via een stelsel van ringwegen: doorgaande verbindingen met aftakkingen naar de verschillende wijken en aangesloten op het net van rijksautowegen.

    • In 1962 is een begin gemaakt met de aanleg van de zuidelijke ringweg. In 1986 is het stelsel in z'n geheel gereedgekomen. De totale lengte bedraagt 16 km.
      In 1995 wordt geconstateerd dat de capaciteit van de zuidelijke ringweg alweer onvoldoende is en wordt ten zuiden van de stad een extra verbinding tussen de A7 en de A28 ontworpen, evenals trouwens een kortere verbinding tussen de A7 en de Beneluxweg.
    • Vůůr WO II komen, dichter bij het stadscentrum, ook al weggedeelten gereed ten behoeve van een aan te leggen ringweg: Prinsesseweg, Noorderringweg (laatste deel van de Bedumerstraat, inmiddels nog slechts een voetpad), Oosterhamriklaan, Adm. De Ruyterlaan.

    Omhoog
    291

    In de binnenstad geldt sinds 1975 een verkeerscirculatieplan (operationeel 19 september 1977). Doorgaand verkeer door de stadskern wordt daarin voor de auto grotendeels onmogelijk gemaakt. Het plan geeft aanleiding tot verhitte discussies tussen de gemeentelijke overheid en (vooral) de binnenstadsondernemers.
    In het laatst van de eeuw is in het stadscentrum een uitgebreid voetgangerscircuit gereedgekomen. De bevoorrading van winkels geschiedt dan (experimenteel) via een stadsdistributiesysteem.

    • In 1924 is de Oude Boteringestraat, als eerste straat in Groningen, geasfalteerd; in 1936 wordt het eerste verkeerslicht geplaatst (op de kruising Herestraat/Zuiderdiep) en in 1938 wordt in de binnenstad voor een deel ťťnrichtingverkeer ingevoerd. Het verkeersbeeld verandert als vanaf 1948 bromfietsen (aanvankelijk genoemd 'rijwielen met hulpmotor') worden geÔntroduceerd. In 1968 wordt de Herestraat voetgangersgebied. Andere straten in de binnenstad zijn sindsdien eveneens autovrij of autoluw gemaakt. De eerste parkeergarage dateert uit 1973.

    Omhoog
    292

    De betekenis van Groningen als spoorwegknooppunt wordt in de 20e eeuw aanvankelijk nog versterkt door de aanleg van de lijnen Winsum - Zoutkamp (aantakkend op de lijn naar Roodeschool, 1922) en Groningen - Delfzijl via Slochteren (het Woldjerspoor, 1929).

    • Beide lijnen blijken niet renderend en worden in 1938, respectievelijk 1941 opgeheven. De NTM-tramlijn naar Drachten (1913) wordt in 1948 voor personenvervoer en in 1985 voor goederenvervoer gesloten.
    • In de tachtiger jaren van de eeuw worden de eveneens niet rendabele lijnen naar Delfzijl en Roodeschool opgenomen in een integrale vervoersopzet, samen met het streekvervoer per bus. De lijn naar Nieuweschans is dan evenmin rendabel.
    • De spoorlijn naar Zwolle wordt in 1914 tweesporig en wordt in 1952 geŽlektrificeerd.
      De spoorbaan door Groningen-noord wordt in 1973 kruisingsvrij gemaakt. Tegelijkertijd wordt het gelijknamige station vervangen. De halte Kostverloren wordt in 1924 opgeheven. Eind 1999 wordt een grootscheepse renovatie van het 'Hoofdstation' voltooid.
    In de periode 1918-1931 is er - in het kader van grootschalige spoorwegplannen, samenhangend met de economische toekomstverwachtingen waarvan eerder melding is gemaakt - sprake van een nieuw centraal station dat eventueel noord-zuid gericht zou moeten zijn.

    Omhoog
    293

    Het streekvervoer per bus vangt aan in 1912 met een lijn Usquert - Middelstum - Groningen. Vanaf plm. 1920 krijgt het een grotere betekenis. In 1927 zijn er al 61 lijndiensten naar en vanaf Groningen.
    Na aanvankelijke wildgroei concentreert het vervoer zich in een aantal grotere ondernemingen die elk een bepaalde regio bedienen.

    • Het zijn rond 1955 de Damster Autobusmaatschappij (DAM, richting Delfzijl), de Roland (richting Slochteren), Elema-Stollenga's Autodiensten (ESA, Westerkwartier, oostelijk Friesland), de Marnedienst, de Nederlandse Tramweg Maatschappij (NTM, Heerenveen), de Eerste Drentse Stoomtramwegmaatschappij (EDS, Assen - Emmen), de Drentse Autobus Onderneming (DABO, Assen - Meppel) en het Groningsch - Drentsch Snelvervoer (GDS, Haren, Eelde).
      De grootste is de Groninger Autodienst Onderneming (GADO, Reiderland, Uithuizen e.o., VeenkoloniŽn en Kollumerland).
    Na plm. 1975 zijn, na een fusieproces in het streekvervoer, nog slechts drie ondernemingen actief: GADO, DVM (Drentse Vervoer Maatschappij) en FRAM (id. Friesland).
    In 1996 zijn beide laatstgenoemde op hun beurt een fusie aangegaan in de VEONN (Vervoersonderneming Noord- Nederland). In 1998 wordt de VEONN, in 1999 de GADO overgenomen door het busbedrijf Arriva, dat ook het stadsvervoer verzorgt.
    Alle lijndiensten vinden sinds 1954 hun centrale busstation bij het N.S. Hoofdstation (Groningen CS). Eerdere, kleinere, busstations aan de invalswegen zijn in de loop der jaren opgeheven.

    Omhoog
    294

    In het stadsvervoer wordt de paardentram in 1906 door de gemeente Groningen overgenomen van een particuliere maatschappij. Invoering van elektrische tractie vindt plaats in 1910.

    • Het meest zuidelijke eindpunt is van 1921-1939 het toenmalige N.S.-station De Punt, daarna de Verl. Hereweg bij de gemeentegrens (Esserweg). Van 1910-1926 is ook het Academisch Ziekenhuis per tram bereikbaar via Poelestraat - Nieuweweg.
      Een paardentramlijn vanaf het Sterrebos naar Zuidlaren wordt in 1918 opgeheven; een lijn naar Eelde, sinds 1896 vanaf de Westerhaven, in 1928. De lijn is in 1921 al vervangen door vrachtautotractie.
    • De normale tramexploitatie wordt in Groningen gestaakt eind 1949. GTG-tram 41 is overigens nog steeds in bedrijf op de Elektrische Museumtramlijn Amsterdam (Amsterdam - Bovenkerk).
      Van 1920-1960 loopt van het Academisch Ziekenhuis tot het Noorderstation een 'kolentram' ten behoeve van de aanvoer van kolen naar de gasfasbriek en van de energievoorziening van het ziekenhuis.

    Omhoog
    295

    De opgeheven tramlijnen worden van 1949-1965 gereden door trolleybussen. De lijn Meeuwerderweg - Friesestraatweg wordt al sinds 1927 door trolleybussen bediend.
    De eerste reguliere autobuslijn in de stad dateert van 1924 (Grote Markt - Oranjewijk). Tot 1982 zijn alle buslijnen transversaal (d.w.z. voeren van de Grote Markt naar de verschillende wijken). Sinds genoemd jaar zijn er ook interwijkverbindingen.

    • Centraal overstappunt is aanvankelijk de Grote Markt. Sinds plm. 1992 functioneert als zodanig het centraal busstation. Het transferium Noorddijk is in 1994 in gebruik genomen. In hetzelfde jaar rijdt voor het eerst ook een Citybus naar de binnenstad vanaf de P&R-terreinen buiten het stadscentrum.
    • In de laatste decennia van de eeuw worden steeds meer vrije busbanen aangelegd en andere verkeersmaatregelen getroffen om het openbaar vervoer beter te doen doorstromen. (Zo bijv. de busbaan langs het Oosterhamrikkanaal, 1986).
      In 1998 is het vervoerbedrijf geprivatiseerd.

    Omhoog
    296

    In het stelsel van waterwegen door en rond Groningen treden in de 20e eeuw eveneens de nodige veranderingen op. In 1909 komt het Eendrachtskanaal gereed als rechtstreekse verbinding tussen Verbindingskanaal en Hoendiep. De Westerhaven wordt daarmee gemeden.

    • De haven en het aansluitende deel van het Hoendiep worden in 1962 gedempt en - aan het eind van de eeuw - deels bebouwd.
    Het Boterdiep, vanaf de Wipstraat tot de Bloemsingel, wordt in 1912 gedempt, evenals in 1924 het Verbindingskanaal tussen Damsterdiep en Boterdiep (voor een groot deel nog de oude vestinggracht: de Singelgracht).
    • Als vervangende verbinding tussen beide diepen is het Gorechtkanaal gedacht, oorspronkelijk te flankeren door industrieterreinen. Het kanaal komt in 1928 geheel gereed, samen met het westelijk deel van het Oosterhamrikkanaal, dat de bediening van de gasfabriek moet garanderen.
      Een rechtstreekse verbinding tussen Gorechtkanaal en Boterdiep, gepland via de lijn Petrus Hendrikszstraat - Sumatralaan en later via de lijn Heymanslaan-Floresstraat, komt niet tot stand.

    Omhoog
    297

    In 1928 wordt een begin gemaakt met de verbinding Winschoterdiep / Eemskanaal - Friesland via het (nieuwe) Winschoterdiep en de Oostersluis (de laatste geheel vernieuwd en verbreed in 1996). Het Van Starkenborghkanaal (het 'Nieuwe kanaal') wordt in 1938 officieel geopend. Het deel Winschoterdiep- Eemskanaal (Nieuwe Winschoterdiep) komt in 1952 gereed.

    • Het 'nieuwe kanaal' wordt om de stad heen gelegd, onder meer omdat geen mogelijkheid bestaat de Westerhavensluis te verbreden.
    • Het Gorechtkanaal is nu in feite overbodig. Het wordt na 1937 deels weer gedempt, deels vergraven tot vijvers. Het Oosterhamrikkanaal wordt in oostelijke richting doorgetrokken naar het Van Starkenborghkanaal.
      Daarentegen worden de toegangen vanuit het Boterdiep en het Damsterdiep afgedamd. Na WO II worden binnen de stadsgrenzen de nog resterende gedeelten gedempt (het Damsterdiep deels met puin uit het verwoeste stadscentrum) of eveneens tot vijvers vergraven.
    Tussen 1960 en 1970 vindt een verbreding van het Eemskanaal plaats, alsmede de aanleg van een viertal insteekhavens bij de kruising Eemskanaal/(Nieuwe) Winschoterdiep.
    Anders dan door het gemeentebestuur bepleit en verwacht wordt de zeehavenfunctie van Groningen daardoor echter niet wezenlijk versterkt.
    • Een met dat doel gegraven zijtak van het Oude Winschoterdiep (bij de Helpmancentrale) wordt in de twintiger jaren in gebruik genomen als nieuwe Spoorweghaven, maar heeft nauwelijks als zodanig gefunctioneerd.
    • De woonschepenhaven dateert uit 1941.
    • Het riviertje de Hunze wordt - in het gebied Eemspoort - aan het eind van de eeuw weer in ere hersteld als stromend waterloopje.

    Omhoog
    298

    In 1910 worden op een terrein in Helpman de eerste vliegdemonstraties gehouden. In 1920 is er (tijdelijk) al een luchtverbinding met Schiphol vanaf een vliegstrip in het Stadspark.
    Groningen Airport Eelde wordt als 'vliegveld Eelde' in 1931 geopend.

    • Sindsdien wordt, met wisselend succes, getracht te komen tot reguliere verbindingen met andere binnenlandse - en buitenlandse luchthavens. Ook charter- en zakenvluchten maken gebruik van de luchthaven. Vanaf 1977 vinden juridische procedures plaats over de verlenging van de start- en landingsbaan. De baan wordt eerst gerealiseerd in 2013.
    • Het luchthaventerrein is aanvankelijk gedacht ter plaatse van de huidige wijk Lewenborg.
      Overigens vindt al in 1784 luchtverkeer boven Groningen plaats met een (onbemande) ballon. De ballon komt neer bij Bunne. Ook in 1814 is er ballonverkeer (tot bij Halle D.)

    Omhoog
    299

    De infrastructuur wordt in de 20e eeuw verder gecompleteerd.

    • Vanaf 1924 vinden in Nederland publieke radiouitzendingen plaats (radio verkeer dateert uit 1902); vanaf 1951 is er daarnaast ook publieke televisie (vanaf 1967 ook in kleur). Televisie is vanaf 1934 mogelijk.
      In 1930 heeft 10% van de huishoudens een radiotoestel; in 1939 is dat 65 %. Vanaf 1928- plm. 1965 functioneert in Groningen ook een netwerk voor radiodistributie (draadomroep). Het heeft echter slechts een beperkte kanalenkeuze (vier).
    • De automatisering (vanaf 1942) en uitbreiding van het telefoonnet: vrijwel elk perceel is na 1965 aangesloten, openbare telefooncellen dateren uit 1935 (- 2011). Telexverkeer is mogelijk vanaf 1933 (- 2007), faxverkeer vanaf plm. 1980; draadloze telefonie neemt vanaf 1992 een grote vlucht. Rond 2000 beschikt 84 % van de Nederlandse bevolking over een mobiele telefoon.
    • De introductie van de personal computer (plm. 1981, computers als zodanig dateren uit 1953); de aanleg van een netwerk voor kabel-tv (-radio)(eveneens vanaf 1981) en de uitbouw daarvan rond de eeuwwisseling tot een volledig netwerk voor (interactieve) datacommunicatie. E-mail en internet als publieke functie doen hun intrede vanaf 1995. Aan het eind van de eeuw maakt al 60 % van de bevolking daarvan gebruik.

    Omhoog
    300

    De openbare voorzieningen worden in de laatste eeuw aanmerkelijk uitgebreid.

    • Het elektriciteits-distributienet. De gemeente Groningen neemt in 1902 het particuliere bedrijf over dat sinds 1896 blokverlichting verzorgt voor de winkels aan de Vismarkt/Guldenstraat. Ook het Academisch Ziekenhuis (dan aan de Munnekeholm) maakt er nog gebruik van. Na de overname wordt o.m. op grote schaal elektrische straatverlichting ingevoerd. De laatste gaslantaarn wordt eerst in 1936 vervangen.
      Vanaf 1924 wordt alle stroom betrokken van het Provinciaal Elektriciteits Bedrijf (P.E.B., 1912). In 1963 gaat het gemeentelijk elektriciteits(distributie)bedrijf, dat is gevestigd aan de Bloemstraat, organisatorisch op in een groter geheel. Aan het oude Winschoterdiep wordt in 1930 de Helpmancentrale voor het Provinciaal Elektriciteits Bedrijf gebouwd (-1982) en is van 1964-1996 de Hunzecentrale in bedrijf.
    • In 1961 wordt door het gasbedrijf overgeschakeld op (het in de provincie Groningen gewonnen) aardgas, dat in 1959 explorabel is geworden; de gemeentelijke gasfabriek wordt in 1965 gesloten.
    • Het gemeentelijk waterleidingbedrijf (1912) gaat in 1998 op in het Waterbedrijf Groningen, dat de gehele provincie bedient. Het Provinciaal Waterbedrijf dateert uit 1914.
    • De aanleg van de begraafplaatsen Esserveld (1924) en Selwerderhof (geopend in 1949; aan het eind van de eeuw met ongeveer 35.000 graven). Aan de Iepenlaan zijn, ter weerszijden van de Joodse begraafplaats (1909), in 1944 en 1946 twee noodbegraafplaatsen aangelegd (Klein Selwerderhof I en II); op de Selwerderhof wordt in 1987 een islamitische begraafplaats in gebruik genomen.
    • De bouw van een crematorium (1960);
    • Van 1910-1983 is de brandweerkazerne aan het Gedempte Zuiderdiep in gebruik; sindsdien is de brandweer (met andere hulpverleningsdiensten) gehuisvest aan de Sontweg.
    • Het gemoderniseerd en uitgebreid rioleringsstelsel, in hoofdzaak gereed in 1928, heeft aan het eind van de eeuw een gezamenlijke lengte van bijna 800 km. Het stelsel loost, naderhand via een rioolwaterzuivering bij Garmerwolde (1978), op het Eemskanaal en de Eems. Het gereedkomen ervan betekent het einde van het tonnenstelsel voor de inzameling van menselijke fecaliŽn.
    • De reinigingsdienst van de gemeente Groningen gaat in 1980 op in het afvalverwerkingsbedrijf Stainkoeln aan de Winschoterweg. Het bedrijf is ook actief in de recycling.

    Omhoog

    Bevolking

    301

    Het inwoneraantal van Groningen neemt in de 20e eeuw toe van 66.500 in 1900 tot plm. 171.500 (1999). De stad bereikt op 13 april 1927 de mijlpaal van 100.000 inwoners, op 30 mei 1963 die van 150.000.

    • Het percentage niet in Nederland geboren Groningers bedraagt aan het eind van de eeuw 8.3%, terwijl van nog eens 7.3% een of beide ouders niet in Nederland is geboren (voormalig Nederlands-IndiŽ, Suriname, de eilanden in het CaraÔbisch gebied daaronder begrepen).
      Het aantal inwoners met een buitenlandse nationaliteit bedraagt 2.8% (plm. 1.500 personen).
      Niet minder dan 46.7% van de Groningers is alleenstaand; 30.8% woont samen met een partner en 3.4% is hoofd van een ťťnoudergezin. Tenslotte wordt 19.3% van de inwoners als minderjarig aangemerkt.
    Het inwoneraantal groeit het sterkst in de perioden 1900-1930 en het minst sterk in de jaren 1950-1960. Ook na 1970 neemt het inwoneraantal nauwelijks nog toe.
    Rond 1910 bedraagt de gemiddelde leeftijd voor mannen 51 jaar en voor vrouwen 53.5 jaar; aan het eind van de 20e eeuw voor mannen 75 jaar, voor vrouwen plm. 80 jaar. De oudste vrouwelijke inwoner van Groningen tot dusverre, Geertruida van der Horst-Mulder, bereikt de leeftijd van 108 jaar. Zij overlijdt in 1999. (Voor de oudste man zie par. 234.)

    Omhoog
    302

    Gedurende de gehele eeuw is sprake van - in omvang toenemend - forensisme. Met name het noorden van de provincie Drenthe is in trek als woonplaats voor velen die in Groningen werken en zich feitelijk ook Groninger voelen.
    Kenmerkend is verder de grote doorstroming van de bevolking. Een derde van de inwoners (w.o. de meeste studenten), woont vijf jaar of korter in de stad.

    • Ook in deze eeuw zijn er nog enkele epidemieŽn: een Spaanse griep-epidemie in 1918 (met in het laatste kwartaal van dat jaar plm. 430 sterfgevallen wegens longaandoeningen, waarvan 63 % aan influenza: in de maand november 45 per 1.000 van de bevolking) en een roodvonk-epidemie in 1926. Tot in de jaren veertig zijn infectieziekten (w.o. tuberculose) verantwoordelijk voor 60-70 % van de totale sterfte. Vanaf 1961 is de anticonceptiepil verkrijgbaar.
    • In december 1929 ontploft een stoomketel van een sleepboot aan de Trompkade. Er zijn vijf doden. Een botsing tussen twee treinen bij het Hoofdstation in januari 1931 kost drie doden.
      Een rangerende trein ramt in augustus 1950 een houten hek, provisorisch bevestigd aan een vers gemetselde muur op het terrein van de groentenveiling aan de Graaf Adolfstraat. De muur valt op 12 spelende kinderen; zes daarvan raken dodelijk gewond.
    • De Tweede Wereldoorlog eist plm. 3.300 slachtoffers, daaronder zeker meer dan 2.800 Joodse inwoners.
      Daarnaast komen plm. 250 zgn. 'illegale werkers' om. De overigen vinden de dood onder meer bij luchtaanvallen (J.Hissink Janssenstraat/ Rosensteinlaan, Westersingel en Jozef IsraŽlsplein) en bij de Bevrijding.
    • De stad biedt in april 1945 onderdak aan plm. 10.500 evacuees, vooral uit het midden en zuiden van het land. Het aantal Joodse vluchtelingen uit Duitsland in de periode 1933-1940 bedraagt plm. 250.
    • Tijdens de beide 'politionele acties' in (toen nog) Nederlands-IndiŽ (1947/1948) sneuvelen 140 Groningers.
    • De etnische registratie van personen 'van geheel of gedeeltelijk Joodsen bloede' in 1941 is de opmaat voor de deportatie (en het ombrengen) van 2.750 stadgenoten met vier en drie Joodse grootouders, tenzij gemengd gehuwd en met kinderen. Groningers met een of twee Joodse grootouders worden niet gedeporteerd, mits zij niet gehuwd zijn met een Jood en geen lid zijn van een israŽlitisch kerkgenootschap. Gemengd-gehuwde Joden zijn aanvankelijk verplicht zich te laten steriliseren. Ook zij moeten een Jodenster dragen. Er zijn 3.187 stadjers met ten minste een Joodse grootouder.

    Omhoog

    Religie, zorg en welzijn

    303

    Vooral in de tweede helft van de eeuw ontstaat binnen verscheidene reguliere kerkgenootschappen fundamentele onzekerheid omtrent de zin en betekenis van de overgeleverde christelijke geloofswaarheden. De maatschappelijke relevantie van de traditionele christelijke boodschap wordt eveneens ter discussie gesteld.
    Wel worden (publieke) normen en waarden nog in belangrijke mate ontleend aan de christelijke godsdienst.
    Bedraagt de onkerkelijkheid in Groningen in 1920 23.2 % en in 1947 42.9 %; aan het eind van de eeuw rekent zich formeel plm. 60 % van de inwoners van Groningen niet meer tot een kerkgenootschap. Voor kinderen van 0-15 jaar is het percentage niet-kerkelijk geregistreerden dan gestegen tot meer dan 75 %.

    • De overige inwoners zijn voor 9 % nederlands hervormd (1920: 44 %); 14 % behoort tot ťťn der gereformeerde kerken (11.6%) en 13 % is rooms-katholiek (10 %). Tot andere gezindten behoort 5 % (11.5 %). Voor kinderen van 0-15 jaar zijn de percentages achtereenvolgens 4, 11, 6 en 5 %.
    • Het aantal feitelijke kerkgangers bedraagt (1983) bij nederlands hervormden en rooms-katholieken ongeveer 10 % van het aantal geregistreerde leden. Bij de andere kerkgenootschappen ligt het hoger. De terugloop in ledental doet zich in de hervormde gemeente gedurende de gehele eeuw voor; bij de overige kerken eerst sinds plm. 1965.
    De Nederlandse Hervormde Kerk, de Gereformeerde kerken in Nederland en de Evangelisch Lutherse Kerk verklaren zich - na discussies die teruggaan tot 1961 - landelijk aan het eind van de eeuw (1985) 'in staat van hereniging'. Ook in Groningen ontstaan zgn. 'Samen-op-weg-gemeenten'.
    • Rechtzinnige, maar weinig leerstellige, zgn. 'evangelicale' gemeenten van 'bijbelgetrouwe' christenen nemen ook in Groningen in aantal en omvang toe.
    • In de loop van de eeuw hebben zich vele nieuwe religieuze bewegingen en groepen in Groningen gevestigd; daaronder verscheidene van buitenlandse origine (zoals bijvoorbeeld in 1904 (1923) de Zevendedagsadventisten en in 1962 de Russisch Orthodoxe Kerk).
      In de laatste decennia van de eeuw nemen moslims (sinds plm. 1965) en hindoes in aantal toe. Het aantal moslims bedraagt aan het eind van de eeuw plm. 1.300.

    Omhoog
    304

    De gereformeerden splitsen zich, na hun aanvankelijke eenwording in 1925, in 1944 in 'synodaal gereformeerden' en 'vrijgemaakten': gereformeerde kerken onderhoudende art. 31 van de kerkenorde (1947: 7.2%, respectievelijk 6.1% van de totale bevolking). Deze splitsing veroorzaakt ook in het maatschappelijk leven (onderwijs, pers, politiek) grote spanningen tussen betrokken groeperingen.
    Van de 'vrijgemaakten' scheiden zich in 1967 de 'nederlands gereformeerden' af. De christelijke gereformeerde kerk is daarnaast blijven bestaan. Een gereformeerde gemeente is gesticht in 1938.
    De uiteindelijk acht rooms-katholieke parochies in Groningen (1975) behoren sinds 1956 tot het dan opnieuw gevormde bisdom Groningen. Tegen het eind van de eeuw vinden processen van fusie en verregaande samenwerking plaats.

    Omhoog
    305

    Van de niet gemengd-gehuwde Joodse inwoners van Groningen wordt in 1942 en 1943 plm. 96 % door de Duitse bezetters weggevoerd. Slechts een tiental overleeft de deportaties. De Joodse buurt van 'De vrienden van m'n vader' (Nico Rost, 1981) is niet meer.

    • In januari 1941 telt Groningen 2.724 Joodse inwoners, gemengd-gehuwde Joden en hun kinderen niet meegerekend (2.3 % van de bevolking). Lid van een israŽlitisch kerkgenootschap zijn 2.583 personen. Bij de Volkstelling in 1947 geven 202 personen op dat zij Joods zijn (0.2 %).
    • In de nieuwe synagoge (in 1907 in gebruik genomen) wordt na 1945 een chemische wasserij gevestigd. Het gebouw wordt in 1981 opnieuw gewijd aan de joodse eredienst. Het wordt mede gebruikt als expositieruimte. In de Folkingestraat zelf herinnert een vijftal kunstwerken aan het vroegere Joodse karakter van de straat.

    Omhoog
    306

    Met name in de eerste helft van de eeuw zijn in Groningen nog vele nieuwe kerken gebouwd.
    Na plm. 1970 echter worden diverse kerkgebouwen verkleind, gesloten, verbouwd tot appartementen, afgebroken, dan wel nog uitsluitend gebruikt voor algemeen sociale- en culturele doeleinden.

    • De hervormde binnenstadskerken, de Martinikerk en de Der Aa-kerk, zijn, na ingrijpende restauraties (gereedgekomen in 1975, respectievelijk 1985) aan het eind van de eeuw voornamelijk in gebruik als culturele accommodatie in brede zin.
      De r-k.kathedrale St. Martinuskerk (Broerkerk) is in 1976 gesloten en vervolgens afgebroken. Kathedrale kerk is sindsdien de St. Josephkerk.
      Afgebroken wordt ook de r-k. Paterskerk aan de Gelkingestraat (1962).
    • De gereformeerde kerk aan de Stationsstraat is (1983) verbouwd tot appartementengebouw, die aan de Parklaan (1989) en aan de Kraneweg (1994) zijn afgebroken.
      De Eglise Wallonne (Vismarkt) is al in 1934 ingericht als winkelpand. De Waalse gemeente maakt sindsdien opnieuw gebruik van de Pelstergasthuiskerk.
      De hervormde Sionskerk (1934-1984) is inmiddels onder meer een moskee.

    Omhoog
    307

    In de Armenwet van 1912 wordt aan de burgerlijke overheid een ruimere, niet alleen aanvullende, verantwoordelijkheid toegekend inzake de opvang van en de bijstand aan verzorgingsbehoeftige inwoners van de stad. De toekenning van financiŽle bijstand blijft echter een gunst.

    • In 1916 wordt aan de Kattenhage een gemeentelijk bureau voor Sociale zaken gevestigd. Ook wordt een coŲrdinerend orgaan ingesteld, de Armenraad.
    • Nog rond 1910 wordt vanuit een rijdende kar in de wijken roggebrood en turf beschikbaar gesteld voor de armen. Soepbonnen geven recht op een kop soep in het Soephuis (Soephuisstraatje/Zwanestraat). Achter het Boterdiep bevond zich een 'vlindeklopperij' (stenenklopperij) als werkverschaffingsobject van het Stedelijk Armbestuur.
    In de Algemene Bijstandswet (1965) wordt het recht van elke burger op individuele materiŽle bijstand vastgelegd; in andere sociale wetten ook rechten op immateriŽle ondersteuning. Na 1996 geeft de ABW de gemeente ook aanvullende mogelijkheden tot ondersteuning van specifieke groepen.
    • Uitvoerend orgaan van de overheid is nu de Gemeentelijke Sociale Dienst (met in 1995 18.000 cliŽnten). In het laatst van de eeuw wordt daarin ook ondergebracht de behartiging van specifieke werkgelegenheidsinitiatieven voor langdurig werklozen, vrouwen en jongeren.

    Omhoog
    308

    In de loop van de eeuw wordt een groot aantal, veelal kleinschalige, private initiatieven genomen die tot doel hebben de (geestelijke) gezondheid en de sociale weerbaarheid van individuen of groepen te bevorderen, hen eventueel tegen een bedreigende sociale omgeving te beschermen, onderdak te bieden of beter in de samenleving te doen integreren. Na WO II is - tot in de 80'er jaren - daarbij ook sprake van een zeker geloof in de maakbaarheid van de samenleving, met een leidende rol voor de politieke overheid.
    Het geheel wordt vanaf plm. 1965 wel aangeduid als 'welzijnswerk'. In de laatste decennia van de eeuw fuseren vele kleinere organisaties op dit vlak - na ingrijpende bezuinigingen op overheidssubsidies - tot een geringer aantal grotere.
    De coŲrdinatie van het welzijnswerk wordt aanvankelijk gelegd bij de Stedelijke Raad voor Maatschappelijk Welzijn als opvolger van de Armenraad.

    • Een bijzondere vorm van welzijnswerk is het zgn. 'opbouwwerk', dat idealiter beoogt de samenlevingspatronen in de verschillende (nieuwere) stadswijken te beÔnvloeden. In een latere fase ondersteunt het opbouwwerk vooral bewoners die met stadsvernieuwingsprojecten van doen krijgen.
    • In 1913 vindt, op initiatief van de grootindustrieel J.E.Scholten, de oprichting plaats van de Vereniging Volkstuinen 'Tuinwijck'. Tuincomplexen worden ingericht bij het Eemskanaal en (in 1942) achter het Stadspark (Piccardthof).

    Omhoog
    309

    In de sfeer van de ouderenzorg komen in de periode tot 1945 onder meer nog de volgende gasthuizen tot stand:

    • Typografengasthuis (1903-1972, Petrus Campersingel);
    • het gereformeerd tehuis voor ouden van dagen Salem (Driemolendrift, 1910-1956);
    • het verzorgingshuis voor a-socialen, later als Treslinghuis onder meer verpleegtehuis (Klaprooslaan,1915-2005);
    • gereformeerd verzorgingsgesticht Bethesda (Noorderbuitensingel, 1921-1975);
    • het gasthuis Rustoord (gecombineerd met het Ubbena-gasthuis, Korreweg, 1924-1985);
    • het r-k. Mariapension (Pausgang, 1926-1976);
    • Huize Rikkers-Lubbers (r-k., Heresingel, 1928);
    • de r-k. Ter Schouw-van Sanenstichting (Moesstraat, 1929-1980);
    • het gasthuis 'Avondlicht' (Dilgtweg, Haren, 1934);
    • het Gasthuis voor de werkenden stand (Oosterweg, 1935-1983);
    • de Weldadige Stichting Ketelaar-Bos (Visserstraat, 1939);
    • de Maria Elisabeth Linhoffstichting (Radesingel, 1944; O.Kijk in 't Jatstraat, 1958-1973).
    Na de Tweede Wereldoorlog wordt aanvankelijk het accent gelegd op de bouw van verzorgingstehuizen voor ouderen enerzijds en van zelfstandige bejaardenwoningen anderzijds (de eerste in de Bataviastraat, 1948). In 1997 zijn er 12 verzorgingstehuizen.
    In het laatste kwart van de eeuw ligt de nadruk, als gevolg van de toenemende 'vergrijzing' van de bevolking (Groningen telt meer dan 10.000 inwoners, ouder dan 75 jaar), op het realiseren van verpleegtehuizen (een vijftal in 1997) en naar het totstandbrengen van aangepaste woningen voor ouderen met de mogelijkheid van partiŽle verzorging (woonzorgcomplexen).
    • In 1994 is ong. 20 % van de hoogbejaarden opgenomen in verzorgings- en verpleegtehuizen. Er zijn 1.200 specifieke woningen voor zelfstandig wonende ouderen. De gasthuizen in Groningen worden in veel gevallen niet meer voor hun oorspronkelijke doel gebruikt, maar dienen bv. als studentenhuisvesting.

    Omhoog
    310

    Groningen kent, zeker tot in de zestiger jaren van de eeuw, een groot aantal ideologisch geÔnspireerde ('verzuilde') verenigingen van en voor jeugd en jongeren, daaronder bv. de Arbeiders Jeugd Centrale. Daarnaast zijn er vele andersoortige intiatieven.

    • De oudste padvindersgroep voor jongens dateert uit 1917; een gemengde groep uit 1923. In 1929 wordt een speeltuin geopend aan de Kapteynlaan. Vele andere zullen volgen. Een jaarlijks fenomeen is het eendaagse Vakantiekinderfeest in Hooghalen voor de leerlingen van de openbare lagere scholen (1911-1982). Groningen heeft rond 1938 ook een jeugdherberg: 'In den Sint Maarten' (Albertine Agnesstraat).
      Na plm. 1950 ontstaan clubhuizen (in 1952 De Heerd, Agricolastraat), jeugd- en buurtcentra en open jongerencentra, die zowel een eigen programma bieden (w.o.veelal popmuziek), als ruimte voor initiatieven van anderen.
    Een eeuwenoude instelling als het Groene Weeshuis wordt in 1965 opgeheven. Het weeshuis is van 1933-1965 nog gevestigd aan de Verl. Hereweg.
    Ook talrijke vrouwenverenigingen kennen een kerkelijke, politieke en/of emancipatorische doelstelling. De Groningse afdeling van de Nederlandse Vereniging van Huisvrouwen (1917-2002) telt rond WO II niet minder dan 1.150 leden.

    Omhoog
    311

    In de maatschappelijke gezondheidszorg domineert de wijkverpleging, samen met de kraamverzorging en nog enkele andere diensten ondergebracht in de Vereniging 'Het Groene Kruis' (opgericht in 1908, sinds 1937 met een centraal bureau aan de Gorechtkade).
    Na plm. 1985 wordt samengewerkt met de - na WO II totstandgekomen - gezinsverzorging. Gezamenlijk wordt zgn. 'thuiszorg' aangeboden.
    Er zijn ook particuliere thuiszorginstellingen. Aan het eind van de eeuw is de thuiszorg volledig geprivatiseerd. Ziekenverpleging aan huis wordt vanaf 1920 mede geboden door de Zusters Franciscanessen van de H. Familie.

    • Sinds 1908 kent de gemeente Groningen een schoolartsendienst. Na de Tweede Wereldoorlog komen ook door de overheid georganiseerde bevolkingsonderzoeken in zwang.
      Beide initiatieven zijn organisatorisch ondergebracht - met nog andere (zoals aidsbestrijding)- in een (Gemeentelijke) Geneeskundige- en Gezondheidsdienst (1920, respectievelijk 1945), inmiddels werkzaam in de hele provincie. De ambulante geestelijke gezondheidszorg is sinds de tachtiger jaren geconcentreerd in een regionale instelling (het RIAGG, Hereweg).

    Omhoog
    312

    Tot de overige, vooral in de periode 1960-1985 door de overheid ruim gesubsidieerde, voorzieningen in de sfeer van zorg en welzijn behoren o.m. crisis- en opvangcentra (voor dak- en thuislozen, voor vrouwen), algemeen maatschappelijk werk, telefonische hulpdiensten, reclasseringsinstellingen, instellingen voor verslavingszorg, instellingen voor jeugdhulpverlening, gezinsvervangende tehuizen, peuterspeelzalen, centra voor allochtone groepen en activeringsprogramma's voor niet (meer) werkenden.
    Hoewel een eerste 'kinderbewaarplaats' al is opgericht in 1901, nemen pas na 1995 - als gevolg van een sterke toename van het aantal 'tweeverdieners' - voorzieningen voor kinderopvang een grote vlucht (kinderdagverblijven, gastouders, buitenschoolse opvang).

    Omhoog
    313

    De ziekenhuizen in Groningen ondergaan in de loop van de 20e eeuw vele organisatorische en medisch-professionele veranderingen.
    Het in 1903 (na discussies die teruggaan tot 1870) naar een terrein aan de Oostersingel verplaatste Algemeen Stads-, Provinciaal- en Academisch Ziekenhuis (sinds 1971 kortweg Academisch Ziekenhuis Groningen) evolueert tot universitair medisch centrum (1995, in 2002 juridisch geformaliseerd).
    Onderdeel daarvan vormen grootscheepse, vrijwel continu plaatsvindende, bouwactiviteiten. Het 'grote' ziekenhuis telt bij de opening 350 bedden. Dit aantal zal in de loop van de eeuw (1980) groeien tot plm. 1.100.

    • In 1905 wordt het militaire hospitaal in het Prinsenhof opgeheven. In 1932 wordt de 'ooglijdersinrichting' in het Academisch ziekenhuis ondergebracht; in 1941 ook het Kinderziekenhuis.
    Het r-k. ziekenhuis O. L. Vrouwe Behoudenis der Kranken vestigt zich in 1925 aan de Verl. Hereweg en in 1979 aan de Van Swietenlaan. Het Diaconessenhuis verhuist in 1965 naar de Van Ketwich Verschuurlaan.
    Beide laatstgenoemde ziekenhuizen fuseren in 1990 tot het Martini-ziekenhuis (met 750 bedden), te concentreren aan de Van Swietenlaan.
    In 1946 ontstaat na een fusie het Algemeen Groninger ziekenfonds 'Ziekenhulp', in 1983 na weer een nieuwe fusie het Regionaal Ziekenfonds Groningen. In 1999 ontstaat de ziektekostenverzekeraar Menzis (eerder Geovť).

    Omhoog

    Onderwijs

    314

    Het onderwijssysteem ondergaat in de 20e eeuw opnieuw enkele ingrijpende wijzigingen.
    In 1900 wordt landelijk een leerplicht van zes jaar ingevoerd (in 1921 van zeven jaar, in 1950 van acht jaar en in 1972 van elf jaar). Het uitgebreid lager onderwijs wordt in 1916 wettelijk erkend.
    In 1920 wordt een volledige erkenning en gelijkstelling van het openbaar en het bijzonder onderwijs bereikt.

    • Sindsdien nemen in Groningen de openbare, protestants christelijke, gereformeerde en rooms-katholieke scholen een gelijkwaardige plaats in.
      Na WO II (1954) wordt ook onderwijs gegeven op vrijgemaakt gereformeerde grondslag. Aan het eind van de eeuw is er verder een reformatorische basisschool.
    • In 1910 sticht de Groningse Schoolvereniging een school voor bijzonder neutraal lager onderwijs. In 1918 wordt een tweede gemeentelijke HBS opgericht (aan de Helper Brink).
    • Er ontstaan eveneens scholen voor christelijk uitgebreid lager en voor middelbaar onderwijs. Een christelijke HBS (in 1924 in de Gr. Rozenstraat, in 1948 in hetzelfde gebouw een tweede), het protestantse Willem Lodewijk Gymnasium (1911) en, na WO II, het r-k. lyceum St. Maartenscollege, de r-k. Middelbare meisjesschool St.Walburg (1946), een gereformeerd vrijgemaakte HBS (1957, nu Gomaruscollege).
    • Ook in het pedagogisch-, technisch-, landbouw- en het industrie- en huishoudonderwijs (volgens de Nijverheidswet, 1919) worden in de loop der jaren naast openbare, christelijke, en in een enkel geval ook rooms-katholieke, scholen gesticht.
    • De 'verzuiling' van de samenleving voltrekt zich vooral ook in de onderwijssector.

    Omhoog
    315

    In 1955 volgt wettelijke erkenning van het kleuteronderwijs. In 1981 komt de basisschool tot stand, bestemd voor alle kinderen van 4-12 jaar.
    Vermelding verdienen nog de opkomst van scholen met een afwijkend leerplan (Montessori-, Jenaplan- en Daltononderwijs) en van scholen voor buitengewoon (speciaal) onderwijs (voor kinderen met een beperking, schipperskinderen, kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden).

    • Ook in Groningen is sprake van voorrangsbeleid op scholen met een meer dan gemiddeld aantal leerlingen uit gezinnen in achterstandssituaties. Het basisonderwijs culmineert tegen het einde van de eeuw in zgn. 'vensterscholen', waarin het onderwijs - ook buiten de gebruikelijke schooltijden - wordt geÔntegreerd en aangevuld met activiteiten en voorzieningen in de sfeer van kinderopvang, maatschappelijke dienstverlening, sport, cultuur en gezondheidszorg.

    Omhoog
    316

    Nadat in 1968 een nieuwe Wet op het Voortgezet Onderwijs in werking is getreden (de Mammoetwet) volgt in strak tempo de stichting van brede scholengemeenschappen (voor algemeen vormend onderwijs en delen van het beroepsonderwijs, soms ook voor beide vormen gezamenlijk). De 'colleges' ontstaan. Vanaf 1975 vindt een experiment plaats met de zgn. 'Middenschool' voor alle 12-16-jarigen.

    • Het fenomeen HBS (w.o de Meisjes-HBS) wordt het slachtoffer van deze ontwikkeling, evenals het MULO. Het stedelijk gymnasium (sinds 1947 Praediniusgymnasium) en het protestants Willem-Lodewijkgymnasium blijven wel als zelfstandige scholen bestaan.
    Vanaf 1993 (Wet op de Basisvorming) is een soortgelijk proces gaande in het voorbereidend middelbaar beroeps- en het volwassenenonderwijs (w.o. de basiseducatie), die opgaan in Regionale Opleidingencentra : ROC's (Noorderpoortcollege, 1996, het christelijke Alfa College, 1996; het vrijgemaakt gereformeerde Menso Alting College, id.).

    Omhoog
    317

    De schaalvergroting in het hoger beroepsonderwijs leidt in Groningen, na eerdere deelfusies, in 1993 uiteindelijk tot de totstandkoming van de Hanzehogeschool, hogeschool van Groningen (met 15.000 studenten).
    De Rijksuniversiteit maakt, vooral na de Tweede Wereldoorlog, in deze eeuw een zeer forse groei door (in 1900 365, in 1914 470, in 1925 1.000, in 1965 ruim 6.200, in 1970 11.000 en in 2000 22.000 studenten). In 1914 wordt - opnieuw in aanwezigheid van het staatshoofd - het 300-jarig bestaan gevierd.

    • Hogeschool en universiteit tezamen tellen rond 1995 34.000 studenten, dat is 20% van de Groninger bevolking. Er zijn plm. 175 studierichtingen.
    • In 1909 is een nieuw Academiegebouw gereed gekomen, nadat een ouder gebouw in 1906 (30 augustus) in vlammen is opgegaan.
    • De ruimtebehoefte van de onderwijsinstituten houdt met deze ontwikkeling gelijke tred. Vanaf 1965 komt het universitair complex (het Zernike-complex, vanaf 2014 Zernike Campus) ten noorden van de wijk De Paddepoel tot ontwikkeling. (Prof. dr. Frits Zernike ontvangt in 1953 de Nobelprijs voor natuurkunde.) Ook in de binnenstad verrijzen concentraties van universitaire instituten (Harmonie-complex).
      De Hortus botanicus verhuist in 1966 met de botanische laboratoria naar het Hortuscomplex in Haren en wordt in 1988 verzelfstandigd. De private stichting gaat in 2001 failliet).
    Vanaf 1989 is het ook mogelijk op universitair niveau hoger onderwijs voor ouderen (HOVO, of Seniorenacademie) te volgen. Van deze mogelijkheid wordt in Groningen in zeer ruime mate gebruik gemaakt.

    Omhoog

    Cultuur, media en sport

    318

    Het gemiddeld hogere opleidingsniveau, de toename van vrije tijd en de vaak ruimere financiŽle mogelijkheden leiden in de 20e eeuw tot een belangrijke toename van de passieve en actieve belangstelling van de Groningers voor (gesubsidieerde vormen van) kunst en cultuur, die tevens, vooral na 1950, het provinciaalse karakter verliest. Tegen het eind van de eeuw worden culturele programma's, in het kader van stadspromotie, bij voorkeur ook gebundeld aangeboden in de vorm van een festival.

    • Sinds 1903 functioneert in de stad als 'inrichting van algemeen nut' een Openbare (Leeszaal en) Bibliotheek; sinds 1914 een Volksuniversiteit.
    • Het 'Harmonie'-orkest wijzigt sinds 1918 enkele malen van naam (Groninger Orkest Vereniging, Noordelijk Filharmonisch Orkest). Het heet nu Noord Nederlands Orkest. Het orkest heeft een functie voor het gehele noorden des lands.
    • De Harmonie-zaal wordt in 1973, onder protest uit de burgerij, afgebroken en vervangen door het veel grotere cultureel centrum 'De Oosterpoort' aan de Trompsingel. In 1941 is al de bovenverdieping door brand verwoest en niet weer opgebouwd.
    • In 1994 is, na een schenking van de Ned. Gasunie, een - qua architectuur zeer spraakmakend - nieuw Groninger Museum gerealiseerd in een zwaaikom van het Verbindingskanaal.
    • De gebouwen van het Prinsenhof worden rond de Tweede Wereldoorlog gerestaureerd. De Stichting 'Stadsherstel' (1983) stimuleert particuliere woningverbetering. Ongeveer 1.400 panden in Groningen zijn gekwalificeerd als monument (op een totaal van ruim 3.000 objecten en gebieden met bijzondere waarde). Er zijn ruim 50 archeologische monumenten en 8 beschermde stadsgezichten.

    Omhoog
    319

    De herdenking van het 950-jarig bestaan van Groningen in 1990 vormt de aanleiding tot een stadsmarkeringsproject, waarbij kunstwerken bij negen toegangswegen de stad, na het wegvallen van de stadspoorten in de 19e eeuw, als het ware een nieuwe identiteit beogen te geven.

    • Elke markering draagt een letter. Tezamen vormen de letters het woord Cruoninga. Het 'Tiende teken' bevindt zich op de plaats van de oude St. Walburgkerk, op het Martinikerkhof.
    Ook overigens zijn in de stad in ruime mate beelden en plastieken geplaatst.
    In het laatst van de eeuw komen - als gevolg van bewust beleid van het stadsbestuur - bouwwerken tot stand die de nauwe verbinding tussen architectuur en kunst benadrukken.
    • Ter gelegenheid van het 950-jarig bestaan van Groningen is een 5.000 kg. wegende klok toegevoegd aan het gelui van de Martinitoren: de Kromstaart. Sinds 1995 kent de toren 12 luidklokken.

    Omhoog
    320

    In 1918 ontstaat de Kunstenaarsvereniging "De Ploeg". Enkele leden ervan krijgen nationale bekendheid, bijvoorbeeld de drukker Hendrik Nicolaas Werkman (1882-1945) en de dichter Hendrik de Vries (1896-1986).
    Het kunstlievend genootschap 'Pictura' betrekt in 1934 een onderkomen aan het Martinikerkhof.
    Landelijk bekend zijn ook de schrijver Gerrit Krol (1934-2013), 'de zoon van de levende stad' en de dichter Rutger Kopland (1934-2012).

    Omhoog
    321

    In de loop van de 20e eeuw worden verder tal van amateurgezelschappen: orkesten, harmonie- en fanfarekorpsen, zangkoren, kinderkoren, toneelgezelschappen, opera- en operette-verenigingen, balletgroepen, bands e.d. opgericht en soms ook weer opgeheven.

    • Met name in de eerste helft van de eeuw geven koren en korpsen mede stem aan het emancipatiestreven van de bevolkingsgroep waaruit zij voortkomen.
      Zo ontstaan de arbeiderszangvereniging 'De Volksstem', de arbeidersmuziekvereniging 'Door het Volk-Voor het Volk' (1905), het christelijk harmoniegezelschap 'Patrimonium' (1921), de geheelonthouders-muziekvereniging 'Het veilig spoor' (1945-1967). Andere bekende korpsen zijn 'Gruno's Postharmonie' (1911), de Tramharmonie en het Gronings Politie Muziekkorps.
    • Afzonderlijke vermelding verdienen nog de Groningse Muziekvereniging (1905), het kinderkoor 'Huizinga's Zangklassen', de toneelvereniging 'De Grunneger Sproak' en de Cantory van de Nieuwe Kerk (die veelvuldig op de radio is te beluisteren).
      De Liedertafel Gruno krijgt in 1918 het predicaat 'koninklijk' en fuseert in 1982 met het Groningsch Mannenkoor tot het Koninklijk Mannenkoor 'Gruno Groningen'.
    • Groningen heeft aan het eind van de eeuw (vanaf 1965) een zekere reputatie als popmuziekstad (Vera en Simplon, sinds 1985 het Noorderslagfestival).
    In de 20e eeuw is ook sprake van een opbloei van de belangstelling voor regionale cultuur en geschiedenis. Het Groninger volkslied GrŲnnens Laid (Geert Teis ps. voor Gerhard W. Spitzen/Jager) dateert uit 1919. Tegen het einde van de eeuw genieten teksten en muziek van de bard Ede Staal (1941-1986) ook in Stad een ongekende populariteit.

    Omhoog
    322

    Het eerste 'bioscope-theatre' (Elite)- nog met zwijgende films; de geluidsfilm dateert uit 1928 - opent in 1908 in de Guldenstraat. Daarna volgen de bioscopen Beurstheater en Cinema (1913), Luxor (1917), Grand Theatre (1930), Camera en Studio (1960), Concerthuis/ The Movies (1967, uitgebreid in 1978) en City (1975). De laatste wordt in 1995 vervangen door de Pathť-cinema (met 1700 zitplaatsen).

    • Alle oudere bioscopen zijn in de loop van de jaren ook weer gesloten. Het Grand Theatre is verbouwd tot een voorziening voor experimentele podiumkunst (die op zijn beurt in 2015 ook weer is gesloten).

    Omhoog
    323

    Rond de Eerste Wereldoorlog verschijnt in Groningen een zestal dagbladen. Na fusies en opheffingen is daarvan aan het eind van de eeuw nog slechts een enkele bladtitel overgebleven.

    • de Provinciale Groninger Courant (1814) gaat in 1919 samen met de Nieuwe Groninger Courant (1878) en in 1935 met het Nieuwsblad van het Noorden (1888);
    • de protestants-christelijke Nieuwe Provinciale Groninger Courant (van Jan Haan - of Jan Tude - 1886) wordt in 1965 opgenomen in Dagblad Trouw.
    • het socialistische Het Volk (1900) komt in 1929 met een editie voor Groningen en Drenthe; verschijnt in 1945 weer als Het Vrije Volk, gaat in 1948 samen met het Groninger Dagblad (1911) en is vanaf 1971 nog slechts een (inmiddels niet meer bestaand) landelijk dagblad.
      Groningen kent ook voor 1929 al socialistische bladen als De Volksstrijd, het Volksweekblad en Het Volksblad;
    • het r.k. dagblad Ons Noorden: verschijnt van 1913-1964;
    • In 1944/1945 wordt door de bezettende macht als enige krant nog toegelaten het 'gelijkgeschakelde' Dagblad voor het Noorden. Het heeft als belangrijke functie het publiceren van distributiemaatregelen.
    Sinds 1971 (-2000) is 'het Nieuwsblad' (rond 1996 is de totale oplage 136.000, het dekkingspercentage plm. 40%) nog het enige dagblad voor de stad Groningen. Via uitgever Hazewinkel Pers zijn er overigens directe banden met alle andere dagbladen in de provincies Groningen en Drenthe en ook met de Friese Pers (Leeuwarder Courant).
    Van 1935-1950 verschijnt het veelgelezen periodiek 'Het Noorden in woord en beeld'; vanaf 1952 het huis-aan-huisblad De Groninger Gezinsbode (135.000 exemplaren), dat gedurende lange tijd een zeer informatieve functie vervult voor wat betreft de stedelijke ontwikkelingen in brede zin.

    Omhoog
    324

    De regionale radio-omroep voor Groningen, aan het eind van de eeuw Radio TV Noord geheten, begint in 1946 uit te zenden. In april 1995 vindt de eerste tv-uitzending plaats. De omroep is dan gevestigd in het Prinsenhof. In 2013 is het gemiddelde bereik zo'n 27 % van de potentiŽle luisteraars, in 2015 nog maar 13%.
    In 1984 doet stedelijke radio en televisie haar intrede.
    Vanaf december 1995 kent Groningen op het nieuwe medium internet een portal voor niet-commerciŽle informatie: de Digitale Stad (de eerste in Amsterdam, 1994), een initiatief van de Openbare Bibliotheek, de RUG en de Hanzehogeschool. In dat jaar wordt het aantal particuliere internetaansluitingen in Groningen geschat op 5.000. DSG wordt in 2002 opgeheven.
    Sinds 1997 verschijnt op internet (1991) dagelijks de Groninger Internet Courant. De stadsgeschiedenis is sinds 1998 op internet te raadplegen.

    Omhoog
    325

    Tot de talrijke sportverenigingen behoort in de 20e eeuw voetbalclub GVAV (1921), dat vanaf 1954 profvoetbal speelt. In 1971 wordt de FC Groningen opgericht.

    • Verder gymnastiekclubs als 'Kracht en Vriendschap' en 'Vlugheid en Kracht' (beide 1904), atletiek-, (zaal)handbal-, hockey-, korfbal-, tennis- en zwemclubs; in de tweede helft van de eeuw nog aangevuld met accomodaties en voorzieningen voor sporten als ijshockey, rugby, squash, kanoŽn, golf, waterski, volley- en basketbal. In 1913 wordt de Groninger Lawn Tennis Bond opgericht. De basketbalvereniging 'Donar' wordt opgericht in 1951.
      Ook de denksporten kennen sinds 1973 een eigen accomodatie.
    Het sportstadion Esserberg is in 1921 geopend. Grotere sportcomplexen bevinden zich o.m. in het Ooster- en het Stadspark (o.m met draf- en renbaan, 1922), in Corpus den Hoorn, aan het Van Starkenborghkanaal (inmiddels weer opgeheven) en in het recreatiepark Noorddijk. Het Oostersportpark (1933, oorspronkelijk multifunctioneel) is vanaf 1948 de thuisbasis voor de voetbalverenigingen GVAV (FC Groningen) en - tot 1989 - ook Oosterparkers.
    In 1925 wordt het overdekte Helperzwembad gerealiseerd; in 1934 het Noorderbad (gesloten 1993); in 1975 het zwembad De Parrel. Het openluchtbad De Papiermolen wordt in 1955 geopend.
    In 1993 is gereedgekomen een subtropisch bad in het Sportcentrum Kardinge, waarin o.m. ook een overdekte ijsbaan.
    • Aan het eind van de eeuw worden in Groningen meer dan 55 afzonderlijk te onderscheiden sporten beoefend. Voor teamsporten blijkt een afnemende belangstelling.

    Omhoog

    Justitie en politie

    326

    Tot in het laatst van de eeuw treden in de stad Groningen geen wijzigingen op in de organisatie van justitie en politie. Wel wordt het arrondissement Groningen vergroot en krijgt ook het Kantongerecht een ruimer werkgebied.

    • In 1997 verlaat de rechterlijke macht het gebouw aan de Oude Boteringestraat en neemt zijn intrek aan het Guyotplein. Het Kantongerecht wordt dan (met nog andere rechtscolleges) ruimtelijk geÔntegreerd met de Arrondissementsrechtbank. In 2002 is dat ook formeel het geval.
    • De gevangenis is in 1952 ingericht (en in 1962 uitgebreid) tot een inrichting voor ter beschikking gestelde delinquenten: de dr S. van Mesdag-kliniek.
      In 1961 wordt de tegenwoordige jeugdgevangenis 'Het Poortje' gevestigd aan de Rode Weeshuisstraat. Een nieuw gebouw staat aan de Hoogeweg. In Groningen worden overigens alleen jongeren met gedragsproblemen ondergebracht; jongeren die een strafbaar feit hebben gepleegd gaan naar de vestiging in Veenhuizen.

    Omhoog
    327

    Het korps Gemeentepolitie wordt in 1993 opgenomen in de regiopolitie Groningen die de gehele provincie omvat. In 1900 telt de gemeentepolitie 93 agenten in de executieve dienst. Het functioneren van het korps tijdens WO II staat onder kritiek. Bij de zuivering na de bevrijding dienen 126 van de 294 personeelsleden het korps te verlaten. Nog anderen worden disciplinair gestraft. Na WO II loopt de totale sterkte van het korps op tot plm. 350 en aan het eind van de eeuw tot 380, alleen al in de executieve dienst van de basiseenheid Groningen.
    Het Hoofdbureau van Politie wordt in 1908 verplaatst naar het Martinikerkhof en in 1971 naar de Rademarkt.

    Omhoog

    Economische ontwikkelingen

    328

    De dienstensector gaat in de stedelijke economie voor wat betreft het aantal arbeidsplaatsen in de 20e eeuw een steeds belangrijker plaats innemen.
    Van de ruim 110.000 arbeidsplaatsen (> 15 uur per week), verdeeld over 7.600 vestigingen van ondernemingen (1998), bevinden zich 9% in de industrie, 17% in de handel en de horeca, 6% in de sector transport en communicatie, 24% in de commerciŽle en 39% in de niet-commerciŽle dienstverlening. De Rijksuniversiteit is met afstand de grootste werkgever.

    • Het aantal van 110.000 arbeidsplaatsen in de stad wijst ook op een zeer omvangrijke inkomende pendel (plm. 47 %, 1997).
      In de stad zelf is tot 20% (1999) van de beroepsbevolking (van plm. 77.000 personen) werkzoekend. Dit hoge percentage is deels het gevolg van het aantal afgestudeerden dat niet direct een arbeidsplaats vindt.
    • In 1930 werkt plm. 35 % van de beroepsbevolking (dan 45.000 personen) in de sectoren handel en transport en 23 % in de industriŽle sector. Tijdens de crisis in de jaren dertig bedraagt het percentage werkzoekenden in de stad plm. 35 %.
      Tot de in die jaren uitgevoerde werkverschaffingsprojecten behoren o.m. de aanleg van het Esserveld, de aanleg van het Oosterpark en het graven van het Van Starkenborghkanaal. In 1924 sluit de gemeente Groningen zich aan bij de Centrale Werkverschaffing, een samenwerkingsverband van de Groninger gemeenten. Berucht is het kamp Jipsinghuizen, van waaruit grondwerk in projecten in Westerwolde wordt verricht.
    Bemiddeling naar arbeidsplaatsen vindt sinds 1916 o.m. plaats door een (dan) openbare voorziening als het Arbeidsbureau. Ten behoeve van minder valide werknemers is na WO II de sociale werkvoorziening actief.

    Omhoog
    329

    In de industriŽle sector (waarin overigens stuwende industrie ontbreekt) vormt de stad van 1910 - 1980 een belangrijk centrum voor de confectie-industrie (en tricotagebedrijven): in 1920 plm. 2.100 werknemers; rond 1960 bekend onder de naam Stijlgroep Groningen, met nog in 1964 een 37-tal bedrijven met ongeveer 4.200 werknemers. Het zijn er tijdens de bloeiperiode 6.000 geweest. Bekende namen zijn bv. de herenkledingfabriek v.h. Gebr. Levie (1880-1981), R.Muller & Co (1888-1956.) De concurrentie met de zgn 'lage-lonen-landen' blijkt evenwel niet vol te houden.
    Andere industrieŽn in de stad worden in de loop der jaren onderdeel van elders in Nederland gevestigde bedrijven of verplaatsen hun fabrieken.
    Compensatie wordt aanvankelijk gezocht in andersoortige industrie (vooral filiaal-ondernemingen, bv. Philips' lichte huishoudelijke apparaten: Domestic Appliances and Personal Care, 1961-2000); veel meer echter in het aantrekken, c.q. behouden van onderwijsinstellingen en andere organisaties uit de sector (commerciŽle) kennisintensieve dienstverlening.

    • Zo bijvoorbeeld de Nederlandse Gasunie (1963, met vanaf 1994 een spectaculair vormgegeven nieuw hoofdkantoor);
      de Dienst Uitvoering Onderwijs (1972, oorspronkelijk de Informatiseringsbank van het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen);
      het hoofdkantoor van de Koninklijke PTT Nederland (1990, inmiddels uiteengevallen in bedrijven die hun hoofdzetel elders hebben).
      Een accent ligt ook op bedrijven die voortkomen uit, dan wel een relatie hebben met genoemde instellingen.
    • De overgang naar de elektromotor als aandrijfkracht in de industrie wordt in de dertiger jaren afgerond. Vanaf 1965 geldt voor bedrijven die zich in Groningen vestigen een lagere aardgasprijs.
    In de sector industrie neemt de deelsector grafische industrie/uitgeverijen ruim 2.800 arbeidsplaatsen voor haar rekening, de deelsector voedings- en genotmiddelen 1.250 en de deelsector machines/apparaten 1.000 arbeidsplaatsen. In de informatietechnologie zijn er aan het einde van de eeuw 3.200 arbeidsplaatsen, in het onderwijs 3.000 en in de deelsector zorg en welzijn 17.100 arbeidsplaatsen.
    De uitgeverijen Wolters en Noordhoff spelen in deze eeuw een zeer vooraanstaande rol voor wat betreft het uitgeven van leermiddelen en -methoden voor het onderwijs. In 1910 wordt het aap-noot-Mies-leesplankje geÔntroduceerd.
    • Bij de CoŲperatieve Melkproductenfabriek 'De Ommelanden' (in 1995 gesloten) vindt van eind augustus 1952 tot oktober 1953 een zeer langdurige werkstaking plaats. De directie wenst de algemeen verbindend verklaarde CAO niet na te komen.

    Omhoog
    330

    De eens voor Groningen zo belangrijke graanhandel (in 1911 zijn er 35 graanpakhuizen; in 1920 900 handelaren op de korenbeurs; in 1990 wordt de beurs gesloten.) verliest in de loop van de eeuw aan betekenis als gevolg van buitenlandse concurrentie en van de invloed van moderne communicatiemiddelen als de telefoon. Aan het eind van de eeuw is de graanhandel vrijwel geheel verdwenen. De landbouwsector biedt in de eerste helft van de eeuw in het Noorden nog werk aan plm. 35 % van de beroepsbevolking.
    Gedurende de gehele 20e eeuw vormt met name ook de detailhandel (plm. 1.400 vestigingen; in 1904 700 vestigingen) voor de stad een belangrijke bron van inkomsten en werkgelegenheid.

    • In 1904 vestigt zich het warenhuis Grand Bazar Francais in Groningen. Het brandt in 1939 af als warenhuis T.A.N.T.E. In 1959 (- 1970) vestigt zich op dezelfde plaats warenhuis Galeries Modernes. Het warenhuis Vroom en Dreesmann dateert uit 1958 (-2016); De Bijenkorf uit 2001 (-2016).
    • In de jaren negentig wordt - onder voorwaarden - ook grootschalige detailhandel mogelijk buiten de binnenstad (1997, Ikea, Sontplein).
    De ambulante handel telt in de periode 1930 - 1940 plm. 300 kramen op de warenmarkt. In 1980 zijn het er plm. 150 (alleen op de centrale markt). Groningen kent aan het eind van de eeuw plm. 200 horecagelegenheden (niet zoveel meer als aan het begin van de eeuw), waarvan 160 in het stadscentrum. De horeca telt ruim 3.600 arbeidsplaatsen.
    Bundelingen van ondernemers vormen in deze eeuw organisaties als de Vereniging van Handelaren (1847), het Departement Groningen van de Nederlandse Maatschappij voor Handel en Nijverheid, de Algemene Groninger Winkeliersvereniging (1905), de Marktkoopliedenbond 'Gruno' (1922), de CommerciŽle Club (1946) en de Groningen Cityclub (1994).
    Daarnaast bestaat een aantal 'serviceclubs' als de Rotary, de Round Table, de Lions, de Soroptimists en nog andere netwerken van vooral beroepsmatig werkzame Groningers. Gepensioneerde leidinggevenden komen bijeen in Probusclubs.
    • Grote tentoonstellingen van diensten en producten van handel en nijverheid vinden onder meer plaats in 1903 en 1948. Een soortgelijke functie hebben in de laatste decennia van de eeuw de op verschillende doelgroepen toegespitste publieks- en vakbeurzen. In de stad vinden deze vooral plaats in het congres- en tentoonstellingscentrum Martinihal (1969), annex Evenementenhal (1971).

    Omhoog
    331

    Voor de stad belangrijk is ook nog de groentenveiling (1903), achtereenvolgens aan de Oude Ebbingestraat, de Wilhelminakade (1925), de Peizerweg (1958) en - als Fresh- en Foodcenter - aan de Hooghoudtstraat (1999).

    • In 1997 is de veiling opgegaan in een landelijke organisatie. De prijzen van de producten worden sindsdien landelijk vastgesteld.
      De bloemenveiling (1927), sinds 1950 aan de Peizerweg, is in 1978 naar Eelde verplaatst.
    Structureel niet gewijzigd tot in het laatste decennium van de 20e eeuw is de positie van de veemarkt (van 1892-1970 aan de Trompsingel, daarna aan de Sontweg). De marktontwikkelingen in de veehouderijsector veroorzaken sindsdien een stagnatie in de aanvoer.
    Het gemeentebestuur ziet de veemarkt aan het eind van de eeuw overigens niet meer als een publieke functie, waarvoor het in belangrijke mate medeverantwoordelijk is. De veemarkt wordt in 2001 definitief gesloten, als ook niet meer kan worden voldaan aan de milieueisen van de rijksoverheid.
    • In het interbellum is de Groninger veemarkt de derde van het land.

    Omhoog
    332

    Vermelding verdient nog de rol van Groningen in de eerste helft van de eeuw als (fictieve) thuishaven van zeeschepen. In de Tweede Wereldoorlog wordt een belangrijk deel van de kustvaarders (coasters) gedwongen ingezet in geallieerde, dan wel in Duitse dienst.

    • In 1964 staan nog 275 kustvaarders en ruim 700 binnenschepen in Groningen ingeschreven. In 1998 zijn deze aantallen gedaald tot plm. 145 (in het landsdeel Noord), respectievelijk 75.
      De belangen van de reders (veelal kapiteins/eigenaar) worden gedurende de bloeitijd van de kustvaart behartigd door het Zeemanscollege 'De Groninger Eendracht' (1830-1982).
    • De binnenvaart (turfvaart en vervoer van suikerbieten) is vooral belangrijk in de eerste decennia van de eeuw en in WO II.

    Omhoog
    333

    De stad bezit gedurende een groot deel van de eeuw - naast de al bestaande bedrijven - landbouwbedrijven in mede door Groningen gefinancierde nieuwe polders aan de Dollard (de Reiderwolder- en de Carel Coenraadpolder). Ook de Dollardkwelders zelf zijn voor een deel eigendom van de stad.
    In de VeenkoloniŽn functioneren het landbouwbedrijf en de houtvesterij Ter Apel. In die plaats bezit de stad ook nog het klooster en wordt een restaurant verpacht.
    Aan de Lauwerszee (definitief afgesloten in mei 1969) bezit de stad eveneens een aantal 'plaatsen'.

    • In totaal bezit de stad in 1960 nog 11.500 ha grond (en nog 4.000 ha kwelders en slikken): dat is 5 % van de oppervlakte van de provincie en vier maal de oppervlakte van de gemeente Groningen.
    Veel van de genoemde objecten, alsmede een reeks kanaalpanden, wegen, bruggen en sluizen worden in het laatste kwart van de eeuw afgestoten, terwijl tegelijkertijd de stadsmeierrechten worden opgeheven.
    Rond het jaar 2000 is het Stadskanaal evenwel voor een deel nog steeds stadseigendom. Ook bezit Groningen in de oude VeenkoloniŽn nog landbouwgronden met daaraan verbonden rechten.
    • Alle stadseigendommen en -rechten zijn, ingevolge de Herinrichtingswet Oost-Groningen en Gronings-Drentse VeenkoloniŽn (1977), inmiddels overgedragen, veelal aan de gemeenten in dat gebied.
    In 1945 doet het gemeentebestuur een poging het eiland Schiermonnikoog aan te kopen om er een recreatiegebied voor - in de eerste plaats - de stadjers van te maken. Het eiland, particulier Duits bezit, is na WO II door de rijksoverheid geconfisqueerd. De poging mislukt: Schiermonnikoog behoort volgens de bewoners en de provincie Frysl‚n een Fries eiland te blijven. Het eiland wordt naderhand door de Staat der Nederlanden in eigendom overgenomen.
    • Tegen de eeuwwisseling is het eiland aan de oostkant zodanig aangegroeid dat een (overigens onbewoond) deel ervan toch in de provincie Groningen ligt. In 2005 is na verkoop van het Groninger deel de provinciegrens aangepast, zodat Schiermonnikoog nu opnieuw volledig tot Frysl‚n behoort. De nieuwe grens ligt in de Eilanderbalg. Groningen heeft het recht tot terugkoop, als Schiermonnikoog zich in komende eeuwen verder naar het oosten zou verplaatsen. Het gemiddelde is tot dusverre plm. 3 km. per eeuw.

    Omhoog

    << Vorige hoofdstuk Index Volgende hoofdstuk>>

    © 1998, 2017 Kor Feringa, in samenwerking met Grunn.nl