• Menu
  • Historie
     
    Email ons!
     
  • GRUNN.NL: Stadshistorie
  • 16e eeuw (tot de Reductie)

    Politiek en bestuur

    096

    De strijd tussen Groningen en Albrecht van Saksen wordt niet in het voordeel van de stad beslist.
    In 1501 wordt een Gronings (huurlingen)leger bij een aanval op Appingedam - bedoeld om de handelspositie van de stad in de Ommelanden veilig te stellen - verslagen. Het aantal doden zou 2-3.000 hebben bedragen. Na o.m. een hernieuwde belegering van de stad en een periode van hongersnood wordt in 1503 een kortdurend bestand gesloten. In 1505 wordt Groningen echter weer een jaar lang belegerd.
    Uiteindelijk komt de stad met graaf Edzard van Cirksena, heer van Oost-Friesland (1462-1528), in 1506 bij verdrag overeen dat laatstgenoemde Groningen in naam van het Duitse rijk zal 'bewaren'.
    De stad staat het feitelijk gezag over de Ommelanden af, maar behoudt voor het overige al zijn rechten en vrijheden. Wel wordt het stapelrecht enigszins versoepeld.
    Over het sluiten van het verdrag vindt geen overleg plaats met de formele landsheer van de stad, de bisschop van Utrecht.

    • Edzard van Oost-Friesland - die verwant is aan een Ommelander hoofdelingengeslacht en al eerder bij de gebeurtenissen in de Ommelanden is betrokken - ontpopt zich als bondgenoot van Albrecht van Saksen in de Ommelanden en dus als tegenstrever van de stad. Aanvankelijk accepteert hij een stadhouderschap van Groningen en de Ommelanden namens George van Saksen (de opvolger van Albrecht van Saksen die bij Groningen dodelijk gewond is geraakt). Hij streeft echter ook eigen ambities na (een 'Groot-Fries rijk') en raakt op grond daarvan in conflict met zijn aanvankelijke medestander.
    • Rechtstreekse onderhandelingen van het stadsbestuur over een verdrag met George van Saksen stuiten af op diens weigering de rechten van Groningen in de Ommelanden te erkennen. Edzard van Oost-Friesland wordt overigens door de stad als meer 'eigen' gezien dan de Saksische hertog (de Saksische 'plucker').
    • George van Saksen: ook wel Joris (met de baard).

    Omhoog
    097

    Het verdrag met graaf Edzard heeft tot gevolg dat de bisschop van Utrecht en George van Saksen, de laatste op grond van de hem toegekende rechten in de Friese landen (w.o. de Ommelanden en de stad Groningen), zich nu tot keizer Maximiliaan wenden om een oordeel te vragen over de positie van beide gebieden. De keizer legt het geschil voor aan het Reichskammergericht, sinds 1495 de benaming van het hoogste gerechtshof in het Duitse rijk.

    Omhoog
    098

    In 1514 honoreert het gerecht de aanspraken van George van Saksen op de Ommelanden. George van Saksen valt daarop het gebied binnen, verovert met harde hand Appingedam (ten koste van 1.100 doden) en bedreigt ook weer de stad Groningen. In reactie daarop besluit de stad de relatie met Edzard van Oost-Friesland te verbreken en zich onder bescherming te stellen van Karel van Egmond , hertog van Gelre.

    • Karel van Gelre voert in een reeks zgn. Gelderse oorlogen strijd voor een blijvende gewestelijke autonomie in het 'Nederlandse' deel van het Duitse rijk, c.q. hij verzet zich tegen de aanspraken van Holland en Zeeland - die onder direct gezag staan van het Bourgondische, c.q. Habsburgse huis - op de overige gewesten. Hij heeft daarbij de steun van de koning van Frankrijk. Met Karel van Gelre zijn ook verbonden de befaamde en beruchte 'Grutte (Grote) Pier' en zijn 'bende van de Zwarte Hoop'.
    • Graaf Edzard is in 1515 ook feitelijk niet meer in staat de stad Groningen te beschermen als tegelijkertijd zijn thuisbasis Oost-Friesland wordt binnengevallen en vrijwel geheel veroverd door George van Saksen en door de vorsten van Brunswijk en Oldenburg die daarmee een toegang tot de zee willen forceren.

    Bij de overeenkomst met Karel van Gelre blijven de rechten van de stad op het Gorecht (met Selwerd) gehandhaafd; van die op de Ommelanden (en die op Oostergo en Westergo) wordt afstand gedaan. Wel wordt bepaald dat de Stad en de Ommelanden 'eeuwig' verbonden zullen blijven. Het stapelrecht en het biermonopolie blijven bestaan. De stad wordt ook het bestuurscentrum voor de Ommelanden. Groningen verkrijgt overigens het recht om het verdrag met Karel van Gelre desgewenst weer op te zeggen.
    • De macht van de stad over Westerwolde is al in 1498 weer overgegaan naar de bisschop van Münster, aan wie het gebied van oudsher toebehoort.

    Omhoog
    099

    In 1515 reeds draagt George van Saksen uit financiële overwegingen zijn rechten op de Friese landen, die hij niet blijvend heeft kunnen onderwerpen, voor 100.000 Rijnlandse guldens weer over aan de Duitse keizer, inmiddels Karel V (uit het Habsburgse huis).
    De strijd om de daadwerkelijke macht in de oostelijke en noordelijke gewesten tussen Karel van Gelre en Karel V eindigt vervolgens in een overwinning voor de laatste.

    • Als de bisschop van Utrecht, Hendrik II van Beieren, in 1527 niet in staat is een schadevergoeding te betalen in ruil voor het opgeven van de Gelderse bezetting van een aantal plaatsen in Overijssel, trekt Karel van Gelre de bisschopsstad Utrecht binnen. Karel V wil vervolgens Utrecht ontzetten op voorwaarde dat de prinsbisschop bereid is de temporaliteit, het (fictief) wereldlijk gezag over het Nedersticht, het Oversticht en de stad Groningen terug te geven aan de keizer. (De overdracht is voor wat betreft het Oversticht vastgelegd in het Verdrag van Dordrecht, 1527).
    • Aan Groningse zijde wordt de gezagsrelatie met de bisschop overigens al vanaf 1514 niet meer erkend.
    • Op grond van het Verdrag van Gorinchem (1528) tussen de koningen van Engeland en Frankrijk, de Duitse keizer en de hertog van Gelre, behoudt Karel van Gelre vervolgens nog zijn bestaande rechten in o.m. Groningen, maar verkrijgt de Duitse keizer het recht van erfopvolging.

    Omhoog
    100

    Als stadhouder van Karel van Gelre in Groningen treedt o.m. op Jasper van Marwijck (1522-1530).

    • Met zijn impliciete steun, bedoeld om tweedracht te zaaien tussen het stadsbestuur en burgerij om zodoende de eigen positie te versterken, is er - in 1525 - sprake van een tijdelijke overname van het stadsbestuur door de gilden. Deze verzetten zich tegen de hoge accijnzen die worden opgelegd en verdenken de raadsheren van corruptie (door jaargelden van de landsheer aan te nemen).
      Gildeleden maken in het vervolg blijvend deel uit van de gemene meente, zodat een zekere democratisering van het stadsbestuur plaatsvindt, zij het dat in sommige gevallen het gevaar van incompetentie dreigt.

    Omhoog
    101

    De verhouding tussen de stad Groningen en de hertog van Gelre verslechtert als de landsheer alsnog een burcht in de stad wil bouwen en Groningen wordt aangesproken op de financiering van zijn veldtochten. Ook treedt de landsheer niet op tegen zijn legeraanvoerders die - tegen de zin van Groningen - in Appingedam en Delfzijl verdedigingswerken oprichten.
    Bovendien biedt Karel van Gelre, in strijd met het verdrag van Gorinchem, het erfelijk gezag over o.m. Groningen en de Ommelanden aan aan de koning van Frankrijk. De stad voelt zich 'niet christelijk, maar tyranniek' behandeld. In 1536 zoeken beide gebieden dan ook toenadering tot Karel V, in dit geval in zijn rol van hoofd van het Bourgondische huis (dus niet als keizer van het Duitse rijk).

    • In de Ommelanden wordt door Deense en Holsteinse troepen in Gelderse dienst hevig verzet geboden. Een troepenmacht van Karel V onder George (ook: Jurgen) Schenck van Stoutenburg verslaat echter de troepen van Karel van Gelre in een slag bij Heiligerlee (1536). Ook verovert hij onder meer Appingedam. De verdedigingswerken van die stad en van Delfzijl worden na de bezetting ervan ontmanteld.
      De stad Groningen wordt door Deense troepen tevergeefs aangevallen. Wel worden de huizen buiten de Poelepoort verwoest.

    Omhoog
    102

    Bij de vrede van Graave (1536) draagt Karel van Gelre het gezag over de stad, de Ommelanden, het Oldambt, het Gorecht en Drenthe over.
    Stad en Ommelanden worden, voor het eerst gezamenlijk, als heerlijkheid Groningen onder het gezag van Karel V geplaatst, overigens met behoud van rechten en vrijheden. Op 7 juni 1536 huldigt de stad zijn stadhouder Schenck van Stoutenburg.

    • In de overeenkomst met Karel V bedingt Groningen dat in de Ommelanden geen vestingen zullen worden gebouwd zonder instemming van de stad en dat in Groningen zelf geen garnizoen zal worden gelegerd. De nieuwe landsheer krijgt 12.000 gulden per jaar ter vergoeding van de kosten die hij moet maken om de veiligheid van de stad te kunnen garanderen.
    • De stad Groningen behoudt de jurisdictie over het Gorecht. Ook het Oldambt wordt opnieuw rechtstreeks door de stad bestuurd.
    Groningen wordt, als één van de 17 (Nederlandse) gewesten, 'de landen van herwaarts over', in 1548 opgenomen in de Bourgondische kreits (1512), één van de 10 kreitsen (Reichskreise) van het Duitse rijk. Zeker mentaal blijft de relatie met Noord-Duitsland voor de stad evenwel vooralsnog minstens zo belangrijk. Nogal wat inwoners van de stad zijn uit Duitsland afkomstig.
    • De kreits staat onder leiding van een landvoogd (Maria van Hongarije), die in het noorden en oosten van de Nederlanden wordt vertegenwoordigd door een stadhouder; in het gewest Groningen door een luitenant-stadhouder. De heerlijkheid Groningen zendt formeel afgevaardigden naar de gezamenlijke vergadering van alle Nederlandse gewesten, de Staten-Generaal. Groningen heeft bedongen daar niet feitelijk te hoeven te verschijnen, gegeven de afkeer van een centralistisch bestuur.
    • De achtereenvolgende stadhouders zijn: George Schenck van Toutenburg (1536-1540), graaf Maximiliaan van Buren (1540-1548), Jean de Ligne, graaf van Aremberg (1548-1568) en Karel van Brimeux, graaf van Megen (1568-1572). Luitenant-stadhouder is onder meer Maarten van Naarden (1541-1557).

    Omhoog
    103

    De unieke bestuurlijke en militaire positie van de stad Groningen in de Friese landen is door de eerder beschreven ontwikkelingen gewijzigd. Friesland is een zelfstandig gewest geworden; de macht over de Groningse Ommelanden (in deze periode ook wel Klein-Friesland genoemd) is uitsluitend nog gerelateerd aan de geografische en aan de, in de loop der eeuwen verworven, economische positie van Groningen. Ook is de stad, door middel van de Hoofdmannenkamer, nog het centrum voor de rechtspraak in hoger beroep.

    • Groningen maakt in zijn relatie tot het in de noordelijke gewesten zwakke centrale gezag optimaal gebruik van de betekenis van de perifere, maar tevens strategische ligging van de stad.
      Zo weigert de stad de afkondiging van Brusselse 'plakkaten' (wetten) als het stadsbestuur de inhoud ervan niet kan onderschrijven, in het bijzonder als die indruist tegen de garanties, verkregen in 1536.
      De weigering geldt onder meer het zgn. 'bloedplakkaat' (1550), dat de doodstraf stelt op alle vergrijpen tegen de katholieke leer.

    Omhoog
    104

    Uitvloeisel van de grotere onafhankelijkheid van de Ommelanden - met als concrete aanleiding een aanscherping van het stapelrecht - is de instelling van een eigen bestuur: de Staten van Friesland tussen Eems en Lauwers, of Ommelander staten, die gerechtigd zijn belastingen te heffen en functionarissen in dienst te hebben (1561). In 1576 wordt een eigen Ommelander munt opgericht.
    Tot groot ongenoegen van de stad zeggen de Ommelanden in 1575 het 'Groot verbond' van 1473 op. De beide warven houden nog slechts een functie in het rechtsstelsel.

    • De Ommelander staten (edelen, hoofdelingen, prelaten en eigenerfden) vergaderen overigens in de stad Groningen, aanvankelijk zelfs in het raadhuis. Het Ommelander huis (dan aan de Marktstraat/Ossenmarkt) is voor de stad ex-territoriaal gebied.
    • Het wapen van de Ommelanden bevat behalve symbolen voor de drie afzonderlijke kwartieren, ook een schild met rode harten (eigenlijk bladeren van de gele plomp) die staan voor de 11 onderkwartieren. Het schild zou overeenkomen met het blazoen van de oude Friese koningen.
      De provinciaal Friese vlag vertoont overeenkomsten met het wapenschild van de Ommelanden, maar dateert eerst uit de 19e eeuw.

    Omhoog
    105

    Keizer Karel V wordt in 1556 in de Bourgondische kreits opgevolgd door zijn zoon Filips II, die ook koning van Spanje wordt en zijn rijk vanuit dat land bestuurt. Als zijn landvoogden in de Nederlanden (zetelend in Brussel) treden op: Margaretha van Parma (1559-1567), de hertog van Alva (1567-1573), Luis de Requesens (1573-1576) en Alexander van Parma (1578-1592).
    Stadhouder (voor het noorden) is o.m. Caspar de Robles (1572-1576); luitenant-stadhouder voor Groningen o.m. Johan de Mepsche, zoon van een Groningse burgemeester, die zich de bijnaam 'de Alva van het noorden' verwerft (1557-1585).

    Omhoog
    106

    In de Nederlanden als geheel is dan (plm. 1565) al de Opstand (eigenlijk een reeks van opstanden) tegen de Spaanse overheersing begonnen. De Opstand is vooral gericht:

    • tegen het absolutistische centrale gezag, dat ingaat tegen gevestigde rechten en vrijheden van gewesten en steden en waaraan bovendien de hoge Nederlandse adel naar hun mening onvoldoende deel heeft;
    • tegen de onderdrukking van de vrijheid van geweten en geloof;
    • daarnaast - vanaf 1569 - ook tegen pogingen extra belastingen op te leggen; vooral de invoering van de 10e penning (10 % op alle aan- en verkoop van roerende goederen) lokt verzet uit.
    De positie van de Spaanse koning als landsheer staat aanvankelijk nog niet ter discussie. De komst van Alva (1566), die na de Beeldenstorm (par. 124) de opdracht krijgt in de Nederlanden tot elke prijs orde op zaken te stellen, vergroot evenwel de weerstand tegen het Spaanse gezag. Het gemeenschappelijke streven wordt nu 'de tirannie te verdrijven'.
    De Opstand - dan ook in de vorm van gewapend verzet - wordt vanaf 1568 geleid door Willem van Nassau, prins van Oranje, lid van de Raad van State, die zich al in 1561 keert tegen de politiek van Filips II. Hij is in 1559 benoemd tot stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht, maar valt in 1567 in ongenade. De opstandige steden in Holland en Zeeland kiezen hem in 1572 opnieuw tot hun stadhouder.
    • Willem van Nassau is sinds 1544 soeverein vorst van het prinsdom Orange in Frankrijk. Op grond daarvan wordt hem wel het recht toegekend zich gewapenderhand te verzetten tegen Filips II, de soeverein van Spanje.
      Bovendien zijn hij en zijn familie financieel in staat en bereid een eigen troepenmacht te onderhouden.

    Omhoog
    107

    In de zomer van 1568 mislukt een belegering van Groningen door een huurlingenleger dat vanuit Duitsland is binnengevallen. Het leger staat onder leiding van graaf Lodewijk van Nassau, een jongere broer van Willem van Oranje. De inval is bedoeld om ook in het noorden een volksopstand tegen het Spaanse gezag teweeg te brengen. Die opzet strandt: Groningen houdt de poorten gesloten.

    • Enkele weken eerder (23 mei) sneuvelt tijdens deze veldtocht een andere broer, graaf Adolf, 'in Frieslandt in den slagh' bij Heiligerlee; een slag die overigens wel door de invallers wordt gewonnen.
      Het leger van graaf Lodewijk wordt ondersteund door de Watergeuzen, die (op 10 juli 1568) een zeeslag op de Eems winnen van een koningsgetrouwe Hollandse vloot en vervolgens vanuit Delfzijl zgn. 'landgangen' uitvoeren, plundertochten in de Ommelanden (ook in latere jaren).
    Landvoogd Alva, de 'ijzeren hertog', inderhaast opgetrokken naar het noorden, verslaat Lodewijk uiteindelijk bij Jemgum in Oost-Friesland. Hij verklaart nu Groningen als 'in oorlog veroverd', grijpt in in de wijze waarop het stadsbestuur wordt gekozen, trekt alle voorrechten van de stad in de Ommelanden in en versterkt het garnizoen (op kosten van de burgerij). In de Ommelanden vinden opnieuw wreedheden plaats, nu door Spaanse troepen.
    In 1576 breekt in het garnizoen, evenals elders in de Nederlanden, een muiterij uit, wegens het niet tijdig uitbetalen van soldij. De militairen nemen hun eigen bevelhebbers: stadhouder De Robles en luitenant-stadhouder De Mepsche gevangen. Nadat een afkoopsom is overeengekomen verlaat het Spaanse garnizoen, dat voornamelijk uit Walen bestaat, in 1577 de stad.
    • In 1575 al heeft Filips II, die oorlog voert op meer fronten tegelijkertijd, voor de tweede maal een staatsbankroet moeten afkondigen. Landvoogd De Requesens, die eerder nog een tijdelijk krediet weet te fourneren, overlijdt in 1576.

    Omhoog
    108

    De Staten-Generaal der Nederlanden in Brussel benoemen eind 1576 als opvolger van De Robles in Groningen (en ook in Friesland, Drenthe, Overijssel en Lingen), George van Lalaing, graaf van Rennenberg.

    • Deze - katholieke - stadhouder wordt door de stad desondanks niet geaccepteerd. Men beschouwt hem, vanwege zijn familiebanden aldaar, toch vooral als pleitbezorger voor de Ommelanden.
      De verhoudingen met de Ommelanden zijn juist in deze periode - na het opzeggen van het 'Groot verbond'- zo slecht, dat de stadsregering in 1577 een aantal leden van de Ommelander staten gedurende een klein jaar in gijzeling houdt.
    • De graafschap Lingen, met de gelijknamige vestingstad, maakt van 1548-1702 formeel deel uit van de Nederlanden. Vanaf 1578 behoort het tot het persoonlijk bezit van Willem van Oranje en zijn nakomelingen. Het gebied is van 1605-1632 feitelijk in Spaanse handen.

    Omhoog
    109

    In 1577 sluit Groningen zich aan bij het verdrag, bekend als de 'Pacificatie van Gent'.
    De opstandige gewesten Holland en Zeeland enerzijds en alle andere Nederlandse gewesten anderzijds vinden zich daarin op het hoofddoel: de verdwijning van de Spaanse troepen uit de Nederlanden.
    Men komt ook overeen dat in de afzonderlijke gewesten de godsdienstige status quo gehandhaafd blijft (in de stad dus de rooms-katholieke eredienst), maar dat bij overeenkomst ook andere godsdiensten kunnen worden toegelaten (de zgn. 'religievrede').
    Een dergelijke overeenkomst komt in Groningen niet tot stand. Het stadsbestuur wenst zich - na raadpleging van de burgerij - in meerderheid (er zijn ook protestantse leden) te houden aan de grondregel van het verdrag.

    • In het Duitse rijk is in 1555 de Augsburger Religionsfrieden gesloten. Daar geldt het 'cuius regio, eius religio': van wie het land is, is ook de godsdienst. In enkele vrije rijkssteden existeren zowel rooms-katholieke als lutherse kerken.

    Omhoog
    110

    In 1578 weigert de stad deel te nemen aan de besprekingen die naderhand, op 23 januari 1579, zullen leiden tot de Unie van Utrecht. De staten van de Ommelanden - en in 1580 ook die van Friesland en Drenthe - sluiten zich wel bij de Unie aan.
    Het stadsbestuur ziet in de Unie vooral een aanslag op de stedelijke privileges in de Ommelanden. De Unie schept bovendien ongewenste financiële en militaire verplichtingen naar andere gewesten.

    • De Unie van Utrecht, eigenlijk een Nadere Unie binnen de Generale Unie van de 17 Nederlandse gewesten, is bedoeld als militair bondgenootschap tegen de Spaanse legers die in de zuidelijke gewesten successen boeken en daar een verzoening met de Spaanse koning weten te bereiken. Feitelijk is de Unie van Utrecht echter de Nederlandse onafhankelijkheidsverklaring gebleken.
      Binnen de Unie blijven de stadhouders van de deelnemende noordelijke gewesten in functie. Stadhouder Rennenberg onderschrijft de Unie in eerste aanleg slechts voorwaardelijk.
    • De Generale Unie: unie vanwege de generaliteit, te weten de Staten-Generaal van de Nederlanden.

    Omhoog
    111

    Eerst onder bedreiging met een bezetting door Staatse troepen gaat de stad, na wat schermutselingen, overstag.
    In het Tractaat van Winsum (11 juni 1579) wordt alsnog de erkenning van Rennenberg als stadhouder overeengekomen, alsmede vreedzaam overleg over bestaande geschillen tussen de Stad en de Ommelanden. Groningen zal zich bovendien voegen naar de Unie van Utrecht, maar zich er voorshands niet bij aansluiten.
    Daarvan zal het ook op termijn niet meer komen.

    • Staats: vanwege de Staten-Generaal. Het Staatse leger telt tijdens de Republiek zo'n 31.000 man.

    Omhoog
    112

    Op 3 maart 1580 namelijk breekt stadhouder Rennenberg, die dan in de stad verblijft, onder zware druk van zijn familie, met de door protestanten gedomineerde Unie en stelt zich weer onder het gezag van de Spaanse landvoogd Alexander van Parma, die in deze periode steeds meer Staats gebied verovert.
    Deze gebeurtenis, bekend als het 'verraad van Rennenberg', heeft de instemming van het katholieke stadsbestuur (de protestantse leden zijn afgezet, c.q. gevangen genomen, evenals 200 andere burgers) en van de gilden, die er economisch voordeel in zien.
    De stad weerstaat vervolgens een beleg van Staatse troepen (evenals in 1579 onder aanvoering van Barthold Entens van Mentheda, oorspronkelijk afkomstig uit Middelstum; hij sneuvelt voor Groningen).

    • De Ommelanden blijven trouw aan de Unie van Utrecht. De stadsjurisdicties de Oldambten en het Gorecht sluiten zich bij de Ommelanden aan. Al deze gebieden worden echter door Parma ingenomen. Doorslaggevend daarbij is in 1581 opnieuw een slag bij Okswerd (of Oxwerd) (bij Noordhorn), waarbij de Staatse troepen van graaf Willem Lodewijk ten koste van grote verliezen worden verslagen.
    • Het verraad van Rennenberg en de hernieuwde Spaanse bezetting van de Ommelanden hebben tot gevolg dat veel Groningse protestanten vluchten naar Emden in Oost-Friesland. Emden geldt gedurende de gehele eeuw als 'herberg voor verdrukten', ook uit andere Europese landen (Antwerpen). In Leer worden eveneens vluchtelingen-om-het-geloof opgevangen. Vgl. par. 124.
    Na de dood van Rennenberg in 1581 wordt Francisco Verdugo benoemd tot stadhouder van de noordelijke gewesten. Hij is tevens legeraanvoerder. Friesland blijft formeel aan Staatse zijde, maar is intern hevig verdeeld; de stad Groningen weigert een Spaans garnizoen in te nemen.
    In 1582 vernieuwt koning Filips II het Groninger stapelrecht en het biermonopolie.
    • Invoering van de Gregoriaanse kalender in de stad Groningen vindt plaats op 23 juli 1583. Na 1594 zal echter weer de Juliaanse kalender gelden.
      Op gezag van de Spaanse landvoogd is in de Nederlanden in 1575 de datum van het begin van het kalenderjaar op 1 januari gesteld.
      (De christelijke tijdrekening is in het jaar 526 ingevoerd.)

    Omhoog
    113

    In 1581 zeggen de Nederlandse gewesten hun eed van trouw aan de Spaanse koning op en verklaren hem vervallen van het gezag over hun grondgebied (het 'Plakkaat van Verlatinge'). De Staten-Generaal van de nu de facto gevestigde Republiek der Verenigde (Provincies der) Nederlanden benoemen in 1584 graaf Willem Lodewijk van Nassau tot stadhouder van Friesland en de Ommelanden. De stad Groningen is dan nog steeds in Spaanse handen. Het garnizoen telt 4.000 man. Ook in de Ommelanden liggen ettelijke Spaanse garnizoenen.
    Na eerdere veroveringen, waarbij Groningen steeds verder geïsoleerd raakt (o.m. door de inname van Coevorden, Steenwijk, Bourtange en Delfzijl en van de schansen bij Zoutkamp, Niezijl en Aduarderzijl), wordt in 1594 de stad belegerd door Staatse troepen onder leiding van prins Maurits en graaf Willem Lodewijk.

    • In hetzelfde jaar 1594 is nog sprake van een - door een deel van de stadsregering gesteund - plan om, teneinde een kostbaar beleg te voorkomen, met instemming van de Staten-Generaal en de Spaanse landvoogd, de stad Groningen als vrije rijksstad in het Duitse rijk te beschouwen. Als landsheer zou moeten optreden hertog Heinrich Julius van Brunswijk Wolfenbüttel.
      Het plan speelt in op de wens van het gewest Friesland om een scheiding tussen Stad en Ommelanden aan te brengen en de Ommelanden, evenals trouwens Drenthe en de kop van Overijssel, als wingewesten aan Friesland toe te voegen.
    • In de zgn. 'Groninger schansenkrijg' (1589-1594) worden door de Staatse troepen in het noorden, behalve de genoemde, nog zo'n 14 andere schansen en versterkingen in een wijde kring rond Groningen veroverd.
      Eind juni 1591 wordt ook de stad enkele dagen belegerd. In 1593 weigert prins Maurits de lastgeving van de Staten-Generaal uit te voeren om de korenvelden rond Groningen te verbranden. Wel wordt de boeren in de Ommelanden verboden wintergraan te zaaien.
    • Het grootste deel van de stadsbevolking is in deze periode overigens rooms-katholiek en nog koningsgezind. De gilden zien inmiddels meer in aansluiting bij de Republiek.

    Omhoog
    114

    Na een beleg van twee maanden geeft het stadsbestuur zich uiteindelijk over - op 23 juli 1594 - en wordt het Tractaat van Reductie gesloten. Op het carillon van de Martinitoren wordt nu het 'Wilhelmus' ten gehore gebracht.
    Groningen voegt zich, zij het onder dwang, definitief in een groter staatkundig geheel. De politiek zelfstandig handelende stad is exit.

    • Tijdens het beleg breken in de stad ongeregeldheden uit tussen voor- en tegenstanders van een overgave. De tegenstanders - waaronder veel uit Friesland gevluchte rooms-katholieken - hopen nog op het ontzet van de stad door een Spaans leger. Op 15 juli wordt het Olde Rondeel (tussen het huidige Museumeiland en het Emmaplein), na te zijn ondermijnd, door de Staatsen opgeblazen met 5.000 pond buskruit. Er zijn plm. 145 doden, waaronder die in een contramine.
    • Groningen bedingt een bezetting door Hollandse (en niet door Friese) troepen. 'Liever de stad verwoest, dan onderhandelen met de Friezen'. Eind 1594 wordt de stad nog eens aangevallen door de Spaanse bevelhebber Verdugo. Zijn troepen worden echter verdreven.
    • Het begrip 'Reductie' staat voor 'terugleiding', namelijk naar de Unie van Utrecht, waarnaar de stad zich in 1579 had willen voegen.
    • Het 'Wilhelmus' is gedicht door Marnix van St. Aldegonde. De melodie dateert uit 1568, de tekst uit december 1572. Het lied heeft al in de 16e eeuw een symboolfunctie. Pas in 1932 krijgt het de status van nationale hymne.

    Omhoog

    Ruimtelijke orde

    115

    Op grond van het verdrag met de stad laat graaf Edzard van Oost-Friesland in 1506 een kasteel bouwen binnen de wallen op de woerd tussen Steentil- en Oosterpoort. De toegang tot deze dwangburcht ligt ter hoogte van de huidige Battengang. Het kasteel wordt door de Groningers na het vertrek van graaf Edzard in 1515 afgebroken.
    Een dergelijk lot treft een kasteel ten dienste van het Spaanse garnizoen (de Citadel of Arx Nova) bij de Herepoort, waarvan de bouw door Alva is bevolen. Alleen de twee noordelijke bastions zijn geheel gereed gekomen. De Citadel wordt in 1577 weer afgebroken.

    • De noordelijke gracht van dit kasteel volgt ongeveer de lijn Prinsenstraat- ( tegenwoordige) Herepoortenmolendrift; de zuidelijke ligt ter hoogte van het viaduct in de Hereweg. Vanuit de burcht is er een vrij schootsveld door de Gelkinge-, Here-, Pelster- en Haddingestraat.
    • Onder meer de ligging van het kasteel van Alva wordt aangegeven op de plattegrond van Groningen van Braun en Hogenberg, die verschijnt in 1575. De eerste plattegrond van de stad is die van Jacob van Deventer (1562).

    Omhoog
    116

    De verdedigingswallen en -muren rond de stad worden in de 16e eeuw voortdurend versterkt en aangepast aan de toenemende vuurkracht van zware artillerie. Als handvuurwapen wordt de haakbus, later de musket gebruikt. De middeleeuwse stadsmuren met hun muurtorens worden in de loop van de tijd afgebroken.

    • Zo bijvoorbeeld in 1550 de Turftoren in het verlengde van de Turftorenstraat. In verscheidene huizen zijn de oude muren en torens nog aanwijsbaar (bv. in de panden Noorderhaven 72, Schoolstraat 13 en Hofstraat 38).
    • Van 1517-1537 worden de binnen-A-poort (1517), de Steentilpoort (1517), de buiten-Boteringepoort (1526), de buiten-A-poort (1531) en de Ebbingepoort (1537) vernieuwd of nieuw gebouwd.
    Van 1551-1558 worden rondelen (eigenlijk brugschansen) gebouwd voor de Boteringepoort, de Ebbingepoort, de Poelepoort en ook het Olde rondeel, ofwel 'de Bremer buik' in de zuidelijke wal tussen het huidige Museumeiland en Emmaplein. Rond 1580 komt nog het Nije Rondeel voor de Oosterpoort gereed.
    • Een rondeel is een verlaagde muurtoren, geschikt voor het opstellen van geschut; een brugschans of barbacane is een dergelijk bouwwerk dat dient voor de beveiliging van de stadspoorten.

    Omhoog
    117

    Over de A wordt in 1525, daar waar de rivier (onder de naam Hoornsediep) aan de zuidzijde de stad binnenkomt (bij de huidige Museumbrug) een dubbele waterpoort gebouwd: de zgn. Marwijcks- of Marwixpijpen.

    • De poort is genoemd naar Jasper van Marwijck, stadhouder van Karel van Gelre (1522-1530).
    Waar de A de stad verlaat liggen de Kranepijpen. Het Mennersdiep verlandt.
    De vestinggrachten met stilstaand water worden van het lopende water gescheiden door stenen beren, met daarop een overhoeks vierkant torentje, een 'monnik', bedoeld om de overgang voor indringers onmogelijk te maken.

    Omhoog
    118

    In 1523 ontstaat een volwaardige vaarverbinding tussen het Schuitendiep en de A door het graven van het Lopendediep als uitdieping van de noordelijke buitengracht.
    Het Lopendediep en de A komen samen bij de zgn. 'Hoek van Ameland'.

    • Het kanaal draagt tot in de 19e eeuw ook buiten de stad de naam Lopendediep, maar wordt daar even vaak als Reitdiep aangeduid. Ook de naam Westerhunze wordt wel gebruikt. Het Lopendediep/Reitdiep staat via de benedenloop van de Hunze (ook Reitdiep genoemd) en het Groninger diep in open verbinding met de zee.
      De oorspronkelijke Hunze staat in deze periode bekend als Oude Hunze of Oosterhunze, delen ervan ook als Selwerderdiep. Bij Wierumerschouw vloeien Lopendediep/Reitdiep en Oude Hunze/Selwerderdiep samen. De betekenis van het Selwerderdiep als scheepvaartverbinding met de Hunze neemt na het gereedkomen van het Lopendediep zienderogen af.
    De overtoom aan het einde van het Damsterdiep wordt in 1574 vervangen door een verlaat of schutsluis (in 2007 nog eens uitgegraven). De op deze wijze ontstane doorgaande vaarroute vanaf Delfzijl komt in de plaats van de route over zee. Mogelijke aanvallen van de Watergeuzen worden daarmee ontweken.

    Omhoog
    119

    Rond 1560 is er, buiten de wallen, aan het Schuitendiep sprake van een buurtje van 'schuitenschuivers'.
    Als in 1581 opnieuw een Spaans garnizoen moet worden ingenomen wordt het buurtje door een wal en een gracht omringd. De gracht sluit aan op het Schuitendiep ter hoogte van de Kruitlaan en op het Damsterdiep ter hoogte van de Snor. De Schuitenschuiversschans ontstaat. Voor de A-poort wordt op dezelfde wijze de A-schans aangelegd.

    • Beide schansen blijven overigens door de oude wallen van de stad gescheiden. Gewapende soldaten van het garnizoen zijn niet gerechtigd zonder toestemming de stad te betreden.
    • Schuitenschuivers, sinds 1493 verenigd in een eigen gilde, zijn turfschippers met - tot 1667 - het uitsluitende recht op het vervoer van turf uit de veengebieden naar de stad. In ruil daarvoor dienen zij het onderhoud van de vaarweg voor hun rekening te nemen.

    Omhoog

    Bevolking

    120

    In het begin van de 16e eeuw wordt de omvang van de stadsbevolking geschat op plm. 11.000. In 1560 zijn er plm. 12.500 inwoners. Aan het eind van de eeuw 16.600. Het gewest Stad en Lande als geheel telt dan plm. 74.000 inwoners.
    Toevloeiing van economische migranten vindt voor een belangrijk deel (plm. 40 %) plaats vanuit Drenthe, Bentheim, Münsterland. Zo'n 30 % is afkomstig uit de Friese kustgebieden, in de tweede helft van de eeuw mede vanwege de oorlogsomstandigheden op het platteland.
    Tussen 1520 en 1530 is Groningen een toevluchtsoord voor doopsgezinden van elders. Na 1580 is dat het geval voor rooms-katholieken uit Friesland. Vanuit de stad vluchten op hun beurt vele protestanten naar Emden.
    In 1522, 1529, 1576 en vooral in 1581 is er weer sprake van pestepidemieën (tot 100 doden per dag in 1581). Tussen 1527 en 1534 ook van hongersnoden. Na 1567 wordt in Groningen voor het eerst melding gemaakt van syfilis. Deze ziekte doet zich in Europa voor sinds het eind van de 15e eeuw.
    Tijdens het beleg van 1594 vallen plm. 100 doden in de stad.

    • Epidemieën als de pest en de cholera worden tot in de 19e eeuw toegeschreven aan kwalijke uitwasemingen en dampen (miasmen). Voorschriften met betrekking tot de stadsreiniging zijn dan ook bij herhaling gericht op het voorkomen van vervuiling van de openbare weg en de diepen. Ook is men bang voor het overdragen van ziekten: patiënten worden geïsoleerd; hun huizen van een merkteken voorzien.

    Omhoog

    Religie en sociale zorg

    121

    De 16e eeuw wordt ook in Groningen gekenmerkt door de opkomst van andere godsdienstige gezindten dan de rooms-katholieke. De ontvankelijkheid daarvoor wordt bevorderd door de bijbels-humanistische interpretatie van het christelijk geloof, gebaseerd op de oorspronkelijke Hebreeuwse en Griekse teksten, zoals die o.m. wordt uitgedragen door Erasmus van Rotterdam en door de Groningse geleerden Rudolf Agricola (1443-1485) en 'lux mundi' Wessel Gansfort (1419-1489). Hun werken doen vooral opgeld in kringen van de hogere geestelijkheid in de stad.
    Ook de steeds ruimere verspreiding van gedrukte teksten in de volkstaal (sinds plm. 1480) zal een rol hebben gespeeld. De Bijbelvertaling van Luther komt vanaf 1526 beschikbaar; een nederduitse versie ervan verschijnt in 1556. (Een volledige vertaling in het Gronings dateert uit 2008.)

    121.1 De directe beïnvloeding van de Groningers met denkbeelden van de kerkhervormers Luther, Calvijn, Zwingli en Hus vindt plaats via Emden in Oost-Friesland, waar de Reformatie al in 1519 is doorgedrongen. Ook de inzichten van de dopers worden vanuit Emden verspreid. Rond 1570 telt die stad een grote concentratie van vluchtelingen-om-het-geloof (vooral uit Antwerpen). In Leer worden eveneens vluchtelingen opgevangen.

    • Alle kerkhervormers hebben gemeen dat zij de kern van het christelijk geloof zien in de persoonlijke relatie van de gelovige met God, zonder tussenkomst van de Kerk. De gelovige wordt bovendien alleen door Gods genade verlost van zijn zonden. Het doen van goede werken is daarop niet van invloed.
    • De term 'protestanten' - de gebruikelijke aanduiding voor de aanhangers van de reformatoren - dateert uit 1529 en slaat op de 'protestatio' (Lat. protestari: staan voor een overtuiging), ingediend door een aantal leden dat de Rijksdag in Speyer (Spiers) niet bevoegd acht tot het doen van uitspraken in religieuze aangelegenheden.
    • In Emden zijn enkele drukkerijen gevestigd. Eerst in 1596 wordt melding gemaakt van een drukker in Groningen. In 1536 is er in de stad wel al een boekhandelaar. Tot dan worden boeken alleen verkocht op jaarmarkten (een eerste vermelding daarvan dateert uit 1477).

    Omhoog
    122

    In Groningen zijn in deze eeuw twee reformatorische stromingen van belang: de doopsgezinden (radicalen en meer gematigden) en de gereformeerden.
    De doopsgezinden wijken, zowel qua opvattingen (volwassenendoop, heilsverwachting) als qua praktische uitwerking daarvan in de samenleving (weigeren eed, weigeren overheidsambten, weigeren krijgsdienst), verder af van de tot dan dominerende godsdienstige opvattingen dan de gereformeerde protestanten. Deze blijven staat en kerk beide onder het gezag van de bijbelse boodschap stellen. Men heeft evenwel het recht zich tegen de overheid te verzetten als die boodschap geweld wordt aangedaan.

    • De radicale praktijken van de Wederdopers (anabaptisten) o.l.v. Jan van Leyden ('Jantje van Leiden') in Münster (1534-1535) doen de doopsgezinden overigens geen goed.
      In 1534 worden doperse vreemdelingen uit de stad verbannen, echter niet vervolgd. De kelder van het raadhuis, waarin in 1535 de doopsgezinde Harm Schoenmaker wordt opgesloten, heet sindsdien het Schomakersgat.
      Op grond van in Brussel uitgevaardigde wetten volgt in 1548 opnieuw verbanning. Doodstraffen, zoals in andere steden, worden in Groningen niet voltrokken.

    Omhoog
    123

    Een gereformeerde gemeente wordt in Groningen gesticht in 1550. Dat gebeurt op instigatie van de hoofdpastoor van de St. Maartenskerk en indirect van de rector van de Latijnse school, Regnerus Praedinius (1510-1559). Beiden behoren tot de groep hervormingsgezinde rooms-katholieken.
    De voorgangers van de gemeente - niet zelden gewezen pastoors - worden beïnvloed door de denkbeelden van de hervormers Zwingli en Luther. Eerst later in de eeuw krijgt de gemeente een meer calvinistisch karakter.
    De gereformeerde protestanten (de naam 'hervormden' komt pas na de Franse tijd in zwang) houden hun diensten in Helpman (Coendersborg) onder leiding van o.m. ds Feico Ruardi (Feico Rieuwertsz) uit Oost-Friesland. Onder hen zijn relatief veel vooraanstaande Groningers.

    • Er is in Helpman ook sprake van 'hagenpreken' in de open lucht (met duizenden toehoorders). De straatnaam 'Hagepreekkamp' herinnert daaraan.

    Omhoog
    124

    De elders veelal met geweld gepaard gaande Beeldenstorm vindt in Groningen, op 18 september 1566, in opdracht van de raad, in zekere rust en achter gesloten deuren plaats.
    Met instemming van het stadsbestuur en van de Franciscaanse geestelijkheid komt in dat jaar de Broerkerk, als zijnde de meest afgelegen kerk, voor de gereformeerde eredienst beschikbaar. Van de Groningse bevolking rekent zich dan 10 - 20 % tot de protestanten. Een jaar later al wordt de gereformeerde (en doperse) prediking op last van landvoogdes Margaretha van Parma ook in Groningen verboden.

    • In 1569 ontkent de raad (tegenover Alva) opdracht tot het verwijderen van heiligenbeelden e.d. ('Mariken comp aff') te hebben gegeven. De gebroeders Coenders, vooraanstaande calvinisten, gaan in ballingschap. De destijds uitvoerende werklieden worden door de Spaanse bezetter gemarteld en deels gedood. In Groningen worden in totaal ruim 200 veroordelingen uitgesproken.
    • De Beeldenstorm is een uiting van de protestantse afkeer van het gebruik van afbeeldingen - van welke aard dan ook - die is gebaseerd op teksten uit de bijbelboeken Exodus (20 : 4) en Deuteronomium (5 : 8) en op het verbod in de Heidelbergse Catechismus uit 1563 (zondag 35). Al in 1524 wordt in Zürich op gezag van de hervormers de hele 'santenkraam' uit de kerken verwijderd.
    Eerst in 1579 worden opnieuw kerken vrijgegeven voor de gereformeerde protestanten: de Broerkerk en de St.Walburgkerk. Na slechts een jaar komt ook daaraan weer een einde en wordt het alleenrecht van het katholicisme hersteld.

    Omhoog
    125

    In 1559 vindt in het kader van een reorganisatie van het bestuur van de rooms-katholieke kerk, mede bedoeld om effectiever te kunnen optreden tegen de Reformatie, de oprichting plaats van het bisdom Groningen (dat ook Drenthe omvat). Het bisdom ressorteert onder het aartsbisdom Utrecht.
    In 1561 wordt een bisschop benoemd: Johan Knijff. Het stadsbestuur verzet zich tegen zijn komst. Pas in 1568 - na de bezetting van de stad door Alva - zal de bisschopszetel daadwerkelijk worden ingenomen.

    • De reorganisatie heeft als gevolg dat de grenzen van de bisdommen in de Nederlanden gaan samenvallen met de politieke landsgrenzen. De vertraging is onder meer te wijten aan het verzet van de bisschop van Münster die een groot deel van zijn diocees zou kwijtraken (o.a. de Ommelanden en de Oldambten, die sinds Liudger tot het bisdom behoren). Ook de oversten van de noordelijke abdijen verzetten zich vanwege de aantasting van hun machtspositie.
    • De St. Maartenskerk wordt de kathedrale kerk, de Domkerk; de St.Walburgkerk parochiekerk. Bisschoppelijk paleis wordt het Fraterhuis aan het Martinikerkhof dat in het vervolg Bisschopshof wordt genoemd.
    Bisschop Knijff overlijdt in 1576. Tijdens zijn episcopaat wordt de rooms-katholieke kerk in deze streken - op overigens vreedzame wijze- zoveel als mogelijk is gezuiverd van protestantiserende invloeden.
    Eerst in 1589 wordt feitelijk in de bisschoppelijke functie voorzien door de benoeming van een vicaris-generaal: Arn. Nijlen, tot dan prior van het Dominicaner klooster. In 1592 volgt zijn benoeming tot bisschop. Hij zal echter nooit als zodanig worden gewijd. Hij verlaat de stad in 1594.
    • In 1588 gaat het stadsbestuur - aanvankelijk bang om daarmee de Inquisitie binnen de poorten te halen - in beginsel akkoord met de vestiging van een Jezuïeten-seminarie (in het St. Agnesklooster aan de Rodeweeshuisstraat). Het seminarium heeft nauwelijks meer gefunctioneerd.
      Niettemin dicht de historicus Ubbo Emmius de Jezuïeten - 'de gemeenste mensen die er zijn' - in Groningen een grote invloed toe, vooral op de 'heffe des volks'.

    Omhoog
    126

    In 1555 krijgt een Joodse arts, in 1573 een Joodse handelaar het recht zich in Groningen te vestigen; in 1583 wordt, in een soortgelijk geval, toestemming echter geweigerd.

    Omhoog
    127

    Rond 1530 komen in de St. Maartenskerk de nog steeds aanwezige fresco's tot stand. In 1548 komen de bovenste transen en de spits van de Martinitoren gereed. De toren is dan 102 m. hoog. Op 15 maart 1577 woedt in de toren een brand als gevolg van het ontsteken van een vreugdevuur bij het vertrek van het Spaanse garnizoen.

    • Bij de herbouw, die eerst gereed is in 1627, wordt de hoogte van de toren teruggebracht naar 97 meter, Het grondvlak van de toren is niet berekend op een hoogte van 117 of zelfs van 127 m. waarvan ook wel eens sprake is.
    In 1577/8 worden drie nieuwe luidklokken in gebruik genomen: de Salvatorklok en de grote Grote en de Kleine Burgerklok (al deze klokken behoren nog steeds tot het gelui van de Martinitoren).

    Omhoog
    128

    Voor wat betreft de gasthuizen is in de 16e eeuw het volgende van belang.

    • Vanaf 1517 functioneert het St. Anthony- of Oosterpoortengasthuis voor bejaarde armen. Het wordt ook gebruikt voor de verpleging van zieken, van 1608-1644 als pesthuis en van 1702-1844 als dolhuis (voor psychiatrische patienten). Eerder worden 'onzinnige personen' in de gasthuizen ondergebracht in 'kasten'. St. Anthony: de H.Antonius van Padua.
      In 1521 wordt het hospitale St. Johannis opgericht in de Oude Kijk in 't Jatstraat (t.o. de Visserstraat). De latere naam is Ubbenagasthuis (- 1985).
      Uit 1527 (-1661) dateert het Enens-gasthuis (Kreupelstraat). In het Munsterstraatje (Gelkingestraat 43) wordt in 1591 (-1935) gesticht het r-k. Jan Luitjens- of Joh. Baroldi-gasthuis; in de Haddingestraat in 1594 (-1621) het Riddersgasthuis.
    In een ordonnantie uit 1529 wordt onderscheid gemaakt tussen armen uit de stad zelf ('oprechte armen') en vreemde armen die naar de stad komen om te bedelen. Deze laatste worden Groningen weer uitgezet (met een 'teerpenning' voor de eerste levensbehoeften). Onnutte landlopers en vagebonden worden zonder meer verwijderd.
    Vanaf 1496 is in Groningen een stadsdokter werkzaam, o.m. belast met advisering over het te voeren gezondheidsbeleid; sinds 1541 ook met het toezicht op de dan voor het eerst erkende chirurgijns. In 1599 wordt een 'pestmeester' benoemd, belast met de verzorging van pestlijders. Een eerste vermelding van een apotheker dateert uit 1511.

    Omhoog

    Justitie en politie

    129

    De Ooster- en de Westerwarf verliezen in de 16e eeuw betekenis als rechtsprekend orgaan. De functie wordt, tot 1580, feitelijk overgenomen door de Hoofdmannenkamer. In genoemd jaar richten de Ommelanden hun eigen Hoofdmannenkamer op.
    De rechtspraak in de stad heeft een liberaal karakter, vergeleken met die in andere steden in de Nederlanden.

    • Voor de Raad voor den Hove, het gerecht in eerste aanleg, wordt in 1509, aan de voet van de Martinitoren, een eigen pand gebouwd: de latere Hoofdwacht.

    Omhoog
    130

    Het schuttengilde is in deze eeuw plm. 330 man sterk; de burgerwacht telt eerst vier, later acht vendels, verdeeld in rotten, elk onder leiding van een rotmeester. Aan het hoofd van een vendel staat een hopman of schuttenhoofdeling. Na 1577 is er geen onderscheid meer tussen schutterij en burgerwacht.
    De leden van het gilde oefenen ook politionele, toezichthoudende taken uit als het keuren van waren, het ijken van maten en gewichten, de brandwacht, de lijkbezorging, het toezicht op het naleven van de reinigingsverordeningen, e.d.
    In 1587 is er voor het eerst sprake van een vorm van politiesurveillance: er wordt een stadspolitiemeester (later: schout) aangesteld. Zgn. 'roderoeden' treden sinds 1556 op tegen bedelaars en landlopers.

    Omhoog

    Economische ontwikkelingen

    131

    Gedurende de gehele 16e eeuw bestaat onenigheid tussen de stad en de Ommelanden over de toepassing van het stapelrecht, dat gedurende alle regimewisselingen in stand blijft, evenals het biermonopolie en het uitsluitend recht om jaarmarkten te houden.
    Het stapelrecht wordt zelfs nog uitgebreid met de 'vette-waren-stapel' voor boter en kaas. Een poging van de stad om ook 'uitlandse', d.w.z. uit andere Nederlandse gewesten geïmporteerde, waren onder de stapel te brengen mislukt echter.
    Vanaf 1575 wordt het stapelrecht door de Ommelanden steeds meer genegeerd. Ook worden voor de stad bestemde konvooien door Staatse troepen overvallen. In 1582 wordt het stapelrecht herbevestigd door de Spaanse koning.
    Van 1588-1625 doet de stad vergeefse pogingen de lakennijverheid tot grotere bloei te brengen door het aantrekken van bombazijnwerkers. De productiemogelijkheden op het platteland blijken evenwel goedkoper.

    • Bombazijn: weefsel van linnen en katoen, vergelijkbaar met voeringstof.
    Rond 1570 beschikt Groningen over bewapende schepen die worden ingezet ter bescherming van de handelsvaart (tegen de Watergeuzen) over het Wad en in de Eemsmonding.

    Omhoog
    132

    De economische voorspoed in de 16e eeuw, vooral tussen 1536 en 1570, wordt op gezette tijden verstoord door rampen als hongersnood, watersnood, door epidemieën en door het krijgsbedrijf. Het laatste beheerst vrijwel de gehele periode 1579 - 1599. Periodiek is voor de krijgslieden sprake van 'teren op de boer', waarbij nogal eens de 'tactiek van de verschroeide aarde' wordt toegepast. In 1586 geeft Verdugo opdracht alle boerderijen tussen Groningen, Leeuwarden en Dokkum te verwoesten.
    Als gevolg van de verwaarlozing van de zeeweringen zijn de lager gelegen delen van het gewest (zoals Duurswold) overstroomd. Tijdens de St. Cosmas en Damiaanvloed in 1509 (26 en 27 september) komt het opgestuwde zoute water van het Reitdiep via de stad tot in het Zuidlaardermeer. In het oosten van het gewest bereikt de Dollard zijn grootste omvang.
    Bekend is ook de Allerheiligenvloed in 1570 (8 - 9.000 doden in het gewest).
    In 1587 komt het water tot de A-poort in de stad. In 1593 kan men er o.a. zalm vangen. Ook aan de oostzijde van de stad is regelmatig sprake van hoog water (bij voorbeeld in 1578).
    Van 1575 ( - plm 1625) zijn de winters veel kouder dan normaal is voor de kleine ijstijd (vanaf plm. 1430-1850).

    Omhoog

    << Vorige hoofdstuk Index Volgende hoofdstuk>>

    © 1998, 2010 Kor Feringa, in samenwerking met Grunn.nl