• Menu
  • Historie
     
    Email ons!
     
  • GRUNN.NL: Stadshistorie
  • 18e eeuw (tot de Omwenteling)

    Politiek en bestuur

    182

    In de 18e eeuw treden - steeds onder de soevereiniteit van de Staten - als stadhouders van Stad en Lande achtereenvolgens op Johan Willem Friso (1696-1711), Willem IV (1718-1751) en Willem V Batavus (1751-1795), allen uit het Huis Oranje-Nassau (vanaf 1702). Van 1711-1718 kent het gewest een stadhouderloos tijdperk.

    • Regentes voor Johan Willem Friso is gedurende zijn minderjarigheid (-1707) zijn moeder Henriëtte van Anholt-Dessau. Als gevolg van een conflict van de Ommelanden met de Stad wordt het stadhouderschap eerst in 1710 geëffectueerd. Johan Willem Friso komt in 1711 om het leven als zijn koets op het veer over het Hollands Diep kapseist.
      Stadhouder Willem IV komt in Groningen aan het bewind als Willem III. Gedurende zijn minderjarigheid, tot 1729, wordt het stadhouderschap waargenomen door zijn moeder Maria Louise van Hessen-Kassel, ook bekend als Maaike Meu (of in Groningen als 'beste moer').
      Van 1751-1759 treedt om dezelfde reden Anna van Hannover ('De Gouvernante') op voor stadhouder Willem V. Na haar dood in 1759 wordt de functie tot 1766 waargenomen door de Staten van Stad en Lande.
    In de stad Groningen worden de stadhouders - evenals dat in de Ommelanden het geval is - vertegenwoordigd door een luitenant-stadhouder (rond 1780 is dat bijvoorbeeld burgemeester Anthony A. van Iddekinge). Rechtstreekse bevoegdheden ten aanzien van het plaatselijk bestuur heeft de stadhouder niet, uitgezonderd het militaire opperbevel.
    • Ook in andere gewesten is er geen sprake van centraal gezag. Bovendien stemmen de afgevaardigden in de Staten-Generaal met last en ruggespraak, wat de politieke eenheid van de Republiek al evenmin ten goede komt. Tenslotte is voor belangrijke beslissingen volledige unanimiteit vereist. Een poging de Staten-Generaal zelfstandig bevoegdheden toe te kennen strandt in 1717.
    Op 31 december 1700 gaat het gewest Stad en Lande definitief over op de Gregoriaanse kalender. De eerstvolgende datum is 12 januari 1701.

    Omhoog
    183

    Overigens zijn de stadhouders, de leden van de Staten-Generaal en de regeringen van provincies en steden onderling verbonden door een informeel netwerk op basis van de diensten, plichten en gunsten die men elkaar bewijst of afdwingt. In provincies en steden worden de regeringsambten bekleed door slechts een gering aantal patriciërsfamilies: de regenten. Voor benoemingen worden eenmalig forse zgn. 'recognitiegelden' betaald. In ruil daarvoor kan men dan blijvend rekenen op een aanzienlijke functie. Een en ander wordt vastgelegd in 'contracten van correspondentie'.
    Sommige ambten hebben het karakter van een sinecure: er behoeft niet daadwerkelijk arbeid te worden verricht.

    • Vanaf 1724 geldt in Groningen als regel dat nieuwe raadsheren worden gekozen uit de leden van de 'oude raad'. Er is geen 'vrije keur' meer.

    Omhoog
    184

    Verschillen van inzicht tussen de beide leden van de Staten van het gewest belemmeren ook in de 18e eeuw voortvarende besluitvorming.

    • Zo weigeren van 1705-1717 de staten van de Ommelanden besluiten te nemen over de benoeming van hoogleraren aan de Hogeschool, met alle gevolgen van dien voor de kwaliteit van het onderwijs. Het eerste eeuwfeest van de Academie wordt dan ook niet gevierd. Ook het 150-jarig bestaan gaat in stilte voorbij, nu vanwege het (tot 150) teruglopend aantal studenten.
      Tussen 1708 en 1735 bestaat onenigheid over een onderwerp als de organisatie van de rechterlijke macht. In het geding zijn de positie en de samenstelling van een nieuw Provinciaal Gerechtshof.
      Andere onderwerpen die discussie uitlokken: de verantwoordelijkheid voor de aanleg en het onderhoud van de Ommelander zeedijken, de toedeling van belastinginkomsten en de instructie van een stadhouder.

    Omhoog
    185

    In 1747/1748 wordt, onder druk van een Franse inval in Staats-Vlaanderen, het stadhoudersambt ook in de andere gewesten van de Republiek weer ingevoerd. Bovendien wordt de functie erfelijk. Het besluit van Stad en Lande op dit laatste punt dateert van maart 1748.
    Van een stadhouder wordt, zoals later zal blijken tevergeefs, een krachtiger optreden tegen de regentenoligarchie verwacht.
    Als de in meerderheid staatsgezinde regenten in Groningen in de ogen van de burgerij de nieuw ontstane situatie niet van harte onderschrijven en bovendien de vreugde van het volk bij de geboorte van prins Willem V (8 maart 1748, de oorspronkelijke Prinsjesdag) onderdrukken, ontstaan ongeregeldheden in de stad. Onder meer wordt het huis van burgemeester Geertsema in de Oosterstraat geplunderd.

    • De ongeregeldheden, die in 1749 nog voortduren, doen zich ook in andere steden voor. Ze vinden mede een aanleiding in het verzet tegen de hoge belastingen op het gemaal en tegen het vigerende systeem van belastingverpachting en staan ook bekend als 'pachtersoproeren'.
    • Huisplundering is in deze periode een bekende vorm van actie voeren. In Groningen gaat de plundering gepaard met de molestatie van de echtgenote van de burgemeester.

    Omhoog
    186

    De nieuwe bevoegdheden van de - nu - erf-stadhouder worden in 1749 vastgelegd in het Reglement Reformatoir.
    De stadhouder krijgt het recht van goedkeuring (approbatie) op de benoeming van de leden van het stadsbestuur (de magistraatsbestelling).

    • De leden daarvan worden op dezelfde wijze gekozen als tot dusverre in Groningen gebruikelijk. Wel is er weer sprake van een vrije keur. De invloed van de gezworene meente neemt overigens af; die van de gilden wordt verstevigd.
    In de praktijk keurt de stadhouder alle benoemingen van regenten goed. Van 'taning' of 'herschikking' van de stadsregering, zoals oorspronkelijk bedoeld, kan dan ook niet worden gesproken.
    • Het systeem van belastingverpachting wordt afgeschaft. Het innen van belasting gebeurt nu door provinciale ambtenaren. (Vergelijk de gevelsteen van een voormalige sarrieshut bij de korenmolen in de A-dwinger, c.q. Westerhavenstraat 22). Sarries is een verbastering van Fr. 'chercher'.

    Omhoog
    187

    Na 1780 ontstaat in de Nederlanden een tijdelijke strategische alliantie (een 'monsterverbond') tussen de naar meer invloed strevende liberale burgerij, die wordt geïnspireerd door de ideeën van de Verlichting, en een aantal traditioneel staatsgezinde regenten die zich storen aan de inbreuken op hun oude privileges.
    Deze zogenoemde 'Patriotten' (ook wel 'Kezen', naar hun voorman Cees de Gijselaar) richten zich tegen de stadhouder en diens conservatieve Oranjepartij (de zgn. 'Prinsmannen') .
    Uitgangspunt van de Patriotten is de volkssoevereiniteit: het volk bestaat uit vrij geboren mensen, de bestuurders zijn de dienaren van het volk. Wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht dienen te worden gescheiden.

    • In Groningen zijn de Patriotten vooral te vinden in en rond het in 1785 opgerichte exercitiegenootschap 'Voor onze duurste panden' (VODP), een para-militaire organisatie die beoogt om eventueel gewapenderhand op te komen voor de eigen denkbeelden. Tot het genootschap behoren kooplieden, academici, voorlieden van de gilden, ook ambtenaren; katholieken kunnen wel, Joden geen lid worden. Doopsgezinden zijn hoogstens sympathisant.
      Het exercitiegenootschap bestaat naast de schutterij en werkt daarmee zelfs samen.
    In 1785 worden de bepalingen van het Reglement Reformatoir in Groningen niet meer nageleefd en is er kortstondig sprake van meer democratische verhoudingen in het stadsbestuur.
    • Een niet meer tot uitvoering gekomen voorstel voor een nieuw reglement voor de stadsregering wil het actief kiesrecht doen toekennen aan alle mannen vanaf 25 jaar (tenzij al eerder gehuwd) en aan ongehuwde vrouwen vanaf die leeftijd. Ook alle weduwen zouden stemrecht moeten krijgen.
      Niet kiesgerechtigd zijn volgens het voorstel gehuwde vrouwen en verder Joden, bewoners van gasthuizen en bedeelden.

    Omhoog
    188

    Na een ingreep van de Pruisische koning (in reactie op de aanhouding van zijn zuster, de echtgenote van Willem V, door een patriots vrijkorps bij Goejanverwellesluis) volgt in 1787 een Oranje-restauratie. Alle maatregelen tegen de stadhouder worden beschouwd als nooit te zijn afgekondigd.

    • Zo wordt in Groningen een aanvankelijk verbod op het dragen van oranje-kokardes omgezet in een aanwijzing dat nu juist wel te doen. Een en ander gaat gepaard met ongeregeldheden (de 'slag bij de Waag' op 20 februari 1788).
      In 1792 wordt de aanwijzing weer ingetrokken. Een ieder is nu vrij om zijn gevoelens te uiten.
    • De tegenstellingen tussen Patriotten en Prinsgezinden of orangisten betreffen niet uitsluitend staatkundige inzichten. De 'partijschappen' (verenigd in sociëteiten als 'De Unie' en 'De Gouden Roemer') veroorzaken ook in sociaal opzicht een zekere tweedeling in de stedelijke samenleving. Vergeleken met andere steden in de republiek leidt de maatschappelijke onrust in Groningen echter niet tot extreme situaties.

    Omhoog
    189

    In de periode 23 januari - 13 februari 1795 vindt in de stad Groningen, evenals elders in de Nederlanden, zonder bloedvergieten de Omwenteling, de Bataafse of 'fluwelen' revolutie plaats.

    • Frankrijk heeft in 1793 de oorlog verklaard aan stadhouder Willem V in persoon. Na een eerdere mislukte poging trekken - mede op aandrang van gevluchte of uitgeweken Patriotten - Franse troepen in 1794 Staats-Brabant binnen.
      Het erf-stadhouderschap wordt afgeschaft. Stadhouder Willem V vlucht naar Engeland. De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden houdt per 18 januari 1795 op te bestaan.
    Een stedelijk 'Comité Revolutionair' vormt een nieuwe municipaliteit van provisionele representanten van het volk van Groningen (in casu de burgerij en deels de middenstand: de 'werkende stand' komt ook nu niet aan bod).
    • Een poging de 18 kluftvergaderingen blijvend bij het bestuursproces te betrekken lijdt schipbreuk wegens de nogal radicale inslag van sommige deelnemers.
    Op 14 februari 1795 wordt op de Grote Markt een vrijheidsboom opgericht. De boom - met de Frygische muts als bekroning - zal er blijven staan tot in 1804.
    Op 19 februari arriveren Franse troepen die als bevrijders worden verwelkomd.
    Groningen, Stad en Lande, behoort nu tot de Bataafse Republiek.

    Omhoog

    Ruimtelijke orde

    190

    In de 18e eeuw ondergaat de ruimtelijke inrichting van de stad nauwelijks wijzigingen. Voor de stadspoorten ontstaan, officieel niet toegestane, concentraties van bebouwing.
    In de omvang van de verdedigingswerken in de vesting komt evenmin verandering. Wel wordt vanaf 1789 de Linie van Helpman nog versterkt. Vanaf 1796 (-1806) wordt een verdedigingsgracht gegraven: het huidige Helperdiepje.

    • De Hereweg kruist de liniegrachten door middel van een 'droge' en een 'natte' brug. De laatste benaming wordt nog steeds gebruikt.
    De A- of Zuiderhaven en de Noorderhaven (een deel van het Lopendediep) worden nu in hun geheel gebruikt als losplaats voor schepen.
    • Uit 1793 dateert een uiterst gedetailleerde militaire kaart van Groningen en omgeving, de Hottinger-kaart.

    Omhoog

    Bevolking

    191

    Het aantal inwoners aan het begin van de eeuw wordt geschat op plm. 21.850. Tot in het midden van de eeuw neemt het af (tot 19.000 in 1740), daarna weer toe. In 1795 zijn het er 23.770 (1,14% van de totale Nederlandse bevolking).
    Tussen 1707 en 1719 worden duizenden Franse vluchtelingen tot de stad toegelaten.
    Van de Groningers die een huwelijk sluiten komt in het begin van de eeuw 49 % uit de stad zelf, 19 % uit de huidige provincie Groningen, ruim 8 % uit Friesland en Drenthe, bijna 16 % uit Duitsland en 8 % uit de rest van de Nederlanden en uit overig Europa.
    Er zijn aan het eind van de eeuw plm. 5.500 huizen, met gemiddeld vier inwoners elk. In de stadsjurisdicties wonen 49.350 personen; in de rest van Stad en Lande 35.450.
    Een dysenterie-epidemie ('rode loop'), die woedt van 1779-1781, vraagt 4.150 doden.

    Omhoog

    Religie en sociale zorg

    192

    Gedurende de 18e eeuw blijft de bemoeienis van de plaatselijke overheid met de verschillende kerkelijke gezindten bestaan. Dat geldt ook de gereformeerde godsdienst die functioneert als publieke religie.

    • De gereformeerde gemeente wordt steeds vaker aangeduid als (nederduits) hervormde gemeente. De Waals hervormde gemeente telt in het begin van de eeuw, gegeven de grote aantallen 'wijkelingen' uit Frankrijk, drie predikanten.
    • In 1711 vestigt zich een groep van 125 oorspronkelijk uit Zwitserland afkomstige, orthodoxe doopsgezinden in Groningen. Een eerste groep is er al in 1694. Hun vermaning is een woonhuis in de Paltzersgang (Muurstraat 28).
    In 1702 gelast het stadsbestuur de gereformeerde predikanten hun theologische geschilpunten niet meer op de kansel te bespreken. Het wenst al te scherpe tegenstellingen in de stad te voorkomen.
    In de periode 1707-1730 krijgen de r-k. priesters liefst viermaal de aanzegging de stad te verlaten. Er zijn dan plm. 2.500 rooms-katholieken. In de tweede helft van de eeuw is er minimaal sprake van een gedoogbeleid, ook ten aanzien van benoemingen van rooms-katholieken in stedelijke ambten en bedieningen.
    De toren van de A-kerk stort in 1710 plotseling in; ook de kerk wordt beschadigd. Er zijn twee doden. In 1712 is de toren in de huidige vorm herbouwd.

    Omhoog
    193

    Binnen de gereformeerde gezindte en ook binnen (de theologische faculteit van) de Academie is in de 18e eeuw geregeld sprake van verschillen in opvatting tussen rechtzinnigen en vrijzinnigen. Ook tussen 'fijne' en 'grove' mennisten (doopsgezinden) woedt plm. 1740 een fel debat.

    • De discussies binnen de Academie gaan vooral over de door Descartes geïntroduceerde filosofie (het cartesianisme), waarin rationeel denken, gebaseerd op methodische twijfel, in de plaats komt van het denken op basis van dogmatische vooronderstellingen.
    • Zo stelt rond 1700 de Groningse hoogleraar Bernoulli op natuurwetenschappelijke gronden dat alle delen van het menselijk lichaam zich in de loop der jaren voortdurend vernieuwen, waarna indringende theologische vragen rijzen over de gevolgen daarvan voor de verhouding tussen lichaam, ziel en persoonlijkheid. In 1772 nog wordt de 'verlichte' hoogleraar Van der Marck ontslagen omdat hij aan de natuurwetten evenveel waarde toekent als aan de Openbaring (de van God gegeven heilsleer).

    Omhoog
    194

    De positie van de Joden in Groningen wijzigt zich. Verbanning uit de provincie - nog in 1710 usance - wordt niet meer toegepast. Wel hebben zij de gehele 18e eeuw nog overheidstoestemming nodig om zich in de stad te mogen vestigen. De stad telt in 1776 260 Joodse inwoners, in 1796 plm. 400.

    • Nadat in 1732 vrijheid van godsdienstuitoefening is verkregen, wordt in 1744 een joodse gemeente gesticht; er zijn dan plm. 90 leden. In 1747 wordt een Joodse begraafplaats ingericht op het zogenoemde Jodenkampje in de afgelegen Ebbingedwinger. In 1756 wordt aan het eind van de Folkingestraat (het Jodenstraatje) een synagoge in gebruik genomen. Het gebouw heeft aan de straatzijde geen ramen.
      Eerder worden diensten gehouden in onder meer de Bank van Lening in de Lombardsgang (achter het latere Concerthuis in de Poelestraat).
    • De afgelegen ligging van de Joodse begraafplaats kan mede in verband worden gebracht met de onreinheid van de doden (Num. 19: 14-16), die volgens de joodse religie ook ruimtelijk een zekere afstand tot de levenden noodzakelijk zou maken.

    Omhoog
    195

    Tegen de achtergrond van een als steeds pregnanter beleefd onderscheid in de positie van armen en rijken in de samenleving, gepaard aan de angst voor maatschappelijke chaos, worden in de sfeer van de sociale zorg in 1786 en 1796 (opnieuw) initiatieven genomen tot het inrichten van werkplaatsen voor armen, werklozen en werkschuwen.

    • Armoede op zich is in de 18e eeuw geen christelijk ideaal meer. Er mag geen sprake zijn van het hebben van schuld aan armoede.
      Het initiatief uit 1786 (het 'stadswerkhuis' aan de Nieuwstad) behelst o.m. een eigen wolkammerij, een touwpluizerij en een fabriek van inlandse katoen. Ook worden kousen gebreid.

    Omhoog
    196

    In de 18e eeuw worden vier gasthuizen gesticht of verbouwd:

    • 1701 (-1981) r.k. Wijtsens- of Schoonbeeksgasthuis (De Laan/ Visserstraat);
    • 1715 (-1822) r-k. Tonnissien Frercks- of Homansgasthuis (Noorderhaven);
    • 1767 (-1975) het Vrouw Wilsoors- of Affijn Olthofsgasthuis aan de Kattenhage;
    • in 1775 het Aduarder gasthuis;
    • in 1794 (-1963) een r-k. armen- en weeshuis aan de Pausgang.
    Het St. Anthony-gasthuis wordt in 1702 uitgebreid met een 'dolhuis' voor psychisch gestoorden. Tot dan is die functie vervuld door Pelster- en Pepergasthuis.
    Verder wordt een luthers weeshuis geopend (1722-1917, Haddingestraat) en komt in 1790 een instituut voor doofstommen tot stand (de eerste instelling voor mensen met een beperking in Nederland). Oprichter daarvan is ds. H.D. Guyot, waals hervormd predikant, die in 1785 begint met onderwijs voor doven.
    • In 1829 wordt voor hem een monument opgericht op de 'beplante Ossenmarkt': het Guyotplein.
    In twee zaaltjes van het Groene weeshuis is vanaf 1797 een academische ziekeninrichting gevestigd: het Nosocomium Clinicum. Er zijn in het begin maar acht bedden. De zieken worden verzorgd door 'gevorderde jonge esculapen'.

    Omhoog

    Onderwijs

    197

    Het onderwijs kent in de 17e en 18e eeuw in hoofdlijnen de volgende schoolsoorten:

    • scholen voor elementair nederduits onderwijs (openbare scholen op gereformeerde grondslag, twee per stadswijk) met de vakken godsdienst, lezen en schrijven, zang, rekenen (eventueel volgens de methode Bartjens: tegen meerprijs; zijn 'Vernieuwde Cijfferinge' methode dateert uit 1636);
    • in de 18e eeuw ook afzonderlijke armen- of diaconiescholen (1756), zowel als een school voor kinderen van niet-bedeelde, maar wel onvermogende ouders: de zgn. 'liefdeschool' (1784);
    • een Joodse school (met Hebreeuws) en een Joodse armenschool;
    • meer uitgebreid de particuliere Franse of Frans- en Duitse scholen (rekenen, boekhouden, talen, tekenen, wiskunde, aardrijkskunde en Latijn);
    • de Franse school met Frans als voertaal;
    • meisjesscholen (met Frans en borduren, in Groningen in 1773);
    • de Latijnse school, uitsluitend ter voorbereiding op een studie aan de universiteit, met de vakken recht, Latijn en theologie;
    • kleinkinder- of bewaarscholen, geleid door schoolvrouwen.

    Omhoog

    Cultuur en media

    198

    In Groningen wordt in 1792 het departement Stad en Lande van de landelijke Maatschappij tot Nut van het Algemeen (1784) opgericht. Het departement telt in dat jaar 570 leden.
    Het 'Nut' is een genootschap van 'ware en rechtschapen mensenvrienden' (alleen mannen) die 'een teder medelijden over de staat des gemenen mans in ons vaderland gevoelen' en op die basis willen bijdragen aan de verbetering van de politieke, sociale en economische situatie in Nederland.
    Het departement Groningen functioneert in deze en de volgende eeuw als gangmaker voor een reeks van initiatieven, met name ook in de sfeer van onderwijs en maatschappelijke en culturele vorming.

    • In 1796 wordt de Nutsleer- en kweekschool opgericht, ten dienste van de opleiding van onderwijzers, die het vak tot dan in feite uitsluitend in de praktijk leren.
      In hetzelfde jaar komt een Nuts-bibliotheek tot stand (met gratis uitlening). Een oudere leesbibliotheek dateert al uit 1755.

    Omhoog
    199

    In 1761 wordt opgericht het juridisch genootschap 'Pro Excolendo Jure Patrio'. Het wordt gevolgd door andere wetenschappelijke genootschappen, waaronder het Natuur- en Scheikundig genootschap (1801).
    Uit 1765 dateert de nog bestaande 'Groote- of Heerensociëteit', uit 1771 een vrijmetselaarsloge ('L'union provinciale').
    In 1769 wordt, in een particuliere woning, een concertzaal ingericht in de Poelestraat: het Concerthuis. In 1767 al wordt in een belendende woning een concert gegeven door 'de heer Bach uit Berlijn' (Carl Philip Emanuel Bach).
    Toneelzalen zijn er in de Brugstraat, de Grote Leliestraat en de Kleine Butjesstraat. De eerste schouwburg 'Utile et Dulci' (Nuttig en aangenaam) wordt in 1798 gevestigd aan de Nieuwe Kijk in 't Jatstraat.
    De zalen worden bespeeld door 'toneellievende' gezelschappen met namen als de Heeren- of studentencomedie 'Pro excolenda eloquentia' en 'Utilitates et jucunditates ergo' (Tot nut en genoegen).
    De gezelschappen spelen onder het credo van de Verlichting : 'De kunst verwint, door deugd en rede steeds geleid, de domheid, huich'larij en bijgeloovigheid'.

    Omhoog
    200

    In 1743 verschijnt - onder preventieve censuur van het stadsbestuur - voor het eerst een courant in het gewest: de 'Geoctrojeerde Groninger Courant', vanaf het tweede nummer de 'Opregte Nieuwe Groninger Courant' geheten. In 1748 verandert de titel in 'Oprechte Groninger Courant'; in 1773 in 'Groninger Courant'.
    Op last van de Gecommiteerde raden van de Ommelanden - en door hen gesubsidieerd - ziet in 1787 ook een 'Ommelander Courant' het licht.
    De kranten kunnen worden gelezen in de koffiehuizen (in Groningen geïntroduceerd door de Hugenoten) en in de herbergen, waarvan de stad er vele kent.

    • De overheid staat niet toe dat de courant het forum is voor politieke discussie. Daartoe dienen in voorkomend geval afzonderlijke publicaties: de pamfletten. Ook het maandblad De (Groninger) Nouvellist (1745-1757) heeft een kritische inslag.
    Er zijn daarnaast nog elders uitgegeven tijdschriften. Deze worden - evenals boeken - vaak met een collectief abonnement gelezen in het kader van sociëteiten en leesgezelschappen (zoals bijvoorbeeld het leesgezelschap van 1768 en de 'English Reading Society'). De leesgezelschappen hebben het karakter van een leescirkel.

    Omhoog

    Justitie en politie

    201

    Vanaf 1749 (Reglement Reformatoir) kan van vonnissen van het volle gerecht in beroep worden gegaan bij het Provinciaal Gerechtshof, de nieuwe naam voor de reeds bestaande Provinciale Kamer van Justitie. De warven en de Hoofdmannenkamer worden nu ook formeel opgeheven.
    Opnieuw is een bijzondere functie van het stadsbestuur van Groningen vervallen.

    Omhoog

    Economische ontwikkelingen

    202

    In de periode 1750 - 1770 profiteert de stad van een gunstige economische conjunctuur, met name in de sterk innoverende agrarische sector. Die spitst zich met name toe op de graanhandel. In 1774 wordt een eerste - houten - korenbeurs gebouwd.

    • Groningers nemen in deze eeuw op nog zeer bescheiden schaal ook deel aan de Oostzeehandel. Van de plm. 22.000 scheepspassages van Nederlandse schepen door de Sont in de periode 1721-1763 zijn er 481 van schepen met Groningen als thuishaven. Ingevoerd wordt vooral rogge.
    Groningen telt aan het eind van de eeuw een tiental, meest kleine, scheepswerven. Een grote scheepstimmerwerf is nog gevestigd ter plaatse van de huidige Werfstraat.
    De redelijk florerende brei-industrie heeft tegen het einde van de eeuw te lijden van Westfaalse concurrentie en gaat in feite te gronde. De brouwerijen van kluinbier (geconcentreerd aan de A-haven, daar sinds 1762 ook visbanken voor de afslag van vis) zien hun omzet teruglopen door de toename van de consumptie van koffie, thee en jenever en door hogere graan- en turfprijzen. Het aantal loopt in deze eeuw terug van 35 tot 8 brouwerijen.
    • In 1792 wordt in een huis aan de Herestraat de grondslag gelegd voor de nog bestaande 'Sikkens'-lakfabrieken (nu Akzo, Sassenheim).
    De West-Indische Compagnie, waarin de stad deelneemt, wordt in 1791 geliquideerd.
    Het stapelrecht wordt in de 18e eeuw steeds minder stringent toegepast. Rond 1760 is het praktisch opgeheven.
    • De paardenmarkt wordt al eerder verplaatst naar het begin van de Hereweg, buiten de stadspoorten.

    Omhoog
    203

    De stad koopt en verpacht nu ook veengronden achter de Pekela's en Wildervank. Vanaf 1765 wordt aan het Stadskanaal gegraven (destijds het Groningse Stads Nieuwe Kanaal).

    • In 1858 bereikt het kanaal Ter Apel, om daarna nog te worden verlengd naar Emmercompascuum (1877) en Rütenbrock (1880). Het kanaal kent een aantal 'monden' naar de Drentse venen.
    De grens met Drenthe - evenwijdig aan het Stadskanaal - wordt sinds 1615 gevormd door de zgn. 'Semslinie' (genoemd naar landmeter Johan Sems): een denkbeeldige rechte lijn vanaf de Martinitoren tot Wolfsbarge en vandaar tot kasteel Ter Haar bij Ter Apel, waarbij de bezittingen van het klooster in die plaats echter volledig Gronings grondgebied blijven. In 1817 is het beloop van de grens enigszins gewijzigd. In de kop van Drenthe is de grens pas in 1822 volledig vastgelegd.
    • De grens van het gewest met Friesland loopt al sinds de middeleeuwen langs de Lauwers. Meer zuidelijk, in de veengebieden, wordt de grens eerst in 1724 officieel opgetekend.
    • De landsgrens met Duitsland (het koninkrijk Hannover) wordt in 1824 bij verdrag definitief geregeld. Al in 1723 is door de stad Groningen de grens met Oost-Friesland overeengekomen, onder meer in de Dollard; in 1764 die met het Emsland.
      De grens in de Eems is niet geregeld, anders dan dat beide landen in 1960 (Eems-Dollardverdrag) uiteindelijk hebben vastgesteld dat sprake is van een betwist gebied (de zandbanken Hond en Paapzand).
      Duitsland beroept zich op een leenbrief uit 1464, waarin de graaf van Oost-Friesland van de Duitse keizer de hoogheid over zijn land verkrijgt 'von der Westeremse osterwards' (dus inbegrepen de Eems). Die hoogheid is volgens Nederland in de Franse tijd - na de inlijving van beide gebieden bij Frankrijk - vervallen. De grens zou volgens internationaal recht in het midden van de vaargeul moeten liggen.
      De Bondsrepubliek is van mening dat het betwist gebied rechtmatig is verkregen en vervolgens in ongestoord langdurig bezit is gebleven. Er is derhalve geen reden tot wijziging van de situatie.
      Het Eems-Dollardverdrag is nu de basis voor een aantal samenwerkingsovereenkomsten.
    In 1740 wordt in de Dollard de Stadspolder ingedijkt.

    Omhoog
    204

    In de 18e eeuw zijn er in het gewest opnieuw perioden van voedselschaarste.
    Veepest doet zich voor in 1715, van 1744-1749 (de helft van de rundveestapel komt om) en opnieuw in 1769 (20% van het vee).
    In 1717 vraagt de Kerstvloed in het gewest niet minder dan 2.200 slachtoffers, terwijl de hele oogst verloren gaat. Vanuit Fivelingo bereikt het water ook de oostelijke wallen van Groningen. Het water staat nog vier voet (plm. 1.20 m.) hoger dan in 1686. Bij de Steentilpoort worden woningen ontruimd.

    Omhoog

    << Vorige hoofdstuk Index Volgende hoofdstuk>>

    © 1998, 2010 Kor Feringa, in samenwerking met Grunn.nl