• Menu
  • Historie
     
    Email ons!
     
  • GRUNN.NL: Stadshistorie
  • 19e eeuw

    Politiek en bestuur

    205

    De Omwenteling, definitief bezegeld door de Staatsregeling (grondwet) van de Bataafse Republiek van 1798, heeft voor Nederland en dus ook voor de stad Groningen grote gevolgen. De Republiek wordt een centraal bestuurde, door Frankrijk gedoogde, eenheidsstaat. De besturen van de gewesten - in Groningen tot dan voor de helft gekozen door de stad - hebben geen mede-wetgevende taak meer.

    • In de Nationale Vergadering ter voorbereiding van de Grondwet kiezen onder meer de Groningse afgevaardigden in eerste aanleg voor een federale staatsstructuur (om zo een al te overheersende rol van de Hollandse provincies te voorkomen). Uiteindelijk - na een geslaagde coup op 22 januari 1798 (met Franse steun)- winnen de unitariërs. In de nieuwe structuur komen besluiten tot stand bij meerderheid van stemmen. Het stemmen met last en ruggespraak vervalt. In de praktijk hebben in de vergaderingen de moderaten (ook wel genoemd 'slijmgasten') de overhand.
    • Het begrip 'Bataafs' verwijst oorspronkelijk naar de Bataven, vanaf plm. 50 v. Chr. de bewoners van de Betuwe, die in het jaar 69 in opstand komen tegen het Romeinse gezag. In de 18e en 19e eeuw is het vooral een synoniem voor 'Hollands' en wordt het gerelateerd aan de Opstand tegen de Spaanse overheersing in de 16e eeuw.
    De stad verliest (1803) de jurisdictie over het Gorecht, de Oldambten, de Veenkoloniën en Westerwolde. De eigendomsrechten in die gebieden blijven wel behouden.
    • De in 1795 ingestelde stedelijke municipaliteit wordt in 1803 weer vervangen door Burgemeesteren en Raad. Formeel vormen zij nu de regering van de gemeente 'der stad Groningen en derzelver tafel'. Er zijn vier burgemeesters en 8 of 16 raadsleden. Tot de leden van het stadsbestuur behoren ook vroegere regenten. Zij zijn in 1801 door voormalig stadhouder Willem V ontslagen van hun verplichtingen tegenover hem.
    • Het begrip 'regering van de stad' of 'stadsregering' (in plaats van 'gemeentebestuur') wordt nog gedurende de gehele 19e eeuw gebruikt.

    Omhoog
    206

    Kerk en staat worden in 1796 volledig gescheiden; er is geen bevoorrechte godsdienstige gezindte meer. Wel stelt de Staatsregeling: 'de eerbiedige erkentenis van een Albesturend Opperwezen versterkt de banden der maatschappij en blijft iederen Burger ten duurste aanbevolen'.

    • De 'Joodsche natie' wordt in 1796 volledig gelijkgesteld aan andere bevolkingsgroepen. Het zal overigens nog tot 1808 duren voor de gelijkstelling van de Joden in Groningen volledig geëffectueerd wordt. In dat jaar vervalt de noodzaak van een woonvergunning.
    De burgerrechten vervallen eveneens. Ook de standen (adel, patriciaat) spelen officieel geen bijzondere rol meer.
    In de economische sfeer geldt dat het stapelrecht (en het biermonopolie) in de Ommelanden niet meer van kracht zijn en dat de gilden in hun rol worden beperkt. Op grond van gildenverordeningen mogen geen bindende of beperkende bepalingen meer worden gesteld: er komt vrije concurrentie (1804). Pas in 1818 worden de gilden als publiekrechtelijke organen ook formeel opgeheven.
    • Corporatieve organisaties als de gilden worden in strijd geacht met het gelijkheidsbeginsel. Bovendien zouden ze innovaties in de weg staan.

    Omhoog
    207

    Het gewest Stad Groningen en Ommelanden (Stad en Lande) wordt in 1799 opgeheven. Groningen gaat deel uitmaken van het departement van de Eems (hoofdstad: Leeuwarden). Het departement heeft vrijwel geen eigen bevoegdheden.
    In 1802 verandert de situatie opnieuw. Groningen krijgt, als departement Stad en Landen van Groningen, de oude provinciale grenzen terug.
    In 1808 wordt de naam Groningen zonder meer. De Bataafse republiek is dan al overgegaan in het Bataafse gemenebest (1805-1806) en vervolgens in het Koningrijk Holland (onder koning Lodewijk Napoleon).
    Na de inlijving in het Franse keizerrijk (op 9 juli 1810, kort na het gedwongen aftreden van de koning), wordt Groningen in 1811 de hoofdstad van het departement van de Westereems, dat ook Drente en het gehele - ook het Duitse - Reiderland omvat, maar niet het eiland Rottumeroog. In genoemd jaar hebben ook het arrondissement Neuenhaus (de graafschap Bentheim) en de stad Meppen enkele maanden onder het Departement geressorteerd.

    • Westerwolde wordt in 1799 in het departement van de Eems opgenomen en blijft ook daarna met Groningen verbonden. Friesland vormt in 1801 een eigen departement. Hetzelfde geldt voor Drenthe in de periode 1805-1811.
    • Het dan Pruisische Oost-Friesland (met Jeverland en Knipphausen) wordt in 1808 aan het Koninkrijk Holland toegevoegd, nadat het al sinds 1806 door Hollandse troepen is bezet. Tot het departement Oost-Friesland behoort aanvankelijk ook de heerlijkheid Varel. In 1810 wordt het departement met het, sinds 1803 bestaande, hertogdom Arenberg (rond Meppen) samengevoegd tot het departement Ost Ems en bij Frankrijk ingelijfd. In 1814 gaat Oost-Friesland tot het Koninkrijk Hannover behoren; na 1866 is het weer een deel van Pruisen.

    Omhoog
    208

    In 1808 worden in het gehele land, nu ook in de plattelandsgebieden, communes ingesteld (mairies), aanvankelijk nog met een burgemeester en een vroedschap; vanaf 1811 met een maire en municipale raden.
    Groningen wordt een commune der eerste klasse, met recht op vier wethouders (assessoren). Alle functionarissen worden vanwege de koning/keizer benoemd. De vroedschap c.q. de municipale raad (15 leden) vergadert slechts eenmaal per jaar en heeft uitsluitend tot taak begrotingen en rekeningen goed te keuren.

    • Nadat reeds in 1793 de eerste steen is gelegd voor een nieuw raadhuis (het oude is bouwvallig geworden en in 1775 afgebroken), duurt het tot 1806 voor het in gebruik kan worden genomen. Pas in 1810 is het geheel gereed. Door de 'ongunst der tijden' is in de perioden 1775-1793 en 1797-1802 niet aan het gebouw gewerkt. De westgevel van het stadhuis wordt eerst in 1873 dichtgebouwd.
    • De bouw van het stadhuis wordt gefinancierd uit de verkoop (in 1810) van delen van de buitenbezittingen.

    Omhoog
    209

    In het begin van de 19e eeuw treden, naar Frans voorbeeld of op Frans bevel, nog een aantal structurele wijzigingen op in de organisatie van de Nederlandse samenleving. De nationale eenwording wordt er aanzienlijk door bevorderd.

    • Voor de eerste maal wordt de spelling van het Nederlands op nationaal niveau geregeld (1804, de spelling - Siegenbeek).
    • In 1806 wordt de Schoolwet van Van der Palm ingevoerd: het onderwijs wordt een overheidstaak met de openbare school als regel.
    • In hetzelfde jaar vindt de invoering van directe belastingen plaats in het gehele koninkrijk; een groot aantal plaatselijke belastingen en accijnzen vervallen, evenals het quotenstelsel (eerst in 1864 vervallen alle nog resterende plaatselijke accijnzen). Plaatselijke belastingen worden onder meer geheven op alcohol, kolen en turf, het gemaal, het bestiaal, de huren, de aantallen deuren en vensters, dienstboden en paarden.
    • Ook worden in 1809 nationale wetboeken ingevoerd, gebaseerd op de Code Napoleon. Tegelijkertijd wordt de rechterlijke organisatie gewijzigd en vervalt het tot dan gesproken Oud-Groninger recht. Gedurende de inlijving wordt Frans recht gesproken;
    • Een poging in 1810 om het al in 1799 internationaal overeengekomen metrieke stelsel (met uniforme maten en gewichten) in te voeren, komt niet tot uitvoering. In Nederland geldt het stelsel praktisch eerst vanaf 1820; alle plaatselijke maten en gewichten zijn dan vervallen. Het gebruik van de oude benamingen is pas vanaf 1937 wettelijk niet meer toegestaan; de begrippen 'ons' en 'pond' worden overigens nog steeds gebruikt.
    • In 1811 wordt de burgerlijke stand ingevoerd; voorzover dat nog niet eerder het geval was dient men zich een achternaam te kiezen (niet alle leden uit een enkele familie kiezen eenzelfde naam).
    • Vanaf 1812 wordt gewerkt aan het kadaster: de registratie van aard en omvang van de grondeigendom. Eerst in 1832 is het geheel afgerond (een kadastrale minuut van de stadsplattegrond verschijnt in 1828, militair-topografische kaarten van Groningen e.o. - de Huegeninkaarten - komen gereed in 1829).
    • In 1816 tenslotte wordt het geldstelsel gedecimaliseerd: de oude gewestelijke munten vervallen (maar zijn pas vanaf 1849 geen wettig betaalmiddel meer).
    Wat de tijdrekening betreft: in 1836 schakelt Groningen over van de plaatselijke ware tijd op de plaatselijke middelbare tijd. Daarnaast is er vanaf 1866 de spoortijd (tot 1892 de plaatselijke middelbare tijd van Amsterdam, daarna de Greenwich zonetijd).
    • Middelbare tijd: afgeleid van de zonnestand en gemiddeld in verband met seizoensverschillen.

    Omhoog
    210

    Op 15 november 1813 wordt de stad bevrijd van de Franse overheersing. Nederland 'herstelt' zich. Groningen wordt nu (1814) de hoofdstad van de gelijknamige provincie in het (van 1815-1830 met de zuidelijke gewesten verenigde) Koninkrijk der Nederlanden onder het Huis Oranje-Nassau. Deze situatie is sindsdien niet gewijzigd.
    De bevrijding van de stad vindt plaats door Russische kozakken die behoren tot de verspreid opererende lichte ruiterij van een geallieerde legermacht, die verder o.a. bestaat uit Zweedse en Pruisische eenheden. De Fransen bieden in Nederland geen noemenswaardige tegenstand.

    • In Groningen is in de Franse tijd het hoofdkwartier van een Franse divisie gevestigd. Op 10 november gaat een deel van de bezetting bij Papenburg (Emsland) de strijd aan met de kozakken; een ander deel trekt zich terug op de vesting Delfzijl, die in staat van verdediging wordt gebracht. De resterende militairen en de Franse ambtenaren vertrekken op 14 november naar Lemmer of Harlingen. Delfzijl blijft nog tot 23 mei 1814 in Franse handen.
    • Anders dan in Groningen het geval is verklaren de grote Hollandse steden zich vrij en worden provisionele besturen gevormd, nog voor de geallieerde troepen arriveren. Ook is er - vanwege het bekende Driemanschap - 'uit naam van de Prins van Oranje' op 21 november in aanzet al een landelijk bestuur. Eerst op 29 november wordt dit bestuur - na lang aarzelen - ook in Groningen erkend.
    • Het verzet van de Groningse bevolking tegen de Franse overheersing manifesteert zich in de loop der jaren vooral als Nederlandse dienstplichtigen worden opgeroepen om te worden ingelijfd in het Franse leger (de conscriptie). Ook worden meer dan eens Franse ambtenaren en militairen gemolesteerd.
    • Het 'herstel' van Nederland houdt ook een zekere restauratie in. Zo verkrijgt bijvoorbeeld de adel weer heerlijke rechten en worden ambtenaren die ook onder Frans gezag hebben gediend opnieuw benoemd op hoge posten. Zij staan bekend als 'windvanen'.

    Omhoog
    211

    Het Reglement voor het bestuur van de gemeente Groningen van 1815 schrijft voor dat de stad als vanouds vier burgemeesters telt. De 12 raadsleden worden voor het leven benoemd, na gekozen te zijn door een 24 (later 32) leden tellend kiescollege dat is samengesteld uit de 'vroedste en gegoedste ingezetenen' tot het stemrecht bevoegd. Om raadslid te kunnen zijn moet men een aantal jaren in de stad hebben gewoond. De gemeenteraad vergadert niet in het openbaar.

    • De 12 raadsleden vormen tevens de afvaardiging van de stad in Provinciale Staten van Groningen (samen met 12 leden namens de Ommelander adel en 12 namens het platteland). De Staten hebben overigens niet het budgetrecht.
    Na 1824 wordt volstaan met één burgemeester en drie wethouders. Eerst bij de Grondwetsherziening van 1848 wordt de standenvertegenwoordiging in Provinciale Staten afgeschaft. In 1851 wordt een nieuwe Provinciewet van kracht. De stad als zodanig is nu niet meer vertegenwoordigd in andere organieke organen binnen de Nederlandse staat. Wel zijn er personele unies.
    • In 1815 tracht de stad nog zijn vroegere heerlijke rechten in de Oldambten, Sappemeer, het Gorecht en de Veenkoloniën te continueren door te streven naar het recht van voordracht bij de benoeming van leden van plaatselijke besturen. De poging loopt echter op niets uit.
    • De Grondwetsherziening heeft ook betrekking op de vrijheid van drukpers, van godsdienst en van vereniging en vergadering.

    Omhoog
    212

    Conform de Gemeentewet van 1851 - die ook het onderscheid tussen steden en plattelandsgemeenten doet vervallen- telt de gemeenteraad in dat jaar 23 leden. Er zijn opnieuw drie wethouders.

    • De raad is gedurende de gehele 19e eeuw samengesteld uit conservatieve, dan wel liberale vertegenwoordigers van de gegoede burgerij (w.o. fabrikanten en hoogleraren), die niet zelden in familierelatie tot elkaar staan. De raadsleden worden na 1851, telkens voor zes jaren, direct gekozen door de mannelijke bevolking: tot 1887 uitsluitend op basis van censuskiesrecht, na dat jaar op grond van meerdere kenmerken. Er zijn dan bv. ook woning-, loon-, spaargeld- en examenkiezers.
      Eens per twee jaar treedt een derde van de de raadsleden af; eens per drie jaar de helft van de wethouders.
      Vanaf 1897 zijn de verkiezingen geheim. Tot dan zijn alleen ondertekende verklaringen geldig.
      Al met al zijn voor de verkiezingen in Groningen in de tweede helft van de eeuw zo'n 5 % van de inwoners (alleen volwassen mannen) kiesgerechtigd. De opkomst ligt op plm. 50 - 60 %.
    • Vanaf 1883 kent de raad ook anti-revolutionaire leden; in 1897 doet de eerste democratisch socialist zijn intrede.
      Een afdeling van de - later anarchistische - Sociaal Democratische Bond wordt in 1885 in Groningen opgericht in Huis De Beurs. De socialisten pleiten onder meer voor algemeen kiesrecht.
    • Gedurende het grootste deel van de eeuw voert de raad een behoudend beleid, vooral ook gericht op de belangen van de hogere standen.

    Omhoog
    213

    In de 19e eeuw blijft Groningen de centrumfunctie voor een omvangrijk verzorgingsgebied behouden. Tegen het eind van de eeuw afficheert de stad zich als derde handelsstad van Nederland.
    Voor de toekomst van het van oudsher moeilijk bereikbare Groningen belangrijke gebeurtenissen zijn in deze eeuw met name de aansluiting op het spoorwegnet (al in discussie vanaf 1844), de strijd om het behoud van de Hogeschool (1848-1876) en de ontvesting van de stad (Vestingwet 1874).

    Omhoog

    Ruimtelijke orde

    214

    Gedurende het grootste deel van de 19e eeuw ligt Groningen, evenals veel andere Nederlandse steden, nog ingeklemd tussen de verdedigingswallen. Met alle gevolgen vandien, vooral voor het armste deel van de bevolking (de 'smalle' of 'schamele gemeente').

    • Tegen de wallen ontstaan hele buurten van stegen en sloppen met één-kamerwoningen. Ook kelders worden bewoond.
      Berucht zijn o.a. het Oude Bosch en het Nieuwe Bosch (nu Ganzevoortsingel) en het buurtje bij de A-poortenwal. In de buurt Noorderwalhof (achter de huidige Kruitgracht) wonen niet minder dan 600 mensen.

    Omhoog
    215

    Ook buiten de wallen ontstaat permanente bebouwing, hoewel dat ingevolge de zgn. 'Kringenwet' (1853, na soortgelijke maatregelen in 1792 en 1814) niet is toegestaan. Om een vrij schootsveld voor de artillerie te kunnen garanderen dient het gebouwde binnen een kring van 1100 m., in geval van oorlog immers weer te kunnen worden afgebroken.
    Vervult het lommerrijke gebied tussen Here- en Oosterweg vooral een recreatieve functie; bij de Hereweg (Barestraat e.o.) ontstaat een arbeiderswijkje, bij de Drekhaven aan het eind van het zogheten Slijkdiep (de Griffe) een sloppenwijk.

    • In 1840 bedraagt het aantal woningen in de stad 43 per hectare; elk huis wordt bewoond door gemiddeld zes personen. Het aantal huizen loopt op van 5.089 in 1821 tot 10.565 in 1898. In laatstgenoemd jaar bestaat de woningvoorraad voor 63.4 % uit woningen met één bouwlaag. Het aantal huizen met een verdieping bedraagt 3.873.
      Zeker na 1870, als - tengevolge van een diep ingrijpende landbouwcrisis - de Groninger bevolking door een toestroom vanuit het platteland fors toeneemt, worden vanuit het gezichtspunt van volksgezondheid en hygiëne mensonwaardige toestanden waargenomen, ook door tijdgenoten.
    • In 1863 wordt de eerste woningbouwvereniging opgericht: 'De Bouwvereniging' (- 1919); in 1880 volgt 'Werkmanslust' (- 1909) en in 1886 'Werkmanssteun' (- 1919). Al deze verenigingen beogen overigens het maken van winst.

    Omhoog
    216

    Inmiddels neemt de militair-strategische betekenis van de vesting Groningen af. Ook feitelijk hebben de, nogal verwaarloosde, verdedigingswerken hun functie verloren.

    • Toch wordt aan het begin van de Frans - Duitse oorlog, op 19 juli 1870, de Linie van Helpman nog wel 'in staat van tegenweer' gebracht. De stadspoorten worden van afsluitingen voorzien. In de stad is een legereenheid ter grootte van een brigade gelegerd.
    • Ook is nog de mogelijkheid in beeld inundaties te stellen in de Linie Groningen - Delfzijl. Dit laatste om een eventuele landing van de Fransen op de kust en een doortocht naar Pruisen te ontmoedigen.
    • In deze periode dienen de wallen vooral als 'wandeling', met fraaie vergezichten op de omliggende landerijen. In de dwingers vindt men tuinen (met tuinkoepels - 'lusthuisjes' - op palen).
    Na de oorlog (10 mei 1871) wordt besloten het concept voor de eventuele verdediging van het Nederlandse grondgebied aan te passen. In de Vestingwet (aangenomen op 12 maart 1874) komt de vesting Groningen niet meer voor. Het staat de stad nu vrij zich ruimtelijk naar alle zijden te ontwikkelen. Daarvan wordt in ruime mate gebruik gemaakt.
    • Ook de Linie Groningen - Delfzijl wordt formeel opgeheven. Voor de verdediging van de noordelijke provincies worden geen vervangende maatregelen getroffen.
      Het gebied van de Linie is overigens aan het einde van de Tweede Wereldoorlog nog eens geïnundeerd.
    • De aanpassing van het verdedigingsstelsel is in 1871 zeker al 25 jaar onderwerp van een discussie tussen voor- en tegenstanders van een meer effectieve en geconcentreerde verdediging van het land met als kern de Nieuwe Hollandse Waterlinie. De vestingen in de periferie zijn in dat geval overbodig.

    Omhoog
    217

    Alle wallen worden in de periode 1876-1884 geslecht. In het noordwesten wordt - op basis van het plan-Brouwer (1874) - het Noorderpark aangelegd (het Noorderplantsoen). Langs de Noorderbinnensingel blijft een deel van de wal gespaard om de achterliggende sloppenwijk (Violetsteeg c.a.) aan het oog te onttrekken.

    • De oostelijke wallen bieden na verloop van jaren ruimte aan het nieuwe Academisch Ziekenhuis en een aantal laboratoria van de Universiteit. Een tijd lang ligt er een tentoonstellingsterrein. Ook aan de Westersingel verrijzen laboratoria. Vooral op de zuidelijke singels en in het Zuiderpark vindt woningbouw plaats. Men woont er 'op stand'.
    • De wal in het Noorderplantsoen heeft in april 1945 nog een rol gespeeld bij de Duitse verdediging van de stad.

    Omhoog
    218

    De vestinggrachten worden vergraven tot plantsoenvijvers; maken - in al dan niet gewijzigde vorm - deel uit van doorgaande scheepvaartverbindingen (de beide Verbindingskanalen) of krijgen een havenfunctie (de Westerhaven). Voor het overige worden ze gedempt.

    • De Visserspijpen (de doorgang van Schuitendiep naar Winschoterdiep) is al in 1838 een open verbinding geworden.
    • Drie nieuwe bruggen dragen bij tot de ontsluiting van de binnenstad: de Emmabrug, de Museumbrug en het voetbruggetje de Trompbrug. Eerst in 1994 krijgt het station een rechtstreekse verbinding met het centrum in de vorm van de H.N.Werkmanbrug.
    De nog aanwezige stadspoorten worden rond 1878 geamoveerd. Een enkele binnenpoort wordt in 1828 al afgebroken (de Binnen A-poort). Een deel van de Buiten A-poort en de Poelepoort in 1859.
    • Een actie om ten minste de Herepoort voor Groningen te behouden mislukt. De voorgevel - althans de belangrijkste delen ervan - staat nu in de tuin van het Rijksmuseum in Amsterdam.

    Omhoog
    219

    Ook de Linie van Helpman wordt ontmanteld. In 1883 wordt op het vrijgekomen terrein het al bestaande Sterrebos (1756-1765) uitgebreid en gemoderniseerd. In volgende jaren verrijzen er een nieuwe cellulaire gevangenis en een Huis van Bewaring (1882, buiten gebruik 2008), een watertoren (1881, in 1971 weer afgebroken) en de Rabenhauptkazerne (1897, in 1945 verwoest).

    • Nadat er tot in de Franse tijd voornamelijk sprake was van inkwartiering van militairen bij burgers, kent Groningen in de 19e eeuw kazernes aan de Kleine Peperstraat, de Haddingestraat, de Coehoornsingel (bouw van een kazerne in 1780), het Nieuwe Kerkhof, de Kattenhage en bij de Ebbingebrug. Die aan de Coehoornsingel en het Nieuwe Kerkhof worden in 1897 opgeheven; de andere al eerder.

    Omhoog
    220

    Het arsenaal (Ammunitie- of tuighuis) is tot 1880 aan de Kruitlaan. De munitie wordt overigens bewaard in kruithuizen in een tweetal dwingers in het noorden van de stad. Er is ook nog een afzonderlijk Stads Magazijn- of Ammunitiehuis (in de Pelsterstraat).
    De Hoofdwacht aan de Grote Markt (volledig gerestaureerd in 1899) functioneert als wachthuis voor garnizoen en schutterij.
    In de Hofstraat bevindt zich de militaire gevangenis: het Geweldige hof of Provoost.
    In 1884 wordt de gemeentegrens met Haren verlegd van de 'droge' naar de 'natte' brug over de voormalige Linie. Ook het dan nieuwe terrein van de reinigingsdienst aan de Verl. Lodewijkstraat - op de oostelijke redoute van de Linie van Helpman - behoort nu tot de gemeente Groningen.

    Omhoog
    221

    In 1858 ontwikkelt de provincie Groningen een plan ter verbetering van het scheepvaartverkeer. Het is tegelijkertijd van belang voor de afwatering van grote delen van de provincie.
    De eeuwenoude open verbinding van de stad met de Noordzee via het, voor grotere (stoom)schepen steeds minder geschikte, Reitdiep komt in 1877, met het gereedkomen van sluizen bij Zoutkamp, te vervallen.

    • In 1848 is al de bocht van het Reitdiep bij Donghorn (bij de huidige Van Goghstraat) afgesneden.
    De verbinding van Groningen met de zee verloopt nu via het, in 1876 gereedgekomen, Groot-Scheepvaart- of Eemskanaal. Als zodanig krijgt het kanaal evenwel niet de betekenis die ervan verwacht wordt: het is te smal, te ondiep en er zijn 15 bruggen. Als afwateringskanaal blijkt het wel te voldoen.
    Ook de haven van Delfzijl komt niet tot ontwikkeling. De regering is - nog in 1901 - van mening dat de agrarische export uit de provincie Groningen via de Zuiderzee en Amsterdam dient te verlopen en weigert in de haven te investeren. De Groningse economie heeft zich te voegen naar de Amsterdamse.

    Omhoog
    222

    Het Eemskanaal, van Delfzijl naar Groningen, eindigt in de Oosterhaven waar (1878) grote graanpakhuizen verrijzen. De Oosterhaven staat in directe verbinding met het Schuiten- en het (nu Oude) Winschoterdiep en, via de Oosterhavensluis (1878), ook met het Damsterdiep. Vandaar is er een Verbindingskanaal met het Boterdiep (de oude verdedigingsgracht, de singelgracht).

    • Aan de Singelweg (bij de Van Kerckhofstraat) ligt eveneens een sluis (1878). De sluis tussen Damsterdiep en Schuitendiep wordt in 1883 verwijderd.

    Omhoog
    223

    Ten zuiden van de oude stad voert een (tweede) Verbindingskanaal (1879) naar het dan al bestaande Noord-Willemskanaal (1861, in Groningen doorgaans het Hoornsediep genoemd), de Zuider- en Westerhaven (Westerhavensluis, 1864) en naar het Hoendiep. Het Hoornsediep kent, achter het station, vanaf 1874 (-1926) een Spoorweghaven voor de overslag van landbouwproducten. De aanleg van het Verbindingskanaal maakt de verbinding tussen Schuitendiep en A-haven via Kattendiep en Zuiderdiep overbodig.

    • Deze diepen, toch al sterk verwaarloosd en een gevaar voor de volksgezondheid, worden in 1880 gedempt (op een gedeelte bij de Reitemakersrijge na). De spilsluizen in het Lopendediep en bij de Visserbrug worden in 1877 buiten gebruik gesteld en later verwijderd. Een gevolg van de afsluiting van het Reitdiep is ook dat het noordelijk stadsdeel niet meer onder water komt te staan bij hevige noordwesterstorm.
    • Het Noord-Willemskanaal maakt in deze eeuw deel uit van de beoogde belangrijke vaarverbinding Delfzijl - Zuiderzee - Amsterdam door de Drentse Hoofdvaart en het Meppelerdiep. Het is ook de eerste verbinding tussen de kanalen van Drenthe en die van Groningen.

    Omhoog
    224

    De aansluiting van Groningen op het landelijke spoorwegnet heeft eveneens ingrijpende ruimtelijke gevolgen. Al in 1844 (vijf jaar na het ingebruiknemen van de spoorlijn Amsterdam- Haarlem) worden plannen ontwikkeld voor spoorverbindingen met Zwolle (dan nog via Hasselt-Zwartsluis), met Delfzijl en met Nieuweschans (-Leer).
    In 1853 wordt een concessie verleend voor een lijn Groningen-Zwolle, in 1856 voor een verbinding met Nieuweschans en Harlingen (via Leeuwarden).
    Laatstgenoemde verbinding wordt als eerste gerealiseerd, overigens pas in 1866. Harlingen is voor Groningen belangrijk als exporthaven (zuivel en karton).
    De lijn naar Winschoten komt in 1868 tot stand; die naar Meppel (-Zwolle) in 1870. Een reis naar Amsterdam (via Utrecht) duurt 5.5 uur.
    In 1876 volgt verlenging van de lijn naar Winschoten tot Nieuweschans en verder naar Ihrhove in Duitsland (waar het net in Pruisen aansluit op dat van de 'Grossherzogliche Oldenburgische Staatseisenbahnen'); in 1884 de verbinding naar Delfzijl en in 1893 die naar Roodeschool.
    De regering verleent geen concessie voor een spoorweg Groningen - Drachten - Lemmer (1873).

    • De verbinding met het westen van Nederland is vanaf de opening belangrijker dan die naar Noord-Duitsland en Harlingen, hoewel men daarvan aanvankelijk grote verwachtingen heeft. Zo wordt in het wetsvoorstel voor een Spoorwegwet (1860) gesproken over 'een aanzienlijke internationale spoorlijn' die 'de kortste handelsweg vormt tussen Hamburg en Londen'. Harlingen wordt zelfs gezien als een voorstad van Londen.
    • Het eerste (nog houten) station is van 1866. In 1872 wordt een nieuw station gebouwd, van 1893-1896 gevolgd door de bouw van het huidige Hoofdstation (officieel: station Groningen).
      Het station Groningen-noord (aanvankelijk Groningen Halte S.S. of Noorderhalte, later Noorderstation genoemd) is in 1884 geopend. Ook de streek Kostverloren kent in deze eeuw een halte (bij de spoorwegovergang Friesestraatweg).

    Omhoog
    225

    In het patroon van wegverbindingen naar en van Groningen is in de 19e eeuw geen wijziging gekomen. Here- en Oosterweg zijn met viaducten over de nieuwe spoorlijn gevoerd.

    • Het viaduct in de Hereweg doet nog steeds dienst; dat in de Oosterweg - tevens toegang tot de Helperlinie - is al spoedig na het ontmantelen ervan (1878) vervangen door een gelijkvloerse overgang in het verlengde van de Waterloolaan. Ook alle andere spoorwegovergangen zijn gelijkvloers.
    De kwaliteit van de wegverhardingen verbetert. In 1824 wordt de Hereweg (vanaf de Helperlinie) bestraat (de weg is dan 5 meter breed); in 1839 wordt de weg langs het Damsterdiep, in 1843 de Friesestraatweg (met de afsnijding via Slaperstil) aangelegd; in 1844 de weg naar Winsum en in 1868 de weg naar Eelde. In 1875 is er ook een 'kunstweg' naar Hoogezand. De bestratingen leiden tot een verdubbeling van de snelheid van het wegverkeer tot ruim 11 km/u.
    • In 1822 nog is de Hereweg tussen Helperpoort en Helperlinie de enige verharde weg in het noorden van het land.
    • De poortgelden in Groningen worden in 1851 afgeschaft, de nog resterende tollen op de rijkswegen in 1899 (de tol bij De Punt overigens al in 1824) en die op de provinciale wegen in 1906. De stadstollen in de Veenkoloniën zijn nog tot 1931 geheven.

    Omhoog
    226

    Reeds sinds de tweede helft van de 17e eeuw worden de vaste verbindingen van Groningen met omliggende en verder weg gelegen plaatsen voor reizigers onderhouden door zgn. 'wagenveren': postkoetsen of diligences (o.m. naar Zwolle, De Lemmer, Amsterdam en Harlingen) of met trekschuiten: snikken (met 20 passagiers) en barges (snelschuiten, of Gr. 'bersies'). In de eerste helft van de 19e eeuw telt de stad zo'n 175 afvaarten per week.
    Omnibussen, spoor- en later ook tramwegen nemen in de tweede helft van de eeuw de belangrijkste verbindingen over. De trekschuit naar Slochteren vaart nog tot in de twintiger jaren van de volgende eeuw.

    • Een rit per postkoets naar Uithuizen (28.5 km.) beslaat in het begin van de 19e eeuw plm. vijf uur.
      Op diverse kanalen binnen de provincie worden na 1856 stoombootdiensten onderhouden. Vrachtvervoer naar en van het westen en Noord-Duitsland vindt in de loop van de eeuw o.m. plaats met de Lemmerboot (1865) of met de Hunzeboten (1876). Het overige vrachtvervoer geschiedt per beurtveer (dorpsschepen) of met paard-en-wagen (bodendiensten). In 1880 is er sprake van 115 beurtdiensten, waaronder plm. 40 met stoomboten.
    • Omnibussen: door paarden getrokken koetsen op luchtbanden, voor 12-20 passagiers.

    Omhoog
    227

    Hoewel al in 1834 door de Groningers Becker en Stratingh proefritten worden gehouden met een rijtuig voortbewogen door stoomkracht zal het tot tegen de eeuwwisseling (1897) duren voor de automobiel zijn intrede doet.
    Vanaf 1869 zijn er fietsen te koop in Groningen. Het huidige model van de fiets is van 1885. Motorfietsen dateren van na 1901.

    Omhoog
    228

    De infrastructuur wordt in de loop van de eeuw verfijnd door:

    • de postverbindingen (sinds 1799 door het rijk overgenomen: de Bataafse posterijen worden operationeel in 1803). Het eerste 'echte' postkantoor wordt gevestigd aan de Poststraat (1871); eerdere postinrichtingen bevinden zich in particuliere woonhuizen, o.m. in de Popkenstraat, de Nieuwe Ebbingestraat en de Uurwerkersgang;
    • de rijkstelegraaf (1852-2001); met telegraafkantoor aan de Kattenhage (1854); eerder in en bij het Provinciehuis;
    • de telefoon; aansluiting aan het interlokale (rijks)telefoonnet in 1891, daarvoor (1883) al een plaatselijk net, geëxploiteerd door de Nederlandsche Bell Telephone Maatschappij. De eerste openbare telefoondienst dateert uit 1881. In 1916 neemt het rijk het plaatselijk net in beheer. Eerst in 1909 overtreft het aantal telefoongesprekken het aantal verzonden telegrammen.

    Omhoog
    229

    Het openbaar vervoer doet z'n intrede in 1879. Dan wordt in de stad door een particuliere maatschappij een paardentram ingezet op het traject Ebbingepoort (remise bij de Noorderbinnensingel) - Sterrebos. Vrij snel daarna volgen verbindingen met het Hoofdstation en de Noorderhalte.

    • Een paardentram rijdt vanaf 1892 ook via Haren naar het (toenmalige) station Vries-Zuidlaren en vanaf 1896 vanaf de Westerhaven naar Paterswolde-Eelde.

    Omhoog
    230

    Tot de openbare voorzieningen gaan in de 19e eeuw behoren:

    • de Noorder- en Zuiderbegraafplaats (1827). Eerstgenoemd kerkhof kent sinds 1838 een afgezonderd gedeelte dat dient als joodse begraafplaats. Het begraven in kerken en het begraven binnen de bebouwde kom is bij Koninklijk Besluit na 1 januari 1829 uit hygienische overwegingen niet meer toegestaan. (Een dergelijk besluit uit de Franse tijd - 1804- wordt in 1814 weer ingetrokken.)
    • een 'fabryk voor pijpgaz uit steenkolen' (de tweede in Nederland, 1854), o.m. ten behoeve van de straatverlichting: 650 open lichtpunten, vanaf 1898 ook in de vorm van gasgloeilichten; minder welgestelden gebruiken petroleum voor de verlichting van hun woningen;
    • elektrische verlichting wordt in 1883 al toegepast voor bijzondere doeleinden; pas in 1896 is er sprake van gebruik op wat grotere schaal;
    • een rioleringsstelsel, alleen in de hoofdstraten van de oude stad (1866). De riolen lozen - soms met behulp van pompen - op de diepen; het lozen van privaten op de riolen is niet toegestaan;
    • een r-k. begraafplaats (Hereweg, 1873);
    • de aanleg van een waterleidingnet (v.a. 1879); het net dient mede ter vervanging van de - al dan niet afgedekte - stadspompen en waterputten. Voor zover pompen en putten niet bereikbaar of toegankelijk zijn (het gebruik is niet gratis) wordt (door ongeveer de helft van de Groningers) het water van de diepen als drinkwater gebruikt.
    • een beroepsbrandweer (1884). De kazerne is v.a. 1870 aan het Martinikerkhof;
    • een openbaar slachthuis (1899, opgeheven 1986).

    Omhoog
    231

    De drekstoep aan de Griffe of Drekhaven wordt in 1885 verplaatst naar de Verl. Lodewijkstraat.

    • De drekstoep dient voor de verzameling en compostering van alle vormen van afval. Alleen zeer grof vuil wordt niet verwerkt, maar - tot 1930 - in het Friesche veen (Paterswolde, ten zuiden van de Meerweg) gestort. Menselijke faecaliën worden verzameld in open tonnen die - sinds 1822 - vrijwel dagelijks door 40 wagens met drekmenners aan de huizen worden opgehaald. Het tonnenstelsel zelf dateert al uit 1735.

    Omhoog
    232

    Aan het eind van de eeuw zijn buiten de omtrek van de oude wallen beperkte stadsuitbreidingen tot stand gekomen.

    • Bij de Korreweg (de Hunzestraten), het Noorderplantsoen (Bergstraten), Leeuwarderstraat en de Blekerstraten, de Badstraten en bij de Rabenhauptstraat. Het Zuiderpark is al genoemd. De enige grotere wijk is de huidige Oosterpoortwijk, de bebouwing in het westelijk deel van de polder De Meeuwen (of Meeuwerderpolder) en de straten in het veel hoger gelegen gebied tussen Hereweg en Oosterweg.
    De straataanleg en de woningbouw, voornamelijk door particuliere aannemers en opdrachtgevers, volgen oude perceelsgrenzen en watergangen. De gemeentelijke overheid beperkt zich - deels noodgedwongen: er zijn geen wettelijke mogelijkheden - tot het stellen van minimale eisen, die alleen betrekking hebben op de aanleg van straten (breedte, waterafvoer, e.d.) en het uitwendige van de te bouwen woningen. Uitbreidingsplannen voor grotere gebieden ontbreken nog.
    • De huizen zijn klein (vaak niet meer dan 12 m²) en kennen geen riolering en waterleiding. De eenkamerwoningen worden ook wel 'arken' genoemd (naar de ark van Noach).
      Eerst in 1873 maakt een gemeentelijke verordening het mogelijk woningen onbewoonbaar te verklaren. Daarvan wordt echter slechts zeer aarzelend gebruik gemaakt.
      Een openslaand raam in elk woonvertrek is verplicht sinds 1874, evenals een minimale hoogte van 2.80 m. Vanaf 1897 is een privaat per gezin noodzakelijk. Zo ook een aansluiting op de waterleiding.

    Omhoog
    233

    Vanaf 1867 (Sophiastraat), het begin van de woningbouw in de Oosterpoortwijk, doet zich opnieuw de noodzaak voor op grotere schaal officiële straatnamen vast te stellen.

    • De stad is sinds de Franse tijd verdeeld in secties, aangeduid door letters. Afzonderlijke huizen worden aangeduid door een letter en een huisnummer, waarbij twee zijden van een straat niet steeds tot eenzelfde sectie behoren. In 1822 wordt het stelsel opnieuw vastgelegd. Er zijn dan 25 secties.
      Vanaf 1 januari 1900 is het huidige systeem van huisnummering officieel van kracht. (In 1976 zijn postcodes ingevoerd, telkens voor een groep van ongeveer 20 percelen; destijds corresponderend met de gemiddelde hoeveelheid post die men in een hand kan vasthouden.)
    • De verschillende secties kennen (- 1928) door de raad benoemde wijkmeesters. In de 19e eeuw vervullen zij inspectietaken. Uiteindelijk beperkt hun taak zich tot de eventuele uitvoering van de Inkwartieringswet. (In WO II worden 'blokhoofden' benoemd in het kader van de luchtbescherming.)
    Een aantal straatnamen in de binnenstad is nooit met een raadsbesluit bekrachtigd. Zij staan bekend onder de namen die zij al eeuwen dragen. Maar bijvoorbeeld voor alle straten 'achter de muur' en voor die over het terrein van de vroegere wallen dienen rond 1874 nieuwe, onderscheidende, namen te worden ingevoerd.
    Gangen en stegen krijgen alleen dan een officiële naam als ze bij de gemeente in beheer en onderhoud zijn. Er zijn ruim 200 onbenaamde gangen.
    • Bruggen en wegen waaraan geen huizen staan krijgen pas vanaf 1961 systematisch namen, vooral om juridische misverstanden uit te sluiten.
    • Op verzoek van burgers, die de naam van hun straat niet in overeenstemming vinden met de gewenste status ervan, worden in de loop der jaren diverse namen gewijzigd. Zo bijvoorbeeld de Werkmansstraat, de oorspronkelijke naam voor de Nieuwe Blekerstraat; Zoutstraat in plaats van Spinhuisstraat, Burengang (Vismarkt 7) in plaats van Vuile Gang.
    • Nog rond 1950 zijn alle uitgangen op -plaats of -steeg gewijzigd in -plein en -straat (vgl. Sabangplaats, Lissabonsteeg). Een twintigtal jaren later wordt daarin echter niets denigrerends meer gezien (Jaspersgang, Fongersplaats). In 2004 wordt een 30-tal gangen opgeknapt en van informatieborden voorzien.

    Omhoog

    Bevolking

    234

    Het aantal inwoners van Groningen rond 1800 bedraagt ruim 26.000. In 1815: 27.824, in 1849: 33.700. Het zal tot 1870 slechts zeer geleidelijk toenemen: tot ca 38.500. In 1884 wordt de grens van 50.000 inwoners gepasseerd. In 1899 bedraagt het inwonertal 66.537.
    In de laatste dertig jaar van de 19e eeuw is sprake van een forse instroom van migranten uit het omliggende platteland als gevolg van een crisisperiode in de landbouw die gepaard gaat met een ingrijpende mechanisatie. Nog in 1870 komt ruim 5 % van de nieuwe inwoners uit het aangrenzende deel van Duitsland. Na de eenwording van dat land in 1871 slinkt dat percentage.

    • In 1899 overlijdt de oudste Groninger die tot dusverre heeft geleefd, G.A. Boomgaard, oud-strijder uit de slag bij Waterloo (1815), op de leeftijd van 110 jaar. (Voor de oudste vrouw zie par. 301.)

    Omhoog
    235

    Ook in de 19e eeuw is er nog sprake van epidemieën. In 1800 een pokkenepidemie met 500 doden; in 1817 een tyfus-epidemie, in 1832, 1849 en 1866 cholera-epidemieën met ruim 1.700 doden (de sterfte aan de 'Aziatischen braakloop' bedraagt plm. 50 %). In 1826 eist de 'Groninger ziekte' (een inheemse vorm van malaria; ook wel: intermitterende of tussenpozende koortsen) 2.874 slachtoffers: 10 % van de bevolking. Een pokkenepidemie in 1870 kost nog 277 en een mazelenepidemie 174 slachtoffers. Tuberculose (de 'witte dood' of de tering) kost jaarlijks 85 - 90 Groningers het leven. Ook difterie is een levensbedreigende ziekte.
    De bevolking bereikt - vooral als gevolg van de grote kindersterfte - in deze eeuw gemiddeld slechts een leeftijd van 37 jaren.

    • Aan het eind van de eeuw worden de de tuberkel- en de cholerabacterie ontdekt. Inenting tegen pokken met koepokstof is in Groningen vanaf 1800 mogelijk. Een inentingsverplichting geldt vanaf 1872. Het eerste antibioticum - penicilline - wordt eerst in 1928 uitgevonden. (Zie par. 230 voor de totstandkoming van riolering en waterleiding.)
    • De malaria-epidemie (malaria: slechte lucht) houdt rechtstreeks verband met de watersnoodramp van 1825 (20 doden), waardoor de landerijen ten westen van de stad worden overstroomd en broedplaatsen vormen voor de malariaparasiet. In de - hete - zomer van 1826 worden bovendien de drooggevallen diepen gevuld met brak water.

    Omhoog

    Religie, sociale zorg en gezondheidszorg

    236

    De scheiding van kerk en staat, die na de Bataafse revolutie wordt afgekondigd, houdt voor Groningen onder meer in dat het recht van goedkeuring door de overheid bij benoemingen in de hervormde (gereformeerde) gemeente wordt afgeschaft.
    In 1814 wordt het echter weer ingevoerd. Volledige afschaffing van het collatierecht (voor de overheid) vindt pas plaats bij de grondwetswijziging van 1848.

    • Het collatierecht van de stad op de benoeming van predikanten in de Veenkoloniën blijft op grond van de eigendomsverhoudingen nog gehandhaafd. Groningen maakt er echter halverwege de eeuw geen gebruik meer van. Formeel vervalt het eerst bij de Grondwetsherziening van 1922.
    Een burgerlijk huwelijk wordt voor inwoners van alle gezindten verplicht gesteld. Klokgelui en processies worden verboden. Ook de hervormde kerk (de 'voormaals heerschende kerk') wordt nu zelf verantwoordelijk voor kerkgebouwen en predikantstractementen. Alleen voor bestaande predikantsplaatsen betaalt de overheid nog een bijdrage.
    • In 1798 gaan de kerktorens die ook een publieke functie vervullen als uitzichttoren in eigendom over naar de burgerlijke gemeenten. In Groningen zijn dat de Martini- en de A- toren. De brandwacht op de Martinitoren heeft tot 1921 gefunctioneerd.

    Omhoog
    237

    Gedurende de gehele 19e eeuw wordt de Nederlandse Hervormde Kerk (plaatselijk de nederduits hervormde gemeente) nog gezien als de 'grote' kerk, die bovendien een belangrijke ondersteunende rol heeft ingeval van ziekte, armoede en ouderdom.
    In het begin van de eeuw staat (mede om die reden) zo'n 76% van de Groningers als nederduits hervormd ingeschreven, aan het eind van de eeuw plm. 60% (daaronder lidmaten, zowel als doop- en geboorteleden). Onkerkelijk noemt zich dan 8% van de bevolking. Halverwege de eeuw is van 'ongodisme' nog nauwelijks sprake.

    • De 'Hervormde Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden' heeft een bestuursvorm die van boven af is opgelegd. Tot 1842 vereisen reglementswijzigingen nog goedkeuring van de overheid (die de kerk ook ziet als een instrument voor volksopvoeding en samenlevingsopbouw). Het in 1816 ingevoerde strikt hiërarchische bestuursmodel - waarbij de koning voor de eerste maal zelf de leden van de synode benoemt - blijft in essentie nog tot 1951 gehandhaafd. Eerst dan wijzigt de officiële naam in 'Nederlandse Hervormde Kerk'. Ook de andere kerkgenootschappen en het Israëlitisch Genootschap worden door de overheid gereglementeerd.
    • In de Hervormde Kerk heerst in deze eeuw 'allerlei wind van leer' (Ef. 4:14). Er woedt een richtingenstrijd tussen confessionele, ethische, evangelische en vrijzinnige of moderne modaliteiten. Aan de Academie is rond 1835 de theologische faculteit het bolwerk van de evangelische of Groninger richting, gebaseerd op een niet-dogmatisch Christendom ('Niet de leer, maar de Heer' en 'tracht naar Jezus' beeld u op te heffen').
    De nederduits hervormde gemeente beschikt over de drie hoofdkerken: de Martini-, de Der Aa- en de Nieuwe Kerk en over de kerken in het Peper- en Pelstergasthuis.
    De franstalige hervormden, de Eglise Wallone, bouwen in 1858 (-1935) een kerk aan de Vismarkt (hoek Pelsterstraat).

    Omhoog
    238

    Een klein deel van de hervormden voelt zich al in 1834 aangetrokken tot de christelijke afgescheiden gemeente, gesticht op instigatie van ds. De Cock van Ulrum. In 1839 wordt de gemeente wettelijk erkend. Aangekocht wordt dan de voormalige r-k. schuilkerk in de Guldenstraat.
    In 1852 wordt een nieuwe kerk gebouwd in de de Nw. Ebbingestraat (7). De afgescheiden gemeente is vanaf 1869 onderdeel van de landelijke christelijke gereformeerde kerk. Vooral 'kleine luyden' zijn lid.

    • Hendrik de Cock (1801 - 1842), predikant te Ulrum sinds 1829, verzet zich tegen leer en leven binnen de Hervormde Kerk. Hij staat daarmee in de rechtzinnige traditie van de Nadere Reformatie (zie par. 163). In 1834 komt het tot een afscheiding, die landelijk navolging krijgt.
    • De overheid geeft pas in 1868 toestemming weer de historische aanduiding 'gereformeerd' te gebruiken. De christelijke gereformeerden tellen in 1880 zo'n 1.300 leden (2.7 % van de bevolking van Groningen).
    • Naar de Verenigde Staten geëmigreerde inwoners van de provincie (vooral landarbeiders, al dan niet afgescheidenen) stichten in de staat Michigan in 1847 o.m. het dorpje Groningen (en in 1856 Nieuw-Groningen). Beide dorpjes zijn inmiddels opgegaan in het stadje Zeeland (op 15 km. van Holland). De naam Groningen komt nog voor als de naam van een basisschool en van een begraafplaats. In de staat Minnesota bestaat een gehucht onder de naam Groningen.
    • Het dorp Groningen, nu de hoofdplaats van het Sarawaccadistrict in Suriname, is in dezelfde periode (1845 - 1853) het middelpunt van een - mislukt - kolonisatieproject van orthodox protestantse boeren uit Oost-Nederland (de zgn. 'boeroes'). Het dorp ontleent evenwel zijn naam aan een fort, in 1790 gebouwd door gouverneur Wichers, die geboren is in Groningen.
    In 1887 treden meer dan 700 Groningse hervormden toe tot een nieuwe groepering: de 'dolerende' nederduits gereformeerde kerken op calvinistische grondslag. Nieuwe gereformeerde kerkgebouwen worden gebouwd aan de Stationsstraat (1888) en aan de Parklaan (1889).
    De christelijke gereformeerden (de afgescheidenen of gereformeerden A) en de dolerenden (gereformeerden B) fuseren in 1892 tot de Gereformeerde kerken in Nederland. Tot 1925 is er in Groningen echter nog sprake van gereformeerden A en B.
    • De christelijke gereformeerden die in 1892 niet met genoemde fusie meegaan blijven zich Christelijke Gereformeerde Kerk noemen. Een kerkgebouw staat aan de Coehoornsingel (vanaf 1927 aan de W.A. Scholtenstraat).
    Alle gereformeerde stromingen tezamen tellen aan het eind van de eeuw plm. 10% van de Groningers tot hun lidmaten.

    Omhoog
    239

    De Groningse rooms-katholieken krijgen in 1821 de Broerkerk (tot dan Academiekerk) ter beschikking. De kerk, nu toegewijd aan St. Martinus, wordt in 1836 en nog eens in 1895 volledig vernieuwd. Vanaf 1857 zijn in de stad (Damsterdiep 5) weer Paters Jezuïeten gevestigd. De O.L.Vrouwe Onbevlekt Ontvangen- of Paterskerk aan de Gelkingestraat komt gereed in 1888. In 1887 wordt de St. Josephkerk aan de Radesingel gebouwd.

    • De Broerkerk komt in de plaats van de schuilkerken (staties) uit de 17e en 18e eeuw, t.w. de kerk van St. Augustinus (Oude Ebbingestraat/Butjesstraat), van St. Dominicus (Carolieweg), van St. Petrus en Paulus (Oosterstraat/Papengang), van St. Maria (Guldenstraat) en van St. Joseph (achter de Hoge der A). De staties in de Herestraat (Augustijnen) en in de Butjesstraat/Pausgang (Jezuïeten) zijn al in 1790 en 1794 vervallen.
    Zijn er aan het begin van de eeuw plm. 17% rooms katholieken, rond 1850 nog 16 %; rond 1900 is hun aandeel ongeveer 12% van de bevolking.
    • Bij het herstel van het bisschoppelijk bestuur in 1853 wordt het bisdom Groningen niet opnieuw ingesteld. De rooms-katholieken in Groningen ressorteren onder het aartsbisdom Utrecht. Aan het eind van de eeuw zijn er twee parochies.

    Omhoog
    240

    De verschillende doopsgezinde groeperingen sluiten zich aaneen in 1809 (oude en jonge vlamingen) en in 1824 (Zwitsers). In dat jaar ontstaat de Verenigde doopsgezinde gemeente (met in totaal 262 volwassen leden).

    • In 1815 wordt een nieuwe kerk gebouwd aan de O. Boteringestraat; in 1852 wordt de kerk sterk vergroot.
    In het jaar 1867 vindt een scheuring plaats. De scheidslijn ligt opnieuw tussen orthodoxie en vrijzinnigheid.
    Doopsgezinden maken gedurende de gehele eeuw zo'n 2 - 2.5% van de bevolking uit. Onder hen een aantal vooraanstaande hout- en graanhandelaren.
    • In de in de volgende eeuw door Groningen te annexeren gemeente Hoogkerk bedraagt het percentage doopsgezinden (voormalige 'Zwitsers') 15%.

    De remonstrants-gereformeerde gemeente (1878) bouwt in 1883 een kerk aan de Coehoornsingel. De gemeente bestaat vrijwel geheel uit oorspronkelijk hervormde vrijzinnigen. Het percentage remonstranten in Groningen aan het begin van de eeuw is te verwaarlozen (er zijn er slechts drie); aan het einde ervan bedraagt het ong. 2%. Het percentage lutheranen daalt in de 19e eeuw van 3.5% naar 2%.
    • Remonstranten: naar de 'Remonstrantie' (verzoekschrift) uit 1610, die - tijdens de Dordtse synode (1618/19) - uiteindelijk leidt tot een splitsing binnen de gereformeerde gezindte tussen arminianen (remonstranten) en gomaristen (contraremonstranten). Zie ook par. 172.

    Omhoog
    241

    De Joden in Groningen (in 1795 ongeveer 400, in 1809 516, in 1899 plm. 3.000: resp. 2 en 4.5% van de bevolking) zijn - voor zover religieus - van 184-1881 verdeeld over twee gescheiden joodse gemeenten. De tweede - orthodoxe - synagoge 'Teschuath Jisraël' (Redding van de eer van Israël) staat aan het Ged. Zuiderdiep (49).

    • De meeste Joden in de stad wonen in de straten en gangen rond de synagogen. Er ontstaat een Jodenbuurt, overigens zonder dat het stadsbestuur daarin enige rol speelt.

    Omhoog
    242

    Aan het eind van de eeuw zijn er ook nog enkele kleinere, sterk evangeliserende kerkgenootschappen zoals de baptistengemeente (1880) en het Leger des Heils (1888). Daarnaast nog mormonen (1883), apostolischen (1896) en darbisten (vergadering van gelovigen).

    • De oudste baptistenkerk in Groningen (de 'schipperskerk', naar de herkomst en/of het beroep van een deel van de leden en bezoekers: de baptistengemeenten in Nederland vinden hun oorsprong vooral in de Veenkoloniën) is gelegen aan de Warmoesstraat (1882). (In 1925 vindt nieuwbouw plaats aan de Meeuwerderweg).
      Het Leger des Heils vestigt zich aan de Barestraat; de apostolische zendingsgemeente aan de Zuiderkuipen.

    Omhoog
    243

    De armenzorg (daaronder begrepen de zorg voor wezen, ouderen, dak- en thuislozen) wordt in de 19e eeuw voor het eerst bij wet geregeld in 1824 en 1854.
    Fundamenteel is dat de primaire verantwoordelijkheid voor de armenzorg ligt bij het 'kerkelijk en particulier initiatief'. De overheid heeft slechts een aanvullende taak, die in Groningen sinds 1827 is opgedragen aan het Burgerlijk Armbestuur, c.q. de Algemene Onderstand.
    Financiële bijstand ontvangen (tot 1870) slechts die inwoners die ook in Groningen zijn geboren. In de eerste helft van de eeuw wordt gemiddeld 10 % van de bevolking bedeeld; in 1846 zelfs 23 % en in 1856 nog 18 %.
    In de loop van de eeuw verbreedt de problematiek zich landelijk, mede onder invloed van de gevolgen van de industrialisatie, tot wat genoemd wordt 'de sociale quaestie'. Het gaat dan ook om arbeidsomstandigheden, kinderbescherming, opvang van ongehuwde moeders, verslaafden (aan alcohol), de bejegening van gevangenen en om verbetering van woningtoestanden.
    Veelal op initiatief van predikanten en geïnspireerd door buitenlandse voorbeelden, vinden in Nederland tal van maatschappelijke innovaties plaats.
    Evenals in de 18e eeuw worden zorgarrangementen door de gevestigde burgerij ook gezien als middel om rebellie en ordeverstoringen te voorkomen. In de gezondheidszorg telt bovendien de kans op het doorgeven van besmettelijke ziekten.

    • In de 19e eeuw behoort 4-7% van de bevolking tot de hogere en 25-33% tot de middengroepen. In totaal 20-30 % is onvermogend. De bedeelden behoren tot laatstbedoelde groep.

    Omhoog
    244

    In Groningen leidt een en ander achtereenvolgens o.a. tot de oprichting/stichting van:

    • een Commissie voor spijsuitdeling, 1802 (vgl. de naam Soephuisstraatje), die tot 1919 als zodanig actief zal zijn en nu nog voortbestaat als fonds;
    • een gasthuis van de hervormde diakenen (Oostersingel/Steentilpoortenwal, 1805; in 1883 vervangen door het Diaconiegast- of armenhuis Avondrust (Korreweg bij de latere Ambonstraat). Het gasthuis aan de Steentilpoortenwal staat in de volksmond ook wel bekend als 'Hof van Brussel' in de betekenis van: 'huis van tweedracht'.
    • het genootschap voor moederlijke weldadigheid (kraamvrouwenzorg, 1825- plm. 1915);
    • het Toevluchtsoord voor zedelijk verwaarloosde meisjes (1824, v.a. 1860 in de St. Jansstraat, v.a. 1912 aan het Martinikerkhof);
    • de St. Vincentiusvereniging, voor de bedeling van r.-k. armen (1845);
    • een doopsgezind weeshuis (1847-1909);
    • het r.-k. Liefdegesticht van de zusters van O.L.Vrouwe van Barmhartigheid van Tilburg (1847-1963, Pausgang);
    • het r.-k. Cornelia-gasthuis (1854-1984, Hardewikerstraat)
    • het luthers Juffer Margaretha-gasthuis (Haddingestraat, 1858, eerder aan de Pottenbakkersrijge);
    • het gereformeerd gasthuis 'Bethesda', gesticht voor weduwen en wezen (Snor/Boterdiep 1862-1921);
    • een christelijke geheelonthoudersvereniging (Kostersgang, 1863, in 1920 overgedragen aan de vereniging 'De Droge Kroeg');
    • het r.-k. Klein en Groot Cremersgasthuis (Gr. Leliestraat, 1864-1981)
    • het 'Doorgangshuis' (nu 'Helperhaven'), een instelling voor jeugdhulpverlening (Tuinstraat, 1865);
    • het hervormde Gerarda Gockinga-gasthuis (Grote Rozenstraat, 1870-1971);
    • de oprichting in 1870 van een Woon- En Eethuis Voor Allen, met volksgaarkeuken (dat tot 2002 nog voortbestaat als hotel WEEVA en eerst dan van naam verandert);
    • het doopsgezind gasthuis (Nieuwe Boteringestraat, 1872);
    • het Juffrouw Pietronella's gasthuis (Grote Leliestraat, 1872);
    • het Kleine Middengasthuis (Kleine Rozenstraat, 1873-1977)
    • het Vrouwe Ludewé Vinks-gasthuis (Grote Leliestraat, 1877);
    • het r.-k. St. Martinus-gasthuis (Grote Leliestraat, 1880-1981);
    • het r.-k. Moeder Corneliegasthuis ('t Klooster, 1889-1941);
    • een remonstrants gasthuis (Noorderbinnensingel, 1890-1993);
    • een tehuis voor daklozen (1891, Oosterhavenstraat);
    • de oprichting van een vereniging voor Toynbeewerk (voorloper van de buurt- en clubhuizen, 1893-1943);
    • het Middengasthuis (Grote Leliestraat, 1895-1985);
    • enkele gasthuizen 'voor den werkenden stand' (v.a. 1883: oude Herepoortenmolendrift, Violetsteeg en Langestraat), gesticht door het Algemeen Diakengezelschap;
    • het israëlitisch gasthuis Beth Zekenim (Schoolholm, 1899-1943)
    Het Algemeen Diakengezelschap van de Hervormde gemeente (opgericht 1838) speelt een belangrijke rol in de armen- en ouderenzorg. Het is daarnaast een 'opstap' voor openbare functies.

    Omhoog
    245

    In de (maatschappelijke) gezondheidszorg vindt in de loop van de eeuw een toenemende medicalisering plaats. Er ontstaat een volledige gezondheidsinfrastructuur met academisch opgeleide artsen, artsen-specialisten en (van oudsher - 1511 - al aanwezige) apothekers.
    Daarnaast is te vermelden: de invoering van wijkverpleging (1896) en de oprichting van o.a. het Algemeen Groninger Ziekenfonds en het Ziekenfonds 'Ziekenhulp' (1892 en 1893).

    • De universitair opgeleide medici vervangen in de loop van de eeuw de nog praktiserende chirurgijns of heelmeesters (de laatste zonder de bevoegdheid tot inwendige heelkunde), aderlaters en tandmeesters 'voor het 'kies- en tandwerk' (beide laatste beroepen tot 1865). In dat jaar worden ook de bevoegdheden van drogisten ingeperkt. Vroedvrouwen zijn gedurende de hele eeuw aanwezig.
    Gedurende de 19e eeuw worden in Groningen een viertal ziekenhuizen voor burgers in gebruik genomen. Zij dienen ter vervanging van de ziekenverzorging in de gasthuizen.
    • Het instituut 'verpleegster', nu verpleegkundige, dateert in Groningen van plm. 1889; daarvoor is sprake van ziekenoppassers en pleegzusters.

    Omhoog
    246

    Een 'Academisch Gasthuis' (sinds 1797 in enkele zaaltjes van het Groene weeshuis) wordt in 1801 gevestigd in het pand van de voormalige West-Indische Compagnie aan de Munnekeholm. In het gasthuis worden dan nog alleen patiënten opgenomen die voor het onderwijs aan de medische faculteit interessant zijn.
    In 1852 wordt het gebouw vergroot en vindt een fusie plaats met het Stads(armen)-ziekenhuis, dat sinds 1826 is ondergebracht in de oude gevangenis aan de Popkenstraat en daarvoor - sinds 1820 - aan de Schuitemakersstraat. Het vergrote ziekenhuis telt 125 bedden (ook meerpersoonskribben). Het heet sinds 1851 officieel het Algemeen Provinciaal-, Stads- en Academisch Ziekenhuis.

    • Aan de Zuiderkuipen is een afzonderlijke barak voor besmettelijke ziekten (de Mottenberg); in de Noorderwalhof (Walstraat) een barak voor cholerapatiënten. Woonhuizen waar lijders aan besmettelijke ziekten (bv. roodvonk) worden verpleegd krijgen een merkteken op de buitendeur.
    Aan de Pausgang is vanaf 1847 de r.-k. ziekenverpleging werkzaam, met de Zusters van O. L. Vrouwe Moeder van Barmhartigheid van Tilburg. Het ziekenhuis wordt in 1897 verplaatst naar de St. Jansstraat/Schoolstraat.
    Het protestantse Diaconessenhuis (als 'asyl voor zieken en zwakken' gesticht in de Haddingestraat in 1887) wordt in 1893 gevestigd aan de Praediniussingel.
    • Bijzondere ziekenhuizen zijn het W.A.Scholten Kinderziekenhuis (1891, St. Jansstraat/Singelstraat), het in 1885 geopende gesticht voor ooglijders (in 1932 opgenomen in het Academisch Ziekenhuis) en het sinds 1808 in het Prinsenhof gevestigde militair hospitaal. (Voordien is in het, gedurende de periode 1795-1814 Nationaal hof geheten, gebouw een Frans militair hospitaal gevestigd).
      Het 'dolhuis' in het Sint Anthony-gasthuis wordt in 1844 opgeheven. Psychiatrische patienten worden sindsdien buiten de stad verpleegd (in Zutphen en Delft).

    Omhoog

    Onderwijs

    247

    In het begin van de eeuw wordt het lager onderwijs op nationaal niveau geregeld (1806, de Schoolwet van Van der Palm).
    Het onderwijs leidt op tot christelijke en maatschappelijke deugden, w.o. vorming 'tot dien stand voor welken gij in de maatschappij bestemd zijt'. (Uit een beschrijving van de stad Groningen voor de jeugd, 1821).
    Hoofdvakken zijn lezen, schrijven, rekenen en Nederlandse taal. In de Onderwijswet van Van der Brugghen (1857) is de volgorde omgedraaid: het gaat dan om maatschappelijke en christelijke deugden.

    • Maatschappelijke deugden zijn onder andere: burgerzin, vaderlandsliefde, later ook: 'verknochtheid aan het Oranjehuis'. Een christelijke deugd is de opvoeding 'tot volmaaktheid in de burgerlijke zeden'. Zuiver kerkelijke leerstellingen mogen in de scholen niet worden onderwezen.
    • Er is gedurende de gehele 19e eeuw geen wettelijke leerplicht; in de stad is echter wel al in 1817 een achtjarige schoolplicht van kracht voor kinderen van 5 - 13 jaar.
      Het aantal analfabeten in Groningen ligt in het begin van de eeuw bij mannen die in het huwelijk treden (en derhalve een handtekening moeten zetten) nog op plm. 13.5 % (Nederland 25 %); bij vrouwen op plm. 27 % (40 %)
    In het lager onderwijs - waarvoor schoolgeld moet worden betaald - wordt onderscheid gemaakt tussen openbare en bijzondere scholen (rond 1850 een 34-tal scholen), scholen voor kinderen van ouders die niet armlastig zijn, maar toch het schoolgeld niet kunnen betalen (2), en scholen voor kinderen van ouders die van de bedeling leven (de beide zgn. 'armenscholen').
    De openbare scholen worden opgericht door de gemeente (vooral na 1857). De bijzondere scholen door bij voorbeeld de weeshuizen of door geadmitteerde particulieren.
    • Ook de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen bestuurt diverse scholen: tussenscholen, herhalingsscholen, volkszangscholen, werkscholen voor naaien en nuttige handwerken. Tenslotte zijn er nog reken- en schrijfscholen.
      Een eerste orthodox-christelijke school wordt opgericht in 1852 (Guyotplein), de eerste katholieke school wordt gehuisvest aan de Kl. Kromme Elleboog (1869). Sinds 1873 (-1973) zijn zusters van de Orde van O.L.Vrouwe van Amersfoort werkzaam in het katholiek lager onderwijs.
      De Martinischool wordt in 1849 gesloten.
    Vanaf 1889 is er een zekere rechtsgelijkheid voor het openbaar en bijzonder onderwijs en zijn er beperkte subsidiemogelijkheden voor het niet-openbaar onderwijs (30 % rijkssubsidie).
    De kleinkinder- en nonnenscholen worden vanaf 1838 in Groningen vervangen door 'bewaarscholen': rond 1850 een 13-tal (de eerste aan de Nw. Kijk in 't Jatstraat). Er zijn ook bewaarscholen voor arme kinderen. Bewaarscholen dienen louter tot het bijbrengen van orde, gehoorzaamheid en werkzaamheid.

    Omhoog
    248

    Het middelbaar onderwijs wordt tot plm. 1870 in hoofdzaak gerepresenteerd door de Franse school, gericht op handel en nijverheid (rond 1850 een zestal). Er is in Groningen ook een Franse school 'voor jonge jufvrouwen' (sinds 1860 in de Hofstraat).
    Na 1857 verschijnt het meer uitgebreid lager onderwijs (MULO). Deze onderwijsvorm geeft ook taalonderricht.

    • De Latijnse school (vanaf 1847 het Stedelijk Gymnasium geheten en sinds 1883 gevestigd aan de Turfsingel) wordt gerekend tot het hoger onderwijs.
      Op de oorspronkelijke Latijnse school worden geen vakken als wiskunde, moderne talen, geschiedenis en aardrijkskunde gegeven. Vanaf 1838 wordt daarom aan Latijnse scholen in de meeste gevallen een afdeling Franse school verbonden.
    De Wet op het Middelbaar Onderwijs van Thorbecke (1863) bepaalt dat alle niet-lagere scholen (behalve vooralsnog de gymnasia) behoren tot het middelbaar onderwijs.
    In Groningen ontstaan dan de Rijks HBS (1864, 1869 in het gebouw Grote Kruisstraat), een Gemeentelijke HBS (1886, Violenstraat) en de Middelbare Meisjesschool (MMS) (1872, Hofstraat). Hogere burgerscholen zijn er met 3- of met 5-jarige cursus.

    Omhoog
    249

    Groningen kent nog diverse andere scholen:

    • de rijkskweekschool voor onderwijzers (1861, voortzetting van de Nuts-kweekschool, Pelsterstraat);
    • de Nuts-kweekschool voor onderwijzeressen (1876, Martinikerkhof/St. Jansstraat, later Turfsingel, in 1882 door de gemeente overgenomen);
    • de praktische ambachtsschool (1870, op de Steenmarkt - de kop van het Boterdiep -, later aan de Noorderbinnensingel); in 1851 was er al sprake van een industrieschool.
    • landbouwonderwijs: landbouwhuishoudonderwijs (te Haren, 1843 - 1871), de rijkslandbouwschool (1876), de landbouwwinterschool (1893);
    • de industrieschool (1904, Kruitlaan), de kook- en huishoudschool (1897, Kraneweg). In 1838 is er al de Nuts-spin-en weefschool;
    • een Nuts-school voor volwassenenonderwijs (1877).

    Omhoog
    250

    Universitair onderwijs wordt gegeven op de (dan) Rijkshogeschool (1815; vanaf 1811 is de Academie een afdeling van de Keizerlijke universiteit van Parijs). De viering van het 200-jarig bestaan vindt 'ín grote luister' plaats in 1814, in aanwezigheid van het nieuwe vorstenpaar.
    In 1850 wordt een nieuw Academiegebouw in gebruik genomen.

    • De Wet op het Hoger Onderwijs van 1876 regelt onder meer de afschaffing van het Latijn als voertaal op de hogeschool die dan officieel Rijksuniversiteit Groningen gaat heten. Aan wetenschappelijk onderzoek wordt nu evenveel waarde toegekend als aan het geven van onderwijs.
    De RUG kent in de 19e eeuw de faculteiten godgeleerdheid, rechtsgeleerdheid, geneeskunde, wis- en natuurkunde en 'fraaije' letteren en 'bespiegelende' wijsbegeerte. Ook wordt (tot 1871) les gegeven in landbouwhuishoudkunde.
    Er zijn in het begin van de eeuw ong. 200 studenten ingeschreven, in 1822 277, echter in 1870 nog maar 142 (waaronder de eerste vrouwelijke studenten). Dit geringe aantal is er mede de oorzaak van dat de universiteit in de periode 1848 - 1876 in zijn voortbestaan wordt bedreigd.
    Aan het eind van de eeuw zijn er 500 studenten. Er worden ook grote bouwactiviteiten ontplooid (o.m. 1892 Natuurkundig laboratorium, Westersingel; 1899 Botanisch laboratorium, Grote Rozenstraat).
    De studenten zijn sinds 1815 georganiseerd in het studentencorps Vindicat atque Polit. De r-k. studentenvereniging Albertus Magnus wordt in 1896 opgericht; de gereformeerde vereniging Veri et Recti Amici (VERA) in 1899.

    Omhoog

    Cultuur, media en sport

    251

    De professionele en de amateuristische kunstbeoefening in Groningen krijgen in de 19e eeuw een belangrijke impuls door de totstandkoming van nieuwe accommodaties en - ten dele daarmee verband houdend - het ontstaan van enkele nieuwe gezelschappen.
    De in 1840 opgerichte sociëteit 'De Harmonie' (Grote Kruisstraat) betrekt in 1856 een nieuw gebouw aan de Oude Kijk in 't Jatstraat. De grote zaal biedt plm. 1.000-1.200 bezoekers een plaats.

    • Aan de sociëteit wordt in 1862 een eigen (symfonie)orkest verbonden. Zowel het gebouw als het orkest zullen een toonaangevende rol in het culturele leven gaan spelen. Overigens zijn er nog andere sociëteiten, als bv. 'Amicitia'.
    De schouwburg, tot dan in de Nieuwe Kijk in 't Jatstraat, verhuist in 1883 naar het huidige gebouw aan de Turfsingel. Voortgekomen uit het in 1874 opgerichte Provinciaal kabinet van Oudheden, opent in 1894 het Groninger Museum aan de Praediniussingel.

    Omhoog
    252

    In de sector cultuur is verder nog te memoreren de oprichting van de kunstacademie 'Minerva' (1831, eerder Akademie van Teeken-, Bouw- en Zeevaartkunde, 1797); het kunstlievend genootschap 'Pictura' (1831), de oprichting van een mannenzangvereniging: de Liedertafel 'Gruno' (1853), de oprichting van een school voor muziekonderwijs (1858), die van het toonkunstkoor 'Bekker' (1876) en die van het Studentenmuziekgezelschap 'Bragi'.

    • J. H. Bekker is van 1867-1897 dirigent van het Groninger Orkest.
    De school voor handenarbeid, de 'Snieschoule', in de Walstraat, is opgericht in 1892.
    Gedurende de gehele eeuw bestaan naast elkaar de in 1796 door het Nut gestichte Volksbibliotheek en een aantal winkelbibliotheken en leescirkels, verzorgd door boekhandelaren. In 1868 wordt een Leesmuseum gesticht, in feite een bibliotheek met een leeszaal en de mogelijkheid ook eerder verschenen boeken te lezen en te lenen. In de leeszaal mag niet hardop worden gesproken, op straffe van een boete.

    Omhoog
    253

    Een geheel nieuwe kunstvorm doet zijn entree in 1867: de vestiging van de eerste professionele fotograaf in Groningen. Reizende fotografen waren er al vanaf 1856. De oudste foto's van de stad dateren uit 1864. In 1896 wordt de stad aangedaan door een reizende bioscoop.
    Groningse kunstenaars van wie de namen nog voortleven, zijn de schilders (van de Haagse School) H.W. Mesdag (1831-1915) en Siny Mesdag-van Houten (1834-1909), alsmede Jozef Israëls (1824-1911). Plaatselijke bekendheid geniet de schilder Otto Eerelman (1830-1926), onder meer door zijn weergave van de viering van de 28e augustus op de Grote Markt.

    Omhoog
    254

    De Groninger Courant en de Ommelander Courant gaan in 1811, op last van de prefect, op in een nieuwe courant: Staatkundig dagblad, repectievelijk Courant voor het Departement van de Westereems (Gazette de Groningue: de krant is tweetalig).
    In 1814 is de titel Staatkundig dagblad voor de provincie Groningen. Nog in het zelfde jaar verschijnen in de stad weer twee couranten: de Groninger Courant en de grotere Provinciale Groninger Courant, die de voortzetting is van de Ommelander Courant.
    In 1850 is hun gezamenlijke oplage plm. 3.000. De couranten verschijnen twee of drie maal per week. Ze worden gedurende het grootste deel van de eeuw slechts gelezen door de bovenlaag van de bevolking. Mede debet daaraan is het dagbladzegel dat eerst in 1869 wordt afgeschaft.
    De Groninger Courant wisselt in 1878 van eigenaar en heet dan Nieuwe Groninger Courant.
    Aan het eind van de eeuw verschijnen twee concurrerende bladen op de markt: de protestants-christelijke Nieuwe Provinciale Groninger Courant (1886) en het neutrale Nieuwsblad van het Noorden (1888), 'een fatsoenlijke, in eenvoudige taal gestelde courant voor het volk', aldus de uitgever in het eerste nummer. Het 'Nieuwsblad' heeft in 1894 al 10.000 betaalde abonnementen.

    Omhoog
    255

    Tot in de tweede helft van de eeuw kent de stad op sportgebied alleen de mogelijkheid van paardrij- of schermles. Specifieke verenigingen en inrichtingen voor sportbeoefening (met een zekere nadruk op de bevordering van gezondheid en hygiëne) zijn in de loop van de eeuw de drie gymnastiekscholen (de eerste in 1855; gymnastiekonderwijs wordt al in 1844 gegeven), de ijsbaan (1862) en de openlucht-zweminrichting aan de Kleine Badstraat (1881), met bassins voor betalende bezoekers en voor minvermogenden (het 'loezebad'). Dan is er nog de militaire badplaats in het Helperdiepje, die ook voor burgers is opengesteld.
    De roeiverenigingen 'Aegir' en 'De Hunze' worden opgericht in 1878, respectievelijk 1886; de voetbal (cricket) verenigingen 'Be Quick' en 'Velocitas' in 1887 en 1897; de studentensportvereniging 'Donar' in 1892, de sportvereniging 'Olympia' in 1891. De 'Groninger Zwem Club' tenslotte in 1883.
    Uit 1887 dateert de Groninger Harddraverijvereniging met een renbaan op het Noordersportterrein aan de Korreweg/Singelweg.

    • De eerste 'publieke wedloop met paarden' vindt plaats in 1754, eveneens buiten de Ebbingepoort.
    Tot in het begin van de eeuw functioneren nog diverse kolfbanen, die overigens een hoog sociëteitskarakter hebben (bv. de Mennistenkolfbaan bij de huidige Kolfstraat). Rond de eeuwwisseling worden de eerste tennisbanen aangelegd.
    De schaakvereniging 'Staunton' wordt opgericht in 1871, de Groninger Biljart Club in 1897.

    Omhoog

    Justitie en politie

    256

    Het in 1795 ingevoerde centrale bestuur voor de tot dan afzonderlijk functionerende gewesten heeft ook gevolgen voor de rechtspraak en de justitiële organisatie. In 1809 wordt een rechtsstelsel ingericht, gebaseerd op de Code Napoleon. Onder meer wordt een 'procureur des Konings' ingesteld. Eerst dan vervalt de zeggenschap van het stadsbestuur over de rechtspraak in de stad.
    In de loop van de eeuw worden Nederlandse wetboeken ingevoerd: in 1838 het Burgerlijk wetboek en het Wetboek van strafvordering en, pas in 1886, het Wetboek van strafrecht.

    • Het ooit in Groningen gesproken Oud-Groninger recht is in de 19e eeuw van geen belang meer. In 1828 wordt de inhoud van het stadboek nog eens vastgelegd.

    Omhoog
    257

    Het Provinciaal gerechtshof van Groningen (de Hoge Justitiekamer) wordt in 1808 vervangen door een departementaal gerechtshof en in 1810 door het Hof van Assisen (vanaf 1838 Gerechtshof geheten), respectievelijk door een Rechtbank van eerste aanleg (Arrondissementsrechtbank) in elk van de provinciale arrondissementen.
    Het nedergericht, in de Franse tijd vredegericht geheten, wordt in 1838 vervangen door het Kantongerecht. De stad Groningen is verdeeld in twee kantons, met elk een vrederechter.
    In 1875 wordt het Gerechtshof opgeheven. Voor de provincie Groningen is sindsdien het Gerechtshof in Leeuwarden competent.
    De Arrondissementsrechtbank en het Kantongerecht blijven wel bestaan. Het gerechtsgebouw aan de Oude Boteringestraat blijft eveneens in gebruik. Het Kantongerecht is tot 1875 in het stadhuis gevestigd, daarna aan de Kattenhage.

    Omhoog
    258

    Tijdens de Franse overheersing wordt ook de politieorganisatie herzien. De gemeente Groningen krijgt in 1810 keizerlijke politie en in 1813 een stedelijk politiecorps, bestaande uit een commissaris van politie en enkele agenten.
    In 1847 telt het corps 12, in 1870 39 personeelsleden. Aan het eind van de 19e eeuw zijn er 93 mannen werkzaam in de executieve dienst van de politie. Het politiebureau is gevestigd op de benedenverdieping van het stadhuis.
    Tot 1848 blijft de ratelwacht bestaan, daarna (-1872) zijn er nog afzonderlijke nachtwakers.
    De schutterij - in de Franse tijd aanvankelijk nog als Bataafse gewapende burgermacht - verliest allengs haar functie aan het reguliere Nederlandse leger. De vrijwillige schutterij in Groningen (in 1851 607 leden en 320 reservemanschappen) blijft nog tot 1907 bestaan.

    • De verdediging van Nederland is in de 19e eeuw opgedragen aan een beroepsleger (zee- en landmacht), aan de nationale militie ('ingelote' dienstplichtigen die voor hun nummer opkomen; de miliciens kunnen zich echter - tot 1898 - laten vervangen op grond van het remplaçantenstelsel) en aan de zgn. 'rustende schutterijen' die -onder leiding van burgerofficieren- dienen als reserve en ook kunnen optreden als 'plaatselijke macht' ter bescherming (beschutting) van de openbare orde.

    Omhoog
    259

    In 1826 vindt een uitbreiding plaats van het Burgerlijk en Militair Huis van Verzekering in de Spinhuisstraat (Zoutstraat): het gebouw is nu ook gevangenis. Een nieuwe gevangenis wordt in 1882 gebouwd aan de Hereweg evenals een nieuw Huis van Bewaring.

    • Wat de tenuitvoerlegging van straffen betreft: in 1788 is de pijnbank voor het laatst gebruikt; andere lijfstraffen, bijvoorbeeld het brandmerken, worden toegepast tot 1854; in 1811 vindt de ontruiming plaats van het galgenveld in de Linie van Helpman (aan de rand van de stadstafel).
      In Groningen wordt in 1834 nog iemand veroordeeld 'tot geseling en brandmerking in het publiek met een strop om de hals' (in het zgn. 'drukwerkproces').
    • Het laatste doodvonnis in Groningen wordt in 1838 op de Grote Markt voltrokken. Het betreft Okke Geerts Kluin uit Kantens die een moord op zijn geweten heeft. Aan hem herinnert nog de Groningse uitdrukking: 'Doar bist beter of komen as Okke Kluun, want dij mos hangen'.
    • De doodstraf als zodanig wordt, althans voor wat betreft de civiele rechtspraak, in Nederland in 1870 afgeschaft. (In het militaire strafrecht in 1983.)

    Omhoog

    Economische ontwikkelingen

    260

    De perifere ligging van de stad Groningen in het Koninkrijk der Nederlanden (zeker in de periode 1815 - 1830, als ook België daarvan nog deel uitmaakt), ver van de grote waterwegen, bepaalt in de 19e eeuw de structuur van de stedelijke bedrijvigheid.
    De stad kenmerkt zich vooral door haar verzorgende functie, in hoofdzaak voor de provincie en de direct daaraan grenzende gebieden.
    Primaire bron van inkomsten vormt de handel, zowel de collecterende handel (graan, vee) als de distribuerende handel (grossierderijen, detailhandel). Tegen het eind van de eeuw ontstaan grotere winkelvestigingen (zoals het modehuis Gebr. Gerzon aan de Vismarkt).
    In 1836 neemt A.L.Scholtens een sinds 1800 bestaande boekhandel aan de Grote Markt over.
    Kernactiviteit is met name de internationale graanhandel. Tot plm. 1865 geldt Groningen als 'graanrepubliek', als stapelmarkt voor granen (vooral haver). Ook de houthandel is belangrijk (Van Houten, Van Calcar).
    Afzonderlijk dient melding te worden gemaakt van de handelsrelaties met het Duitse Oost-Friesland. Veel Groninger ondernemers zijn ook van Duitse afkomst. In 1865 wordt de nog bestaande Korenbeurs gebouwd.
    De veemarkten worden in 1892 geconcentreerd aan de (huidige) Trompsingel.
    In de dienstverlenende sector is - na de invoering van de Bankwet (1863) - sprake van de oprichting en vestiging van (hypotheek)banken. De Nuts-spaarbank is al in 1820 opgericht.
    Al met al werkt in de tweede helft van de eeuw plm. 40 % van de beroepsbevolking in de nijverheid en 25 - 30 % in de handel en het transport. De dienstensector biedt werk aan plm 17 % van de beroepsbevolking. Overheid en onderwijs aan plm. 4 %.

    Omhoog
    261

    De mate van economische bloei van de provincie (en dus die van de stad) hangt, gegeven het voorgaande, nauw samen met het verloop van de graanprijzen op de wereldmarkt.
    In de 19e eeuw zijn tot 1815 de prijzen hoog; stagneert de export in de jaren 1815-1835, volgt van 1835-1870 een periode van hoogconjunctuur - mede dankzij landbouwtechnische ontwikkelingen (de 'champagnejaren') - en ondergaan de prijzen na 1875 een scherpe daling, als gevolg van de import van granen uit de Verenigde Staten.
    Slechte oogsten doen zich voor in 1816 ('het jaar zonder zomer'), van 1827-1829; veepest in 1865-1867. In 1846 is er sprake van aardappelziekte (Phytophtora infestans, een schimmelziekte) en van een misoogst van rogge, waardoor de broodprijs tot ongekende hoogte stijgt.

    • In de stad leidt dit in juni 1847 tot het zgn. 'aardappel- of broodoproer' waarbij graanpakhuizen worden geplunderd en - als gevolg van de inzet van het leger dat met scherp schiet - ook een vijftal doden valt.
      Ook in andere delen van het land is het in deze periode onrustig.

    Omhoog
    262

    De industrieën die in de stad ontstaan, dan wel waarvan het hoofdkantoor in Groningen is gevestigd, concentreren zich op den duur in een viertal bedrijfstakken met meer dan plaatselijke betekenis.

    • Drukkerijen/uitgeverijen (o.m. J.B. Wolters', 1836; in 1877 verschijnt de eerste 'Bos' schoolatlas der geheele aarde'; de uitgeverij werkt onder het motto: 'Een boek 't welk geen nut kan stichten is wanwaan'; uitgeverij P.Noordhoff wordt opgericht in 1858).
    • Textiel- en kledingfabrieken. Bv. spinnerij Dumonceau (1840-1891), breierij Reinier Muller (1888-1957) en kledingfabriek Gebr. Levie (1880- 1980).
    • Voedings- en genotmiddelen; onder meer Th. Niemeijer, koffie, thee (1819), tabak (1848), sigaretten (1909); Kahrel's Thee (1859); Tiktak koffie en thee (1870); distilleerderij Hooghoudt (1889); suikerraffinaderij en stroopfabriek W.A. Scholten (1862-1970).
    • Metaalnijverheid, werktuigbouw (o.m. Fongers' rijwielfabriek, 1884; eerder een smederij 1871-1971).
    Vele van de overige, als 'fabriek' aangeduide bedrijven (Groningen telt er in 1856 een 900-tal, w.o. 70 grotere, met in totaal 1.400 werknemers) worden in de loop der jaren opgeheven.
    Van de acht brouwerijen is rond de eeuwwisseling nog één over: 'De Sleutel' (Noorderhaven/Hoge der A). Deze brouwerij wordt in 1906 naar Helpman verplaatst en is in 1965 gesloten.
    In 1851 telt de stad nog een 15-tal windmolens. In 1853 zijn er nog slechts vijf stoommachines (Nederland als geheel: 363); in 1870 zijn het er 19 (Nederland: 1750). Stoommachines renderen alleen in grote bedrijven. Nog in 1910 zijn er in de stad slechts drie bedrijven met meer dan 100 werknemers.
    De Groningse bedrijven maken gebruik van een gasmotor: in 1890 48 op een totaal van 626 gasmotoren in Nederland als geheel. In de provincie ontstaan in deze eeuw aardappelmeelfabrieken (vanaf 1840), strokartonfabrieken (vanaf 1869) en een suikerfabriek (in Vierverlaten: de eerste campagne is in 1897). De suikerfabriek in Groningen zelf is van 1914 (-2008).
    • Het hoofdkantoor van de W.A.Scholten strokarton- en aardappelmeelfabrieken - de eerste agro-industrieën - is in de stad gevestigd.
      Aardappelmeel en strokarton zijn tegen het einde van de eeuw verreweg de belangrijkste exportproducten.
      Oprichter en eigenaar W.A.Scholten (1816-1892) en naderhand zijn zoon J.E.Scholten (1849-1918) zijn toonaangevend in het stedelijk maatschappelijk leven. Vele sociale en culturele intiatieven worden door hen gesteund.
    In 1829 wordt een Kamer van Koophandel en Fabrieken opgericht.

    Omhoog
    263

    Afzonderlijk vermeld dienen de bedrijven die zich bezig houden met het optuigen van in de Veenkoloniën gebouwde (zeegaande) schepen. Ook de stad zelf telt nog enkele scheepswerven.

    • Deze bedrijvigheid, oorspronkelijk vooral rond de Noorderhaven, verplaatst zich na het gereedkomen van het Eemskanaal (1876) naar de Oosterhaven. De omvang ervan neemt in de loop der jaren af.
      In Groningen zijn halverwege de eeuw 185 zeeschepen gedomicilieerd, in hoofdzaak tjalken en koffen. Ook Veendam en Gasselternijeveen zijn belangrijke thuishavens, vooral voor de Oostzeevaart.
    • De rechtstreekse aanvoer van vis naar de stad wordt gestaakt na de afsluiting van het Reitdiep. De sinds 1774 bestaande 'visbanken' bij de Visserbrug worden in 1890 opgeheven.

    Omhoog
    264

    De verpachting van veengronden (bij Stadskanaal, Musselkanaal, Nieuw Weerdinge, e.o.) vormt ook in de 19e eeuw een belangrijke bron van inkomsten voor de stad. In 1817 bijvoorbeeld wordt daartoe een overeenkomst gesloten met de negen marken van het Oostermoer in Drenthe
    In het Dollardgebied bezit de stad gronden in de in 1862 en 1874 drooggelegde Reiderwolderpolders. Ook bezit Groningen landerijen in de Ruigezandsterpolder (bij Lauwerzijl, 1795) en de Nieuwe Ruigezandsterpolder (1878).
    Direct buiten de stad ontstaat door veenafgraving in het Neerwold (door Friese verveners) geleidelijk het Paterswoldsemeer. In 1830 bereikt het voorlopig z'n grootste omvang.

    • Tussen 1971 en 1980 wordt het nog uitgebreid met het Hoornsemeer en de Hoornseplas.

    Omhoog
    265

    De in de tweede helft van de eeuw opkomende arbeidersbeweging - in eerste aanleg strijdend voor algemeen kiesrecht en betere arbeidsomstandigheden - vindt in de stad haar neerslag in organisaties als de Typografenvakvereniging (1871), de Algemene Groninger Werklieden Vereniging 'Vooruitgang zij ons doel' (1873) en het christelijke Nederlands Werklieden Verbond 'Patrimonium' (1879). Er is ook een 'Anti Sociaal Democratische Vereniging van Nederlands Spoorweg Personeel: voor God, gezin en eigendom'. De arbeiderscoöperatie 'De Toekomst' (o.m. met een bakkerij) dateert uit 1888.

    • Niet elders te rubriceren zijn de oprichting van de 'Vereniging voor Volksvermaken' in 1874, van een 'Vereniging voor verfraaiing der stad' in 1880 en die van een 'Vereniging ter bevordering van het Vreemdelingenverkeer in Groningen en omstreken' in 1890.

    Omhoog

    << Vorige hoofdstuk Index Volgende hoofdstuk>>

    © 1998, 2010 Kor Feringa, in samenwerking met Grunn.nl