• Menu
  • Historie
     
    Email ons!
     
  • GRUNN.NL: Stadshistorie
  • 17e eeuw

    Politiek en bestuur

    133

    Vanaf 1594 is de stad Groningen opgenomen in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden waarvan de Unie van Utrecht de basis vormt.

    • In 1598 verklaren de Nederlanden zich ook de jure soeverein. Eerst bij de Westfaalse vrede van 30 januari 1648, gesloten in Münster (ook Vrede van Münster genoemd), wordt de soevereiniteit van de Republiek door andere mogendheden erkend. Dan ook pas eindigt formeel de staatsrechtelijke band van Groningen met het Duitse rijk.
    Art. 1 van de Unie van Utrecht zegt dat alle leden: elke provincie, maar ook de afzonderlijke steden en ingezetenen hun bijzondere vrijheden en voorrechten zullen behouden en daarin door de andere leden zelfs gesterkt zullen worden.
    • De Republiek is dus in feite een confederatie. De Staten-Generaal hebben alleen bevoegdheden ten aanzien van de defensie en de buitenlandse politiek.
      De Verenigde Nederlanden kennen slechts een enkel gemeenschappelijk orgaan: de stadhouder, tevens kapitein-generaal van het leger. Overigens kiezen de gewesten niet steeds gezamenlijk voor dezelfde stadhouder.
      De opeenvolgende stadhouders (de functie is niet erfelijk; er zijn bovendien stadhouderloze tijdperken) nemen volop deel aan de politieke discussie.
    • In 1651 wordt de soevereiniteit van de afzonderlijke gewesten door de zgn. 'Grote vergadering' nog eens bevestigd. Men huldigt het principe van de 'ware vrijheid'.

    Omhoog
    134

    In het Tractaat van Reductie wordt op grond van bovengenoemd artikel bepaald dat de stad Groningen alle bestaande 'liberteiten, rechten en vrijheden' behoudt.

    • Dit ondanks het feit dat de stad de Spaanse zijde heeft gekozen. Ongetwijfeld geeft de economische en strategische positie van Groningen in dit geval de doorslag.
    Groningen behoudt na de Reductie het bestuur over de stadsjurisdicties Gorecht (met Selwerd) en de Oldambten. Vanaf 1619 is, door aankoop vanwege de stad, ook het generaliteitsland Westerwolde feitelijk een jurisdictie, zij het onder de soevereiniteit van de Staten-Generaal.
    Namens de stad wordt in genoemde gebieden een drost of een ambtman aangesteld.

    Omhoog
    135

    Het stapelrecht en het biermonopolie van de stad in de Ommelanden (uitgezonderd Appingedam) blijven ook na de Reductie in stand. In de Ommelanden mogen verder geen ambachten worden uitgeoefend die ten nadele van de stad kunnen strekken. In feite is alleen handel mogelijk in producten die dienen voor de voorziening 'in detail en voor eigen nooddruft'.
    Tezamen geven deze bepalingen in de Ommelanden opnieuw reden tot verzet tegen de stad. Na ingrijpen van de Staten-Generaal wordt - nog in de 16e eeuw - het stapelrecht enigermate ingeperkt.

    Omhoog
    136

    De 'eeuwige' verbintenis tussen de stad en de Ommelanden (1514) wordt in 1595 bevestigd als (op 17 februari) de Staten-Generaal het gewest 'Stad Groningen en Ommelanden' instellen.

    • De staten van 'Stad en Lande' tellen twee leden: de stad, in casu de zittende raad alsmede de vier burgemeesters, en de Ommelanden. De stad heeft het zgn. 'recht van préseance' , het recht om als eerste een stem uit te brengen. Ingeval van onoverbrugbaar gebleken geschillen zijn de Staten-Generaal, dan wel in hun naam de stadhouder, bevoegd te beslissen.
      De stad heeft in de staten van het gewest een bijzondere positie: voor de gebieden die onder zijn jurisdictie staan heeft Groningen ook een inbreng in de Ommelanden. Westerwolde maakt geen deel uit van het gewest.
    • De naam van het gewest is onderwerp van discussie. Er is immers sprake van koppeling van de 'Drentse' stad Groningen aan de 'Friese' Ommelanden. ('De kop van een Drentse bulle op de romp van een Friese koe' volgens de Ommelander syndicus.) In de naam van het gewest dient de gelijkwaardigheid van beide componenten tot uiting te komen.
    • Al met al behoudt de stad Groningen ook na de Reductie in feite een vrijwel autonome status binnen de Republiek. Groningen erkent nauwelijks het hogere gezag van de Staten van Stad en Lande.
    Het gewest Stad en Lande heeft in de Staten-Generaal maximaal zes zetels, maar - evenals de andere provincies - slechts één stem; in de Raad van State heeft het gewest één, na 1674 twee zetels (op een totaal van 12 zetels).
    Groningen telt in de 17e eeuw ongeveer 5.5 % van de bevolking van de Republiek (dan 1.5 - 1.9 miljoen inwoners) en betaalt ook een financiële bijdrage (quote) in die orde van grootte, te weten 10 % van de bijdrage van Holland.

    Omhoog
    137

    In de loop van de 17e en 18e eeuw zal blijken dat de invloed van Groningen in de Staten-Generaal slechts beperkt is, ook vanwege de tegenstellingen in het gewest zelf. De afgevaardigden van Groningen zijn bovendien nogal eens absent (mede als gevolg van de perifere ligging van het gewest).
    Het gewest Holland en in het bijzonder de Hollandse steden, w.o. Amsterdam, voeren in de Staten-Generaal de boventoon. Daarbij ligt het accent op de belangen van de overzeese handel.
    De stadspolitiek van Groningen is in deze eeuw vooral gericht op de bevestiging en de uitbouw van zijn invloed in de omliggende gebieden. Uiteindelijk controleert de stad in deze eeuw plm. 45 % van het grondgebied van de latere provincie Groningen.

    • Samen met het gewest Friesland onderhoudt Stad en Lande, op gezag van de Staten-Generaal, tot 1792 verdedigingswerken en garnizoenen in Westerwolde en (met instemming van de landsheer) tot 1744 ook in Oost-Friesland (Emden, Leer-ort). In laatstgenoemd jaar sterft het regerende geslacht Cirksena in de mannelijke linie uit en gaat Oost-Friesland tot Pruisen behoren.
      In 1628 wordt op Oost-Fries grondgebied de Nieuweschans aangelegd, om tijdens de Dertigjarige oorlog eventueel weerstand te kunnen bieden tegen keizerlijke troepen die Oost-Friesland binnenvallen. De in 1664 ingenomen Dielerschansen (bij het plaatsje Diele aan de Eems ter hoogte van Bellingwolde) liggen evenmin in de Republiek.
    • Emden - dat zich op aandringen van de calvinistische meerderheid van de bevolking (par. 121) in 1595 afscheidt van het lutherse Oost-Friesland - neemt in 1603 een Nederlands garnizoen in. Feitelijk is Emden een protectoraat van de Republiek. De stad is tot 1813 officieel Nederlandstalig; tot 1880 wordt er nog in het Nederlands gepreekt.
    • Ook de kustverdediging, het toezicht op de scheepvaart, het leveren van een aandeel in de Nederlandse vloot en het innen van convooien en licenten - w.o. ook het innen van invoerrechten aan de grenzen van Groningen en Drenthe met het Duitse Rijk - zijn een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid, belichaamd in het Friese admiraliteitscollege, waarin ook de stad een zetel heeft. De stad heeft daarnaast een zetel in het Admiraliteitscollege van Amsterdam. De Friese admiraliteit (1597-1645 in Dokkum, daarna in Harlingen) rust enkele malen oorlogsschepen uit onder de naam 'Stad en Lande' of 'Groningen'.

    Omhoog
    138

    Als stadhouders van Stad en Lande treden in de 17e eeuw achtereenvolgens op: Willem Lodewijk van Nassau (1595-1620), Maurits (1620- 1625, prins van Oranje sinds 1618), Ernst Casimir (1625-1632), Hendrik Casimir I (1632-1640), Frederik Hendrik (1640-1647), Willem II (1647-1650), Willem Frederik (1650-1664), Hendrik Casimir II (1664-1696) en Johan Willem Friso (vanaf 1696). Als regentes voor stadhouder Hendrik Casimir II treedt tot 1675 op zijn moeder Albertine Agnes van Oranje-Nassau; als regentes voor Johan Willem Friso (-1707) diens moeder Henriëtte Amalia van Anholt-Dessau.
    Het stadhouderschap van de meeste genoemden - vanaf 1620 enkel nog benoemd door de staten van de provincies - beperkt zich tot Stad en Lande, Friesland en (tot 1696) Drenthe. Groningen kent in deze eeuw formeel geen stadhouderloos tijdperk.

    • De stadhouders van Stad en Lande zijn in de eerste plaats ambtenaar. Zij hebben geen monarchale status. Een intrinsieke binding aan het gewest ontbreekt.
      De eigen beleidsvrijheid van de stadhouder geldt - mede als gevolg van de tegenstellingen tussen Stad en Ommelanden - vrijwel uitsluitend lagere benoemingen in de regimenten van het Staatse leger, die ter repartitie van Groningen komen (door het gewest Stad en Lande worden betaald). Voor het overige hanteren de stadhouders het systeem van vertrouwenspersonen, die bestuurders moeten overhalen tot het innemen van bepaalde standpunten. De opeenvolgende stadhouders hebben overigens maar weinig invloed op de Groningse leden van de Staten-Generaal.
    • De stadhouders Maurits, Frederik Hendrik en Willem II behoren tot het Huis Oranje-Nassau. Zij zijn, onder meer, ook stadhouder in Holland en Zeeland. De overige stadhouders zijn afkomstig uit het Huis Nassau-Dietz en worden meestal aangeduid als de 'Friese' stadhouders.
      De benoeming van een stadhouder in het gewest - en de keuze voor een 'Hollandse' of een 'Friese' stadhouder - is in deze eeuw onderwerp van intensieve onderhandelingen, waaraan ook de (soms zelfs concurrerende) kandidaten voor het ambt deelnemen.
    • Voor de stadhouders van Groningen, die domicilie houden in Den Haag of Leeuwarden, wordt het 'bisschoppelijk paleis' (het oude Fraterhuis) ingericht als Prinsenhof. In 1626 wordt de Prinsenhoftuin aangelegd.
    • Stadhouder Ernst Casimir sneuvelt in 1632 tijdens het beleg van Roermond door het Staatse leger; stadhouder Hendrik Casimir I in 1640 aan de gevolgen van opgelopen verwondingen bij een (mislukte) poging tot het veroveren van Hulst (Z).
      In 1628 overlijden, vrijwel tegelijkertijd, in Groningen twee jonge kinderen van stadhouder Ernst Casimir; in 1659 trouwt in de stad een dochter van Frederik Hendrik, tevens schoonzuster van stadhouder Willem Frederik.

    Omhoog
    139

    Gedurende de gehele 17e eeuw is sprake van forse tegenstellingen tussen de beide leden van de staten van het gewest. Gesproken wordt over 'landkrakelen' en over een verhouding als die van 'een quaet man en een quaet wijff'.
    Tegen het einde van de eeuw leiden deze tegenstellingen, dan nog verergerd door een economische depressie, zelfs tot regelrechte besluiteloosheid.
    De onmacht van de staten resulteert periodiek in onrust onder de bevolking van de stad.

    • Om de stagnerende besluitvorming in de staten te doorbreken wordt door de Staten-Generaal enkele malen overwogen in het gewest nog een derde lid op te nemen: de landschap Drenthe, dat binnen de Republiek geen volwaardige status bezit. (Drenthe telt plm. 20.000 inwoners. De Groningse afgevaardigden behartigen in voorkomend geval ook de Drentse belangen.)
      Groningen is tegen een dergelijk voorstel omdat de stad overstemd zou kunnen worden. De staten van Overijssel tekenen bezwaar aan, omdat zij Drenthe, als deel van het voormalige Oversticht, niet in een noordelijk gewest willen zien opgenomen. Zij beroepen zich daarbij op hun verdrag met Karel V uit 1528.
    • De tegenstellingen in de staten van Stad en Lande zijn niet uniek in de Republiek: ook in andere gewesten is ingrijpen van de Staten-Generaal of van een stadhouder nu en dan noodzakelijk.
    • De Ommelander leden van de staten vergaderen in het Ommelander huis (nu Schoolstraat 13).

    Omhoog
    140

    Een deel van de inwoners van Groningen behoort in de eerste helft van de 17e eeuw tot de categorie 'burgers', met alle rechten en plichten daaraan verbonden. Het burgerrecht is voorbehouden aan aanhangers van de gereformeerde religie.
    Voor het overige bestaat de stadsbevolking uit een bonte mengeling van inwoners zonder formele status. Bedelaars, landlopers en 'smousen' (zwervende joden) van elders worden zoveel mogelijk geweerd.

    • Het burenrecht is in 1597 vervallen. Vanaf 1666 wordt evenwel toch weer onderscheid gemaakt tussen 'grote' of 'volle' burgers en 'kleine' of 'gemene' burgers. Grootburgers hebben (tegen betaling van 75 gulden, tegenwoordig € 670) toegang tot de hoogste ambten, kleinburgers niet. Er zijn plm. 300 grootburgers. Zie ook par. 032.

    Omhoog
    141

    Na 1594 wordt de raad van Groningen als vanouds gekozen uit de oud-raden en de aanzienlijke burgers, verenigd in de 'gezworen meente' (bestaande uit 24 leden; er zijn drie woordvoerders: de taalmannen).
    Het College van burgemeesteren en raad (vier burgemeesters en 12 raadsheren) heeft de wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht in de stad en in de aan de stad onderhorige gebieden. Oud-raden vertegenwoordigen de stad in het provinciaal bestuur en in (niet altijd even populaire) landelijke functies, w.o. de Staten-Generaal (het zgn. 'staatgeneralen'). De meente heeft het recht van mede-raadpleging.

    • Een gevolg van de Reductie is wel dat in de personele bezetting van de te vergeven ambten een wijziging optreedt. Voormalig Spaansgezinden worden overigens niet volledig uit het stadsbestuur geweerd. Eenderde van de leden van de raad en de gezworen meente is ook al in functie tijdens de Spaanse bezetting. Vanaf 1641 geldt weer een vrije keur.

    Omhoog
    142

    In de loop van de eeuw betichten de gilden het stadsbestuur ervan zich niet voldoende sterk te maken voor de handhaving van het stapelrecht in de Ommelanden. Ook wordt de stadsregering nepotisme verweten.
    De raad (wel aangeduid als 'senatus sanctus') en de gezworen meente hebben in deze periode het karakter van een conservatieve en godsdienstig orthodoxe oligarchie. Overigens met een pragmatische inslag: de belangen van de stad zijn doorslaggevend.

    • Van 1657 - 1663 doen de gilden - door middel van opruiing van het gemene volk - enkele pogingen het bestuur van de stad over te nemen. In 1663 maakt stadhouder Willem Frederik gewapenderhand een einde aan de gildendemocratie. De raad krijgt het recht de leden van de gildebesturen te benoemen; de bestuursleden mogen niet tegelijkertijd ook raadsleden zijn. Het ambt van bouwmeester van de gilden wordt afgeschaft.
      Er is in deze periode ook sprake van gelegenheidscoalities van de gilden met de Ommelanden, waarmee - vanwege het stapelrecht - uiteraard geen echte gezamenlijke belangen bestaan.
    Een andere tegenstelling, die tussen de stad en de Oldambten, leidt in 1640 en 1650 tot ingrijpen van de Staten-Generaal. Het conflict gaat over de jurisdictie van de stad over de beide delen van het Oldambt. Het vindt een directe aanleiding in het graven van het Winschoterdiep en in de tol die de stad heft op de afvoer van turf door de stadskanalen.

    Omhoog
    143

    In 1670 sluit Groningen zich aan bij het Eeuwig Edict, een initiatief van de staten van Holland, waarbij het stadhouderschap in dat gewest wordt afgeschaft en de andere provincies wordt gevraagd de functie van militair bevelhebber onverenigbaar te verklaren met het stadhouderschap. De provincies benadrukken daarmee hun autonomie en spreken zich uit tegen een centraal gezag. Het Eeuwig Edict wordt - noodgedwongen - in 1672 evenwel al weer ingetrokken.

    Omhoog
    144

    Vanaf april 1672 wordt de Republiek der Verenigde Nederlanden vrijwel tegelijkertijd aangevallen door Frankrijk, Engeland, het bisdom Münster (1 juni) en het keurvorstendom Keulen. De Hollandse of - in het noorden en oosten - Tweede Münsterse oorlog is begonnen. Het bondgenootschap staat onder leiding van de Franse koning die op economische gronden alle gebieden ten zuiden van de Rijn ('de natuurlijke grens van Frankrijk') onder zijn invloedssfeer wil brengen. Ook het bisdom Münster heeft gebiedsaanspraken, o.m. in Westerwolde dat wereldlijk en de Ommelanden die kerkelijk tot het bisdom hadden behoord.

    • De generaliteitslanden in het zuiden, alsmede de landgewesten Gelderland, Utrecht en Overijssel (en ook Lingen) worden nog in het voorjaar, zonder noemenswaardig verzet, door Franse en/of Münsterse troepen veroverd. Ook Drenthe (Coevorden) en Westerwolde worden bezet. Friesland - beschermd door een waterlinie en door de stelling Heerenveen - wordt wel bedreigd, maar niet werkelijk aangevallen.
    • Het leger van de Republiek trekt zich terug op de (Oude) Hollandse Waterlinie (van Naarden tot Gorinchem). De staten van Overijssel, Gelre en Utrecht erkennen de Franse bezetting. In de Hollandse steden komt de bevolking in opstand tegen de defaitistische houding van de stadsbesturen die zich, tegen betaling, in meerderheid aan de Fransen zouden willen overgeven.
    • Raadpensionaris Johan de Witt van Holland, die zich altijd heeft verzet tegen de benoeming van een nieuwe stadhouder, neemt in augustus 1672 ontslag. Hij wordt - samen met zijn broer Cornelis - enkele weken later door een aantal burgers, leden van de Haagse schutterij, om het leven gebracht. Er is geen sprake van medeplichtigheid van de inmiddels tot stadhouder van Holland benoemde Willem III.
    • De situatie wordt goed geschetst door het bekende gezegde: 'de regering is radeloos, het volk redeloos en het land reddeloos'.
    144.1 De oorlog komt niet onverwacht. In de voorafgaande periode is er al sprake van een oorlog met Engeland om de heerschappij ter zee (Tweede Engelse oorlog, 1665-1667). Het conflict met Frankrijk ontstaat als de Republiek de Franse expansie in de Zuidelijke Nederlanden probeert tegen te gaan. In - wat wordt genoemd - de Eerste Münsterse oorlog (1665/1666) heeft de bisschop van Münster al eens een vergeefse poging gedaan ten behoeve van de Engelsen een bruggenhoofd bij Delfzijl te vestigen. Hij komt evenwel niet verder dan Winschoten, Foxhol en De Punt.
    • Het Niederstift Münster, dat sinds 1253 deel uitmaakt van het prinsbisdom, beslaat het huidige Emsland. Het grenst dus direct aan Westerwolde en Drenthe.

    Omhoog
    145

    Groningen ('de sleutel van de Friese tuin') wordt vanaf 21 juli 1672 belegerd door het leger van de prins-bisschop van Münster, Christoph Bernard von Galen, doorgaans Bommen Berend genoemd, ook in eigen land. Ook Keulse troepen zijn bij het beleg betrokken.
    De stad weerstaat het beleg onder leiding van de veldheer Carl von Rabenhaupt, baron van Sucha (1602 - 1675), die daartoe speciaal is aangetrokken. Tegen 17 augustus trekken de belegeraars zich terug na een vier weken durend artillerieduel. Groningen is 'ontzet', na 'constant' (standvastig) te zijn gebleven. Het land is 'behouden'. Joost van den Vondel (dan 85 jaar) dicht: 'O Groninge, uit het puin en asch en stof verrezen, vergeet de weldaet niet, die Godt u heeft bewezen'.

    • Zou Groningen zijn veroverd, dan zou ook (het noorden van) Friesland ernstig gevaar hebben gelopen en daarmee de handelsvaart op Amsterdam via de Zuiderzee.
    • In 1672 is in Groningen nog de Juliaanse kalender van kracht. Volgens de huidige - Gregoriaanse - kalender, ingevoerd in 1701, vindt de aftocht van Bommen Berend plaats tegen 28 augustus.
    145.1 De verdediging van Groningen, aanvankelijk met een troepenmacht van 2.000 man (en een 1.300-tal burgers), is geconcentreerd op de zuidelijke wallen waar 60 van de 200 stukken geschut zijn opgesteld. Onder meer het beroemde kanon 'Groote Griet'. Bij Noorderhoogebrug is een verdedigingsschans.
    De landerijen ten westen, ten noorden en ten oosten van de stad zijn geïnundeerd.
    • In het gewest Stad en Lande staat zo'n 45.000 ha land onder water, daaronder de linie Groningen - Delfzijl. In het westen sluit de linie in het Westerkwartier aan op de Friese waterlinie die doorloopt tot Kuinre. Groningen is voor een aanvaller feitelijk dus alleen te benaderen vanaf de Hondsrug. De bevoorrading van de stad via het Reitdiep blijft mogelijk, ook al komen uitvallen van de belegeraars tot Aduarderzijl. Tijdens het beleg worden nog plm. 3.000 soldaten uit Holland aangevoerd. Via het Damsterdiep is de stad ook vanuit Delfzijl nog bereikbaar
    De loopgraven van het bisschoppelijk leger reiken tot onder de wallen: Keulse troepen tussen Winschoterdiep en Oosterpoort, de Münstersen tussen Oosterpoort en Marnixpijpen. Beschietingen vinden o.m. plaats vanaf de Kempkensberg (in het huidige Sterrebos). De projectielen - gesproken wordt over zo'n 9.000 kanonschoten en 5.000 bommen (brandbommen, maar ook zgn. 'stinkpotten': een soort fragmentatiebommen die een vieze geur verspreiden en naderhand zelfs kleine zwerfkeien) - komen tot ter hoogte van de Martinikerk. Het zuiden van de stad loopt dan ook ernstige schade op. De bevolking is gevlucht naar het noordelijk deel. Het moreel blijft echter ongebroken, mede omdat er voldoende voedsel en munitie is. Onder de burgerij vallen minder dan 100 doden.
    • Het bombarderen van een stad is in de 17e eeuw een nieuwe aanvalstechniek, bedoeld om de bezetting door druk van binnenuit tot overgave te brengen. Tot dan wordt veelal volstaan met het beschieten van de vestingwerken om daarin vervolgens een bres te kunnen slaan.
    145.2 Bommen Berend breekt het beleg op als de helft van zijn 24.000 man tellend leger is gesneuveld (4.600 man), gevangen genomen, gedeserteerd (samen 5.500 man) of door ziekte niet meer in staat is te vechten (daarmee de kans lopend dat hen 'een kogel wordt gegeven').
    Ook maakt hij de tactische fout de artilleriebatterijen te zwaar te laden (om ze een groter bereik te geven). Ze raken daardoor nogal eens onklaar. De loopgraven tenslotte zijn door het aanhoudend slechte weer ondergelopen.
    • Het Münsterse leger voert ook in de rest van 1672 (en in beide volgende jaren) nog strijd in het noorden. In Reiderland, Westerwolde en Coevorden (in deze stad zelfs tweemaal) vindt het daarbij opnieuw Rabenhaupt op zijn weg. Het leger van Rabenhaupt lijdt een nederlaag bij Veldhausen in de Grafschaft Bentheim. Nog in maart 1674 wordt Groningen opnieuw aangevallen door Münsterse troepen.
      Uiteindelijk wordt de Republiek gered door het ingrijpen van de keurvorst van Brandenburg, van de Duitse keizer en van de koning van Spanje. De Engelsen worden door de Nederlandse vloot (onder aanvoering van Michiel de Ruyter) meermalen verslagen.
      In april 1674 wordt vrede gesloten met Münster, in 1678 met Frankrijk.
    • Groningens Ontzet is tot 1795 elk jaar gevierd. Na de Franse tijd wordt de herdenking in 1821 eenmalig weer opgevat. Sinds 1838 is 'de 28e' opnieuw een jaarlijkse feestdag.
    • De waterlinie Groningen - Delfzijl heeft formeel tot 1874 bestaan. In 1944/45 is het gebied op last van de Duitse bezetter nog eens geïnundeerd.

    Omhoog

    Ruimtelijke orde

    146

    Als na de Reductie blijkt dat de stad Groningen, naar de mening van de Staten-Generaal, onvoldoende wil bijdragen aan de geldmiddelen van de Republiek (uit protest tegen de gelijkwaardigheid van de Ommelanden in het gewest) en verdere samenwerking weigert, wordt, om meer druk te kunnen uitoefenen, in 1600 besloten tot de bouw van een kasteel (retranchement), gelegen voor de Oosterpoort, en tot de legering van een Staats garnizoen. De schutterij wordt ontwapend.
    In 1608 wordt ook het 'Statenkasteel' weer afgebroken.

    Omhoog
    147

    Tijdens het Twaalfjarig bestand in de Tachtigjarige oorlog (1609-1621), wordt op grond van de belangrijke strategische positie van Groningen, een begin gemaakt met een algehele modernisering van de verdedigingswerken.
    Gelijktijdig vindt - ter weerszijden van de benoorden de stad nog doorlopende Hondsrug - een grote uitleg plaats naar een ontwerp van Simon Stevin.
    Het geheel is omstreeks 1628 gereed. Groningen is dan een vestingstad geworden.

    • Een uitbreiding van de stad aan de zuidkant zou tot gevolg hebben gehad dat de afstand tussen de Kempkensberg, van waaraf Groningen kan worden beschoten, en de verdedigingswallen te gering zou zijn geworden.

    Omhoog
    148

    De vernieuwing en uitbreiding van de verdedigingswerken houdt in dat rond de gehele stad, over een afstand van zeven kilometer, een (nieuwe) 10 m. hoge aarden wal wordt aangelegd, op regelmatige afstanden onderbroken door in totaal 17 bastions, in Groningen dwingers genoemd, elk met een doorsnede van plm. 120 m. De - met iepen beplante - wallen tussen de dwingers heten courtines. Het geheel bewijst voor de eerste en enige maal dienst in 1672.

    • Gedeeltelijk valt de nieuwe wal samen met de oude. De Schuitenschuiversschans valt binnen de nieuwe vesting; de A-schans erbuiten (in 1621 wordt deze schans geslecht).
      In de meeste dwingers staan molens; sommige worden ook gebruikt voor bijzondere doeleinden, bijv. de opslag van munitie. De militaire terechtstellingen die plaatsvinden in de Jacobijnerdwinger (bij het einde van het huidige Oosterhamrikkanaal aan de Bloemsingel) verklaren de naam Galgendwinger.

    Omhoog
    149

    In 1695 worden de wallen nog eens verbreed en wordt, ruim voor de zuidelijke vestingwal, tussen Winschoterdiep en Hereweg, begonnen met het afgraven van de hoogten tussen Schuitendiep en Herepoort vanwaar Groningen eventueel beschoten zou kunnen worden. De moerassige strook die dan ontstaat wordt afgesloten met een tweede verdedigingsgracht: het Nijgraven diepje of Griffe. Het werk wordt in 1698 niet verder voortgezet.

    • De 'Griffelinie', voorzover gereedgekomen, volgt globaal de (zigzag)lijn Veemarktstraat - Palmslag - Parklaan - O. Stationsweg en verder naar het Hoornsediep. Het deel voorbij de O. Stationsweg is al in 1775 verland.

    Omhoog
    150

    Mede op grond van de ervaringen in 1672 wordt in 1688 de Kempkensberg (in het huidige Sterrebos) afgegraven. Tussen het (Oude) Winschoterdiep en het Hoornsediep, ongeveer een kilometer ten zuiden van de stad, wordt aan het eind van de eeuw (1698 - 1700), op advies van de vestingbouwkundige Menno van Coehoorn, een nieuw bolwerk aangelegd, de Linie van Helpman (ook wel: 'de nieuwe werken'). De linie telt drie bastions en twee redoutes.

    Omhoog
    151

    De uitleg ten noorden van de stad houdt in dat Groningen in eenmaal in omvang toeneemt met 70% van de oorspronkelijke oppervlakte. Inclusief de vestingwerken zelf beslaat de stad nu zo'n 200 ha, waarvan 64% is bebouwd.

    • In de 'nieuwe uitleg' ontstaan - temidden van een vrijwel rechthoekig stratenpatroon - vier pleinen: de Ossenmarkt op een oud rondeel voor de Boteringepoort, het Nieuwe Kerkhof (1623, het terrein is ook al als zodanig gebruikt in 1570), de Steenmarkt (bij de verbinding Schuitendiep/Boterdiep) en de Houtmarkt (na tien jaren al vervangen door de West-Indische scheepswerf).
      De plattegrond komt overeen met die van Christianshavn (Dk). Beide zijn ontworpen door Joh. Sems.
    Bij raadsbesluit van 1624 krijgen alle nieuwe straten een officiële naam.
    Bebouwing van het nieuwe stadsdeel vindt slechts zeer geleidelijk plaats. Nog in de 19e eeuw zijn er veel onbebouwde terreinen, veelal tuinen.
    • Vanuit de Ommelanden wordt in 1616 kritisch gereageerd op de plannen van de stadsregering. Men is van mening dat in het ontwerp 'de stad zo wijd geëxtendeerd is dat zij vermoedelijk niet gepopuleerd kan worden'. (De Ommelanden betalen mee aan de kosten van de nieuwe uitleg.)
    • Uit deze periode dateert ook de zeer gedetailleerde vogelvluchtkaart van Groningen van Egbert Haubois, of Hoeboess (1634, uitgegeven 1637). De meest bekende - door anderen bewerkte - editie is van 1652. De kaart geeft een uniek beeld van de opstand van de bebouwing.

    Omhoog
    152

    De oude binnengrachten, wallen, poorten en muren (muurtorens) van de middeleeuwse stad hebben nu hun functie verloren. Ze worden in de loop van de tijd gedempt (bijv. het goeddeels verlandde Mennersdiep) of afgebroken, behalve de Binnen A- en de Poelepoort en de Tibbetoren in de Hofstraat (36).

    • Restanten van de toren zijn nog aan te wijzen. 'Tibben' is het Groningse woord voor doopsgezinden, die er waarschijnlijk hun diensten houden.(Vgl. ook de naam Tybbengang voor de Uurwerkersgang.)
    In de nieuwe of vernieuwde wallen worden van 1615-1625 nieuwe poorten gebouwd (met het puin van de verwoeste abdij van Aduard): de Boteringepoort, de Ebbingepoort, de Steentilpoort, de Oosterpoort, de Herepoort, de Buiten-A-poort, de Kranepoort.
    Behalve de Marnixpijpen zijn er nu ook waterpoorten over het Damsterdiep, het Schuitendiep (de Visserspijpen) en de A (de Kranepijpen). De nieuwe Kranepijpen worden in 1635 al weer afgebroken. De poort belemmert het uitvaren van de W.I.C.- schepen.
    In deze periode ontstaan ook de 'driften', de doorbraken van de muurstraten naar het Lopendediep.

    Omhoog
    153

    De positie van de stad als middelpunt in een netwerk van kanalen (trekvaarten) en wegen wordt in deze eeuw nog versterkt.

    • Op de trekvaarten vindt beurtvaart plaats: bij toerbeurt onderhouden diensten - met vaste vertrektijden - van trekschuiten of snikken (de eerste in Nederland in 1622 op het Winschoterdiep). De schepen worden getrokken door scheepsjagers die gebruik maken van jaag- of trekpaden. Ook de hier en daar nog aanwezige rolpalen dateren uit deze periode. De gemiddelde snelheid van de trekschuit is 7 km/u.
      Er zijn ook (zeilende) beurtveren naar Hamburg, Bremen, Emden en Amsterdam.
    Rond 1600 wordt het Damsterdiep verbreed. In 1616 komt een betere verbinding met Hunsingo gereed door de al bestaande Cleysloot of Boterdiep tot in de stad door te trekken en een havenfunctie te geven. Daarbij wordt het zuidelijk deel van de Nije graft, dat nu binnen de wallen ligt, gedempt. Het nieuwe Boterdiep ligt meer westelijk. Het Selwerderdiep behoudt alleen buiten de stad nog een functie als afwateringskanaal. Het Boterdiep wordt om waterstaatkundige redenen slechts door middel van een pijp verbonden met het Schuitendiep.
    Het Hoendiep (de Hoensloot) - van Groningen naar De Poffert wordt eveneens verbeterd. In 1656 komt de trekvaart Groningen - Dokkum gereed.
    Het Schuitendiep, dat in 1632 vanaf de Steentilbrug Winschoterdiep gaat heten, wordt vanaf 1613 van Foxhol door het Sappe-meer tot in het Oldambt verlengd. In 1637 wordt Winschoten bereikt.
    De benedenloop van de Hunze (het Reitdiep), de open verbinding met de Noordzee, die een nogal kronkelend verloop heeft, wordt in 1625 bij Garnwerd (Reitdiepkanaal) en boven Oldehove rechtgetrokken. Bij Hekkum wordt in 1661 een bocht afgesneden.

    Omhoog
    154

    In de stad zelf wordt, ter plaatse van de vroegere dubbele gracht, van 1615-1637, van het Schuitendiep tot de A, het Kattendiep gegraven. Vanaf de Oosterstraat krijgt het al vrij snel de naam Zuiderdiep.
    De grote spilsluizen in het Lopendediep (tussen Boteringebrug en Ebbingebrug) en de kleine spilsluis in de A-haven (bezuiden de Visserbrug) komen in 1673 tot stand, mede uit militaire overwegingen (de mogelijkheid tot het stellen van inundaties ten noorden en oosten van de stad: in 1672 worden voor dat doel ter plaatse al dammen gelegd).
    Bij de Kranepoort is er overigens al in 1636 een verlaat dat het mogelijk maakt brak en zoet water te scheiden.

    Omhoog
    155

    Ook voor het wegverkeer treden veranderingen op. Van 1625-1650 worden langs Boterdiep, Damsterdiep, Winschoterdiep en Hoendiep vooralsnog ongeplaveide, hoogstens bepuinde, wegen (met wagensporen) aangelegd. De gemiddelde snelheid van een voertuig op een dergelijke weg is - in de zomer - plm. 6 km/u. In de winter zijn de wegen doorgaans geruime tijd onbegaanbaar. Om het gebruik ervan tegen te gaan worden danhinderpalen geplaatst.

    • Over een dergelijk wagenspoor (met na 1691 ook in de noordelijke en oostelijke gewesten de uniforme spoorbreedte van 1.28 m.) kan men bij wijze van voorbeeld in 1665 in 42 - 48 uur Amsterdam of Den Haag bereiken per postwagendienst of postkoets. In de praktijk duurt de reis uiteraard langer. De post zelf wordt ook wel vervoerd door postillons te paard. De vaste routes worden beheerd door postmeesters. De gereglementeerde brievenposterij vanuit Groningen dateert van 1629, die naar Groningen (vanuit Amsterdam) uit 1609.
    De oudere landwegen: de Stadsweg naar Oterdum - veer naar Oost-Friesland (vanaf Noorddijk richting Garmerwolde nog herkenbaar), de Wolddijk naar Bedum en de Hoge Hereweg (via Dorkwerd naar Aduard, Zuidhorn en verder naar Friesland) verliezen hun betekenis als doorgaande weg.
    • Oterdum: een dorp aan de Eems bezuiden Delfzijl, versterkte schans (1584); na 1969 afgebroken ten behoeve van industrievestiging.

    Omhoog
    156

    Binnen de oude stad is eveneens sprake van enkele nieuwe straten. De voornaamste daarvan is de Zwanestraat, in 1611 aangelegd over het terrein van het dan voormalige Minderbroederklooster. Een andere in 1600 de Walenstraat (het huidige Hoogstraatje).

    • Vanaf 1654 worden de grote vlinten die als bestrating dienen op o.m. de Grote Markt en de Vismarkt vervangen door kleine klinkers. Na 1661 worden alle hoofdstraten geplaveid.
      Sedert 1669 worden de riepen, bestemd voor voetgangers, van de eigenlijke rijbaan gescheiden door zerken palen.

    Omhoog
    157

    In de sfeer van de openbare voorzieningen is in de 17e eeuw nog sprake van de volgende ontwikkelingen.

    • De eerste plaatsing, in 1681, van 300 lantaarnpalen voor olielampen (zgn. 'Jan van der Heydenpalen', in 1670 in Amsterdam voor het eerst gebruikt), ter vervanging van het (verplicht) ophangen van lantaarns aan particuliere woningen (van november - april van 18.00-06.00 uur);
    • De aanleg van een 'drekstoep' bij de Griffe (terrein latere veemarkt). De drekstoep (1634) dient voor het overslaan van afval uit de stad op lege turfschuiten die het naar de Veenkoloniën vervoeren (waar het dient als compost); het huisvuil wordt vanaf 1654 vanwege de stad opgehaald aan de huizen (met door ratels aangekondigde wagens). Ook bij de Kranepoort ligt een drekstoep, evenals bij de Bloemstraat.
    • Het aanschaffen van een brandspuit (1671); tot dan worden branden geblust met emmertjes water; na 1625 zijn er - behalve open waterputten en dobben - ook pompen;
    • De aanleg van het Zuider(armen)kerkhof in 1648 (Ged. Zuiderdiep ter hoogte van het bioscoopcomplex). Het wordt in 1828 gesloten.

    Omhoog

    Bevolking

    158

    Het aantal inwoners van de stad Groningen is bij de aanvang van de 17e eeuw plm. 16.600, rond 1620 20.000; aan het eind van de eeuw zijn er ongeveer 23.000 stadjers. In het gewest Stad en Lande als geheel wonen plm. 96.000 mensen.

    • Een pestepidemie in 1624 heeft tot gevolg dat plm. 10% van de bevolking sterft; ook in 1603, 1635 en 1666 zijn er pestepidemieën. Die van 1666 zal de laatste blijken te zijn. Aan het eind van de eeuw komt de ziekte in Europa niet meer voor.
      Bij het beleg van Groningen in 1672 komen, zoals al vermeld, minder dan 100 burgers om.
      In dat jaar en in 1673 eist de cholera evenwel 3.600 doden (18 % van de bevolking). Een schurftepidemie treedt op in 1637. Een belangrijke doodsoorzaak voor jonge kinderen zijn in deze periode de pokken. Ook dysenterie is een gevreesde ziekte.
    Vanaf 1685 (herroeping van het Edict van Nantes) vestigen zich zo'n 1.200 - 1.600 gevluchte Franse Hugenoten in Groningen. Door de eeuwen heen kent de stad ook nogal wat migratie uit Duitsland, in de 17e eeuw o.m. als gevolg van het garnizoen dat in Groningen is gelegerd (in de winterperiode plm. 2.000 man). Gemiddeld is in de 17e eeuw 15 % van de stadjers die in Groningen een huwelijk sluiten afkomstig uit (het tegenwoordige) Duitsland, 14 % uit de Ommelanden, 7 % uit Friesland en Drenthe. Uit de rest van de Republiek en uit overig Europa in het begin van de eeuw 4 % en daarna 8 %. De overigen zijn in de stad zelf geboren. In de tweede helft van de eeuw heeft tot 10% van de bevolking een militaire achtergrond.
    • Militairen oefenen hun beroep met name uit in het zomerseizoen. Tot halverwege de eeuw trekken vrouwen en kinderen mee in de legertros. Naderhand blijven zij in de garnizoensplaats wonen, echter veelal zonder inkomen.

    Omhoog

    Religie en sociale zorg

    159

    In het Tractaat van Reductie is bepaald dat alle voorheen rooms-katholieke kerken, kloosters en andere kerkelijke bezittingen een bestemming moeten krijgen in de godsdienstige of sociale sfeer (ad pius usus).

    • Ook worden uit kerkelijke fondsen de tractementen van gereformeerde predikanten betaald, evenals de jaargelden voor gewezen 'papen' en nonnen die zich niet willen laten 'reformeren'.

    Omhoog
    160

    De St. Walburgkerk wordt niet meer als kerk in gebruik genomen: in 1594 is de loden dakbedekking gebruikt voor het gieten van kogels. In 1611 wordt het schip van de kerk afgebroken; in 1627 zijn ook de restanten van de kerk opgeruimd.

    • In 1627 komt de Martinitoren in zijn huidige verschijningsvorm (met spits) gereed; in 1664 het Hemony-carillon (35 klokken, nu 49) en in 1691 het Arp Schnitgerorgel in de Grote- of Martinikerk (de voormalige St. Maartenskerk).
    De A-toren - dan eveneens met een carillon - brandt in 1671 af na blikseminslag. De toren is in 1674 hersteld; het carillon is niet weer aangebracht. Het stadsbestuur (1628) en (dus) ook de Staten van de Ommelanden (1664) laten in de Martini- en in de A-kerk herengestoelten aanbrengen, in beide gevallen hoger gelegen dan de kansels.

    Omhoog
    161

    In het Franciscaner- of Minderbroederklooster wordt de Latijnse school ondergebracht. De Broerkerk wordt na 1614 Academiekerk. Het gebouw van de oude St. Maartensschool wordt in 1604 onderdeel van het Provinciehuis (ook dan al onder die naam bekend).
    Het Dominicaner- of Jacobijnerklooster krijgt een bestemming in de justitiële sfeer; vanaf 1621 wordt er een weeshuis gevestigd.
    De Jacobijnerkerk wordt in 1674 afgebroken, na sinds 1660 nog te hebben gediend als onderkomen voor het Diaconie-kinderhuis en als geschutgieterij.
    Het Franciscanessenklooster (het Olde Convent der Geestelijke Maagden) krijgt eveneens een bestemming als weeshuis. In het Vrouw Sijwen en het Vrouw Menoldaconvent tenslotte wordt in 1614 de nieuw gestichte Academie (met professorenwoningen) ondergebracht.

    • Buiten de stad verwerft het stadsbestuur het klooster Ter Apel met de daarbij behorende landerijen. Het klooster - Domus Novae Lucia - van de orde van het Heilig Kruis (Kruisheren), dateert uit 1464.

    Omhoog
    162

    Vanaf 1594 wordt uitsluitend de gereformeerde godsdienst door de overheid erkend als publieke religie.
    De erkenning houdt o.m. in dat alleen gereformeerden (in deze eeuw gemiddeld zo'n 15.000, kinderen inbegrepen) kunnen worden benoemd in bepaalde overheidsambten en dat alle huwelijken - ook die van andersdenkenden - in een gereformeerde kerk moeten worden afgekondigd (en aanvankelijk ook gesloten). Verder dienen allen die het burgerrecht willen verwerven de gereformeerde godsdienst te belijden.

    • In engere zin: de overheid heeft het collatierecht ten aanzien van de benoeming van predikanten (die worden voorgedragen door de kerkenraad), bepaalt en bekostigt de negen nederduits gereformeerde predikantsplaatsen, benoemt kerkvoogden en vaardigt voorschriften uit met betrekking tot de bediening van de sacramenten: H. Doop en H. Avondmaal. Het H. Avondmaal is voorbehouden aan de belijdende leden van de kerk; er zijn daarnaast ook 'liefhebbers'.
    Als gevolg van de nauwe verbondenheid met de gereformeerde kerk dienen het stadsbestuur en de Staten van het gewest bij tijd en wijle positie te kiezen in theologische en filosofische disputen, ook aan de Academie.

    Omhoog
    163

    Vanaf het tweede kwart van de 17e eeuw winnen binnen de gereformeerde gezindte aanhangers van de 'nadere reformatie' aan invloed. Deze 'piëtisten' roepen enerzijds op tot verdieping van het persoonlijk godsdienstig leven (het 'innige christendom') en anderzijds tot een totale 'heiliging' van alle terreinen des levens. Zij beijveren zich dan ook voor onder meer het weren van prostitutie, van dronkenschap, van kwakzalvers, van frivole activiteiten van komedianten, e.d.
    Dansscholen dienen te worden gesloten. Het St. Nicolaasfeest wordt gerekend tot de 'afgodische' feestdagen. De viering ervan, de 'St. Nicolaasvreugde', moet worden tegengegaan.
    Over de omvang van deze stroming in Groningen zijn geen nauwkeurige gegevens bekend, zij het dat de deelname aan het H. Avondmaal (alleen voor ware gelovigen), blijkens de collecteopbrengsten, in de loop der jaren aanzienlijk terugloopt. Via familierelaties is er ook een zekere invloed vanuit het Oldambt, waar een aantal predikanten tot de (vooraanstaande) aanhangers van het piëtisme mag worden gerekend. (Zie ook par. 173.)

    Omhoog
    164

    In 1664 komt op het Nieuwe Kerkhof de Nieuwe- of Noorderkerk gereed, de derde protestantse hoofdkerk in de stad en de eerste die als zodanig is gebouwd.
    Vanaf 1608 wordt in de gereformeerde kerk ook in het Frans gepreekt en vanaf 1672 (-1748) in het Hoogduits (voor Franse- c.q. Duitssprekende vreemdelingen, militairen en studenten). In de Broerkerk vinden van 1652-1812 diensten in het Nederduits plaats.
    In 1619 wordt de Eglise Wallonne gesticht.

    • De Waalse gemeente, volledig nevengeschikt aan de nederduits gereformeerde gemeente, houdt haar diensten eerst in de Broer-, later (1685) in de Pelstergasthuiskerk.

    Omhoog
    165

    De erkenning van staatswege van de gereformeerde religie houdt niet in dat geen persoonlijke vrijheid van godsdienst bestaat.
    Het houden van publieke erediensten van andere religies is tot in de tweede helft van de eeuw evenwel formeel niet toegestaan en het openlijk propageren van afwijkende godsdienstige inzichten evenmin.

    • Het aantal door het stadsbestuur toegelaten r.-k. priesters blijft beperkt. Het zijn er in de eerste decennia van de eeuw zes of zeven. Rond 1630 zijn er - op nog 8.000 rooms-katholieken - slechts vier priesters legaal in Groningen werkzaam. In 1640 is het aantal rooms-katholieken gedaald tot plm. 3.500; in 1656 tot plm. 2.000. Er zijn dan twee parochies (eigenlijk: staties).
      In 1615 vestigt de Dominicaner orde zich weer in Groningen, evenals de orde der Jezuïeten; in 1631 de orde der Augustijnen. Tussen de geestelijken bestaat enige onderlinge concurrentie.
    • De katholieken houden hun missen in schuilkerken in particuliere huizen in de Butjesstraat (1645), aan de Carolieweg (1658), in de O. Ebbingestraat (1658), in de Herestraat (1677), in de Guldenstraat (1684), in de Oosterstraat (Papengang, 1690) en achter het Hoge der A (1700). Kerkgebouwen van andere dan de beide gereformeerde gezindten mogen vanaf de straat niet als zodanig herkenbaar zijn.
      Periodiek, zeker in de eerste helft van de eeuw, is er sprake van actieve opsporing van illegaal in de stad verblijvende priesters. Zij worden doorgaans (evenals hun gastheren) beboet en verbannen.
    • De rooms-katholieken in de 'Hollandse missie' ressorteren onder een apostolisch vicaris, in Groningen vertegenwoordigd (sinds 1622) door een 'aartspriester', na verloop van tijd de pastoor van de St. Mariastatie aan de Guldenstraat, feitelijk een gewestelijk contactpersoon.

    Omhoog
    166

    Op vermoeden van het heimelijk op de hand zijn van de bisschop van Münster, wordt in 1667 (na de Eerste Münsterse oorlog) een algeheel verbod uitgevaardigd op de r-k. eredienst en wordt het aan rooms-katholieken strikt verboden overheids- en militaire functies te bekleden.
    Wel moeten zij - evenals de doopsgezinden en de gezinnen zonder mannelijk gezinshoofd - een extra belasting betalen voor de aankoop van wapens door het stadsbestuur.
    De voorbeeldige houding van de dissenters tijdens het beleg van Groningen in 1672 heeft tot gevolg dat in de laatste decennia van de eeuw het stadsbestuur een meer tolerante opstelling tegenover andersgelovigen gaat innemen. Mogelijk maakt echter ook de stagnerende economie de stadsregering toegeeflijker.

    Omhoog
    167

    Voor de doopsgezinden in Groningen geldt op den duur in hoofdzaak hetzelfde regime als ten aanzien van de rooms-katholieken. In 1616 wordt vrijstelling verkregen van het afleggen van de eed bij het aanvaarden van het burgerschap.
    De plm. 800 volwassen doopsgezinden zijn verdeeld in 'jonge -' en 'oude vlamingen' en 'waterlanders'. De groepen verschillen onderling in de mate van strengheid in de leer en in de mate van tucht waaraan zij zijn onderworpen.

    • In 1677 wordt door de orthodoxe 'Groninger oude vlamingen' (formeel nog weer een afsplitsing van de 'oude vlamingen') een huis aangekocht in de O. Boteringestraat. De 'waterlanders' en de 'jonge vlamingen' kerken vanaf 1700 gezamenlijk in de Pelsterstraat (nu percelen 31-35). In 1694 vestigt zich een groep, oorspronkelijk uit Zwitserland afkomstige, orthodoxe doopsgezinden in Groningen.
    Sinds 1617 komen in de stad ook luthersen 'van de onveranderde Augsburgse confessie' bijeen. De aanwezigheid van uit Duitsland afkomstige militairen, en van kooplieden en vluchtelingen, is daaraan niet vreemd. In 1643 wordt een lutherse gemeente gesticht. Het aantal leden met een militaire achtergrond bedraagt 75 %. Vanaf 1672 (formeel in 1685) krijgen zij vrijheid van vereniging en vergadering.
    • De Luthersen houden hun diensten onder meer in een gebouw aan de Kostersgang. In 1696 komt de Lutherse kerk in de Haddingestraat gereed. Ook deze kerk is, evenals de doopsgezinde en de rooms-katholieke, een schuilkerk. Er wordt in het Hoogduits en in het Nederduits gepreekt.

    Omhoog
    168

    In 1661 krijgen opnieuw Joden toestemming in de stad te wonen; vanaf 1689 geldt een generale toestemming. Aan het eind van de eeuw wonen in Groningen 50 Joden. Het bouwen van een synagoge wordt echter niet toegestaan.

    • Joden zijn in deze periode nog uitsluitend werkzaam als handelaar in vee en vlees, als houder van een bank van lening of als handelaar in ongeregelde goederen. Een klein deel van de Joden in het gewest Stad en Lande raakt verzeild in de criminaliteit, w.o. de roversbenden die vooral het platteland onveilig maken.
    Het toelaten van steeds meer Joden ontlokt meer dan eens een protest aan de provinciale synode van de gereformeerde kerken, die o.a. spreekt van Joden als 'schadelijke pesten' (naar Ps. 91:3). Antisemitisme is de protestanten (calvinisten) niet volledig vreemd. Van de kerkhervormer Luther is een antisemitisch tractaat bekend.

    Omhoog
    169

    In de 17e eeuw worden de volgende gasthuizen gesticht, nu ook voor ouderen die niet arm of gebrekkig zijn.

    • 1604  Aduardergasthuis, in een deel van het refugium van het voormalig Aduarder klooster aan de Munnekeholm;
    • 1620 (-1836) Jan van Dulmen's Convent (Kleine Butjesstraat)
    • 1621 Lamme Huiningegasthuis (A-Kerkstraat);
    • 1621 (-1690) Geessien Egbertsgasthuis (Hoekstraat), samengevoegd met het Armhuiszittend Convent.
    • 1622 (-1806) Bavingegasthuis (De Laan, daarna tot 1832 aan de Kuipersplaats);
    • 1625 (-1953) Scheuningsgasthuis (Prinsenstraat);
    • 1632 (-1982) Anna Varwersgasthuis (Nieuwe Kijk in 't Jatstraat);
    • 1636 (-1978) r.-k. Latteringegasthuis (De Laan, 1857 Visserstraat);
    • 1646 Zeylsgasthuis (Visserstraat);
    • 1661 Enensgasthuis opgenomen in Armhuiszittend Convent.
    • 1665 (-1769) Marchie Emmengasthuis (Kleine Kromme Elleboog)
    • 1666 Juffer Tette Alberdagasthuis (Nieuwe Kerkhof);
    • 1673 het Lammehuiningegasthuis wordt samengevoegd met het Armenconvent en het Armhuiszittend Convent;
    • 1675 (-1956) Vrouw Franssens- of Geertjen Schiltsgasthuis (Battengang);
    • 1676 (-1909) r.-k. (Klein) Cremersgasthuis (Schuitemakersstraat);
    Het pesthuis (in het St. Anthonygasthuis) wordt in 1644 verplaatst naar een van de dwingers.

    Omhoog
    170

    In deze eeuw worden ook enkele weeshuizen opgericht. De weeshuizen staan bekend onder de naam van de kleur van de kleding van de opgenomen weeskinderen (in totaal plm. 450). Weeskinderen zijn ten minste zeven jaar; onder hen relatief veel kinderen van elders dienstdoende militairen waarvan de moeder is overleden.

    • 1621  het Groene of Diaconieweeshuis voor niet-burgerkinderen in het voormalige Dominicaner klooster;
    • 1639  het Diaconiekinderhuis of Blauwe weeshuis in de Popkenstraat (in 1673 samengevoegd met het Groene weeshuis tot het Groen-blauwe of Arme kinderweeshuis).
    • In 1599 was al een weeshuis voor kinderen van (voornamelijk) kleinburgers gesticht in het voormalige Franciscanessenklooster: het Rode- of Burgerweeshuis.

    Omhoog
    171

    In het begin van de 17e eeuw telt de stad 3.000 armen (15 % van het aantal inwoners) die leven 'van de bedeling', uitgevoerd door de gereformeerde diaconie onder toezicht van het stadsbestuur. Aan hen wordt roggebrood, boter en turf uitgereikt (vanuit het gelijknamige huisje bij de Martinikerk), evenals in voorkomend geval bijvoorbeeld schoolgeld of de kosten van een begrafenis. Aan het eind van de eeuw is het aantal armen afgenomen tot plm. 1.500 personen. Onder hen vooral weeskinderen, soldatenvrouwen en ouderen. De omschrijving van het begrip 'arm' wil nog wel eens wisselen.
    Gewone armen kunnen worden tewerkgesteld in werkhuizen voor het verrichten van eenvoudig handwerk, waarvan er in deze eeuw enkele worden opgericht en ook weer gesloten. De meeste armen zijn echter huiszittend.

    • De wekelijkse uitkeringen aan de bedeelden worden voorgeschoten door de afzonderlijke diakenen. Verrekening ervan door de archidiaken (boekhouder) stuit met regelmaat op een gebrek aan liquide middelen, onder meer omdat voor de verzorging van achtergebleven soldatenvrouwen in beginsel het gewest verantwoordelijk is.
      Inkomsten verkrijgt de diaconie onder meer uit een tweewekelijkse collecte huis-aan-huis, uit legaten en uit loterijen. De gereformeerde diaconie is in het begin van de eeuw ook verantwoordelijk voor armen uit de andere denominaties. Aan het eind van de eeuw worden aan de 'getolereerde kerken' eigen diaconale voorzieningen toegestaan.
    • Het stichten of besturen van instituties als gast- en weeshuizen en het uitoefenen van functies in de diaconie geschiedt vanuit een zekere 'bekommernis' om het lot van betrokkenen. Het draagt echter ook bij aan de status van de bestuurders.

    Omhoog

    Onderwijs

    172

    Aan het onderwijs wordt na de Reductie veel zorg besteed. Het dient mede als middel tot protestantisering van de samenleving. Al in 1594 wordt een officiële Latijnse school opgericht onder het rectoraat van Ubbo Emmius (1547- 1625), tot dan rector van een dergelijke school in Leer. De Martinischool (eerder de St. Maartensschool) en de A-school behoren nu tot de zgn. 'Duitse' scholen, particuliere scholen waarin de nadruk ligt op het lezen en schrijven in het Nederduits.

    • Ubbo Emmius is ook de auteur van het eerste, in 1597 in Groningen gedrukte boek: 'De leer van David Joris' (een bekend sacramentariër, leider van de Davidjoristen) en van het geschiedwerk 'Rerum Frisicarum Historia' (1616).

    172.1 Op 14 juli 1614 wordt - mede op aandringen van stadhouder Willem Lodewijk - in Groningen door de staten van Stad en Lande de 'Academia Groningae et Omlandiae' gesticht, in de stad kortweg de Academie genoemd. De provinciale hogeschool is mede bestemd voor Oost-Friesland. Eerste rector wordt Ubbo Emmius.
    In 1618 wordt Franciscus Gomarus (1563-1641) benoemd tot hoogleraar in de theologische faculteit. Andere faculteiten zijn de juridische en de medische. Een letterenfaculteit biedt, voorafgaand aan genoemde studies, algemeen vormend onderwijs. De juridische faculteit is feitelijk al gesticht in 1596.
    • Franciscus Gomarus is een aanhanger van de Calvinistische leer der predestinatie: de voorbeschikking door God voor wat betreft het zielenheil van de individuele mens. Zijn tegenstanders zijn de volgelingen van Jacobus Arminius (1560-1609), die een ruimere opvatting zijn toegedaan en naar de overheid tevens het recht op vrijheid van meningsuiting benadrukken. Het theologisch dispuut tussen 'preciezen' en 'rekkelijken' leidt onder meer tot de Dordtse synode (1618/1619), waar het gedachtegoed van de arminianen wordt verworpen.
    De Academie is vooral bedoeld voor de opleiding van nieuw juridisch en godsdienstig kader. Zij stoelt op de traditie van de Aduarder kring.
    De Academiebibliotheek wordt in 1622 uitgebreid door de overdracht van de librije van de Martinikerk.
    De 'kruidtuin' of Hortus Botanicus is vanaf 1626 aangelegd door de (latere) hoogleraar Henricus Munting en door hem in 1642 overgedragen aan de Academie.
    De gehele 17e eeuw zal het - Latijnstalige - onderwijs aan de Hogeschool volledig gebaseerd zijn op de klassieken en op de Bijbel. Empirisch onderzoek wordt niet gedaan.
    • Het wapen van de Hogeschool toont een opengeslagen Bijbel met de tekst 'Verbum Domini Lucerna Pedibus Nostris' (Uw woord is een lamp voor mijn voet, naar Ps. 119: 105).
    In de loop der jaren telt de hogeschool een relatief groot aantal uit Duitsland afkomstige hoogleraren. Ook het aantal Duitse studenten is opmerkenswaard: gemiddeld eenderde tot de helft van de studentenpopulatie (aan het eind van de eeuw plm. 450). De stad afficheert zich bij de werving van studenten, naar een tekst van Ubbo Emmius, als bekoorlijk gelegen, met een zuivere en heilzame lucht, een overvloed aan voedsel en passende huisvesting.
    De studenten aan de Academie, de medewerkers en deels hun gezinnen zijn 'academieburgers' en vallen niet onder de rechtsmacht van de stad.

    Omhoog

    Cultuur

    173

    In de 17e en 18e eeuw zijn in de stad nog maar nauwelijks kunstzinnige uitingen waar te nemen, die niet op enigerlei wijze zijn gebonden aan godsdienst of religie.
    Het culturele klimaat valt te karakteriseren als provinciaals, beperkt en weinig gevarieerd. Van de (stad-) Groninger kunstenaars is er niet een van wie de naam nog in bredere kring bekend is.

    • De dichteres Sibylle van Griethuijsen wordt (1655) genoemd als lid van een letterkundige kring op het huis Nijenborgh buiten de Boteringepoort. Regionaal bekend is ook de schilder Herman Collenius (1650 - 1723). De Groningse schilder Albert Eckhout is rond 1640 werkzaam voor gouverneur Johan Maurits van Nassau in Nieuw Holland (Brazilië). Van de oorspronkelijk uit Groningen afkomstige en daar van 1659-1669 ook werkzame Adam Camerarius zijn verder geen gegevens bekend.
    In 1647 wordt een boekverkoperscollege opgericht als onderdeel van het kremersgilde; in 1689 het Stads Collegium Musicum, dat zal bestaan tot 1771.
    Het stadsbestuur verbiedt - voor het eerst in 1640, maar ook nog in de 18e eeuw - op aandringen van de gereformeerde kerkenraad, nu en dan het uitvoeren van 'ijdele kluchten' en toneelvoorstellingen, die vervolgens buiten de stad plaatsvinden (in Zuidwolde). Bezoekers wordt evenwel niets in de weg gelegd. Er wordt niet steeds op de protesten van de kerkenraad ingegaan. Een deel van de opbrengsten is trouwens voor de diaconie.

    Omhoog

    Justitie en politie

    174

    Na de Reductie van 1594 blijven de Ooster- en de Westerwarf bestaan; hun betekenis is echter nog maar gering. In de stad wordt de rechterlijke macht uitgeoefend door burgemeesters en raad.
    Vanaf 1623 vindt de rechtspleging in civiele zaken in eerste aanleg plaats door het nedergericht. Het volle gericht behandelt civiele en strafzaken; het treedt ook op als beroepsinstantie. De uitspraken in strafzittingen vinden plaats voor de 'volle raad'.
    Het in Groningen gesproken recht blijft gebaseerd op het Stadboek en het Oldermansboek (zie par. 091).
    De Hoofdmannenkamer (na 1601 de Provinciale Kamer van Justitie genoemd) is bevoegd in zaken waarbij inwoners van beide delen van het gewest zijn betrokken.

    • De rechtsmacht van de stad strekt zich uiteraard mede uit over de onder jurisdictie van de stad staande delen van het gewest en over Westerwolde. Sinds 1633 is er ook een - van het gericht van Selwerd afgescheiden - rechtstoel van Sappemeer (voor de Veenkoloniën). Van weer andere plaatsen en streken wordt de rechtsmacht door de stad gekocht (Westerkwartier, Appingedam).

    Omhoog
    175

    Vanaf 1609 functioneert in het voormalige Jacobijnerklooster een (provinciaal) tuchthuis; in 1664 wordt een nieuw burgerlijk en militair huis van bewaring gebouwd: het spin- en rasphuis aan de Spinhuisstraat (nu Zoutstraat).
    Een gevangenis staat sinds 1660 aan de Popkenstraat: het Pontje, naar de toenmalige straatnaam Pontjesstraat (eigenlijk Pondjesstraat: in het gebouw is ook het ijkkantoor gevestigd; de ijkwerkzaamheden worden door de gevangenen uitgevoerd).

    • Spin- en breijdhuizen voor vrouwen en rasphuizen voor mannen zijn in Groningen tucht- of werkhuizen ('verbeterhuizen'), bestemd voor wetsovertreders, w.o. 'stoute bedelaars'.
      Tijdgenoot Ubbo Emmius noemt in 1609 deze huizen een 'gevangenis voor losbollen en werklozen, zwervers', mede 'ter bestraffing van buitensporige slechtheid en ledigheid'. Bovendien zijn er mensen opgesloten 'die zich niet laten dwingen op het pad van gehoorzaamheid en plichtsbetrachting'. Rasphuizen: hout van de Brazilboom, geraspt tot pigmentpoeder, is de grondstof voor de bereiding van verf. Ook wordt er tufsteen fijngestampt tot cement.
    • Als gevangenis dienen eerder al de kelder van het Raadhuis (het Schomakersgat), de zolder (het Rozendaal) en diverse poortgebouwen.

    Omhoog
    176

    Het aantal vendels van de schutterij (de burgerwacht of het burgerlijk regiment genoemd) is 12 (in 1633), met elk een bezetting van 365 man; in 1657 zijn er 18 vendels.

    • In 1681 wordt als nachtwacht ter vervanging van de tot dan functionerende 'hoornwacht' de 'ratelwacht' ingesteld; de zgn 'roderoeden' treden op tegen bedelaars en landlopers. Beide zijn vormen van politiezorg.
    De 'politie' is o.m. ook belast met het toezicht op de naleving van het zgn. 'ruimstraatklokje' (klokje van gehoorzaamheid, ook wel 'bierklokje'). In de winter om 20.00 uur, in de zomer om 21.00 uur dienen de herbergen te sluiten, nadat 'ruim straat is geluid.' In de nacht dienen de Groningers binnen te blijven. Ook de stadspoorten worden 's nachts gesloten.

    Omhoog

    Economische ontwikkelingen

    177

    Tot halverwege de 17e eeuw (uitgezonderd de periode 1621-1628) is er in Nederland sprake van economische expansie. Daarna, in de jaren 1680-1690, zet een malaise-periode in die tot plm. 1750 duurt.
    De expansie wordt in de noordelijke contreien nog bevorderd door de aankoop (door de stadsregering) en ontginning van uitgestrekte veengebieden (Foxhol, Kropswolde, Kiel-Windeweer, Lula, Sappemeer en verder richting Winschoten).

    • Delen van de veengebieden zijn tot 1595 in het bezit van de kloosters die op beperkte schaal al eeuwenlang veen ontginnen. In genoemd jaar vindt confiscatie plaats.
    Na de vervening en na een verplichte vermenging van de grond met compost (via Groningen tot uit Holland aangevoerd: de mestvaart) ontstaan uitgestrekte landbouwgebieden met agrarische nederzettingen. De landbouwgronden worden vanaf 1624 verpacht aan 'stadsmeiers'. Aan het eind van de eeuw is sprake van de teelt van aardappelen. (De aardappel - oorspronkelijk afkomstig uit de Andes - is door doopsgezinde immigranten uit Zwitserland geïntroduceerd.)
    De stad bevordert het ontstaan van echte kernen (bv. Sappemeer, Oude Pekela, later - 1765 - ook Stadskanaal) door het stichten van kerken en scholen en door het bieden van financiële faciliteiten.
    • De eigenlijke vervening gebeurt door 'compagnieën', bv. de Tripscompagnie, de Borgercompagnie (burgers uit de stad), de Ommelandercompagnie.
    Op de afvoer van turf door de vanwege de stad gegraven kanalen (rond 1640 bijvoorbeeld het Kieldiep), die alle ook nog op Groningen zijn gericht, wordt door de stad belasting geheven. Feitelijk is er een turfstapelmarkt.
    Op initiatief van private eigenaren worden ook veengebieden ontgonnen in Vredewold (De Leek e.o.) De afvoer van turf uit dit gebied vindt eveneens plaats via Groningen.
    • Turf is ook in deze eeuw de belangrijkste energiedrager, met name voor de nijverheid.
    • Gedurende de hele eeuw worden door de stad besluiten genomen over bedijking en inpoldering van delen van het Dollardgebied. In 1696 wordt de Kroonpolder ingepolderd.
    • Groningen bezit in deze periode verder nog plm. 1.200 ha land in de Ommelanden, veelal afkomstig van voormalige kloosterboerderijen, onder meer in de Trimunter Venen bij Marum.

    Omhoog
    178

    Het stapelrecht blijft in deze eeuw beperkt tot 'oude' landbouwprodukten; het geldt niet voor nieuwe producten als koolzaad, vlas en hennep. Ook 'uitlandse' producten vallen - als eerder aangegeven - er niet onder.
    Met enige regelmaat dringen de gilden bij het stadsbestuur aan op handhaving van het stapelrecht.

    Omhoog
    179

    Groningen is en blijft een handelsstad (in de 17e eeuw bloeit vooral ook de lakenhandel) met daarnaast een verzorgende functie voor de Ommelanden in ruime zin.

    • De stad telt in 1662 bijvoorbeeld 12 pottenbakkerijen, 15 boekdrukkerijen en een zoutziederij (aan de Noorderhaven, 1658). Na de Reductie zijn er niet minder dan 80 bierbrouwerijen.
    In 1665 wordt een weekmarkt ingesteld op dinsdag en vrijdag. Sinds 1681 functioneert een korenbeurs (in de open lucht op de Korenriepe van de Grote Markt).
    De veemarkten worden nu voor een deel op de Ossenmarkt gehouden.
    Ook worden burger- en gildenrechten toegekend aan handwerkslieden uit den vreemde. De vrijmarkt in september blijft gehandhaafd.
    De handels- en verzorgende functie van de stad wordt nog ondersteund door de vestiging van de bestuursdienst en van de rechterlijke macht (beide ook ten dienste van de Ommelanden), door de aanwezigheid van de hogeschool en van een garnizoen.
    • In 1692 wordt de eigen muntslag - die dateert uit plm. 1370 - definitief beëindigd en wordt ook het provinciaal munthuis gesloten. Sinds 1649 is de muntslag al aangepast aan die van de andere gewesten in de Republiek. Overigens is pas sinds 1673 het slaan van munten een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de beide delen van Stad en Lande.
    • De kern van het muntstelsel in de Nederlanden is de zilveren Statengulden. (In 1521 is de zilveren Carolusgulden - naar Karel V - de eerste gezamenlijke munt.) De Groninger munten blijven nog tot 1848 wettig betaalmiddel.

    Omhoog
    180

    Vanaf 1621 wordt door Stad en Lande en door Friesland gezamenlijk voor 1/9e deel deelgenomen aan de West-Indische Compagnie. In Groningen wordt een W.I.C.-kamer gevestigd (in het zgn. West-Indische huis aan de Munnekeholm; de West-Indische scheepswerf is aan de Noorderhaven, de huidige Werfstraat).
    Deze deelname - oorspronkelijk bedoeld om op gelijke voet te komen met Holland - leidt echter niet tot een wijziging van de economische positie van de stad binnen de Republiek. Die positie blijft vooral bepaald door het agrarische karakter van het gewest.
    In de Verenigde Oostindische Compagnie hebben Stad en Lande slechts een bewindhebbersplaats in de Kamer voor Zeeland.

    • De West-Indische Compagnie heeft zich in de loop van haar - weinig florissante - bestaan vooral toegelegd op handel, kaapvaart en slavenhandel in Brazilie, de Carïbische eilanden, Suriname en de Westafrikaanse kust (de bocht van Guinee).
      In 1628 ontvangt ook Groningen een deel van de buit van de door admiraal Piet Heyn veroverde Spaanse zilvervloot (t.w. 14.500 pond zilver, ter waarde van - destijds - plm. 1 miljoen gulden, nu plm. € 120.000).
      Vanaf het eind van de 17e eeuw worden de door Groningen uitgezonden schepen niet meer geëquipeerd in de stad, maar in Amsterdam, waarheen zij ook terugkeren. De band met Groningen is dan uitsluitend nog een administratieve.

    Omhoog
    181

    Ook in de 17e eeuw doen zich in het gewest Groningen natuurrampen voor. In 1623, 1629 en 1630 is er voedselschaarste, in 1610, 1625, 1634, 1643, 1686 en 1691 zijn er overstromingen. De St. Maartens- of Martinusvloed (ook Groningervloed) in 1686 eist bijna 1.600 doden: de dorpen Termunten, Termunterzijl en Pieterburen worden weggevaagd. De stad Groningen ligt als op 'een kaap in zee'.
    In 1687 woedt een veenbrand in het gebied tussen Sappemeer en de Pekela's.

    Omhoog

    << Vorige hoofdstuk Index Volgende hoofdstuk>>

    © 1998, 2010 Kor Feringa, in samenwerking met Grunn.nl