• Menu
  • Historie
     
    Email ons!
     
  • GRUNN.NL: Stadshistorie
  • 15e eeuw

    Politiek en bestuur

    068

    De vooral economische blokkade van Groningen door bisschop Frederik van Blankenheim leidt - na bemiddeling door de graaf van Bentheim - in 1405 uiteindelijk tot een vredesverdrag zonder dat de stad wordt ingenomen.
    Groningen belooft de bisschop opnieuw geen andere wereldlijk heer te zullen aannemen. De bisschop op zijn beurt verleent de stad autonomie binnen het eigen territoir en zegt weer Groningen te zullen steunen in de strijd tegen de graven van Holland. De Groninger oorlog is voorbij.
    De bisschop stelt een ambtman aan in de voorheen door de prefect beklede functie.

    • Groningen draagt zijn rechten in het door de stad gepachte deel van het Gorecht, maar niet de rechtsmacht in de stad zelf, over aan de bisschop; hetzelfde doet het geslacht Ten Hove van Selwerd voor zijn deel.

    Omhoog
    069

    In de noordelijke contreien is in het begin van de eeuw de strijd tussen de Schieringers en de Vetkopers nog niet ten einde.
    Men blijft elkaar de rechtsmacht in de Ommelanden en de landen rond de Eems betwisten.

    • Zo doen Vetkopers onder leiding van hoofdeling Keno ten Broke, die in Oost-Friesland de volledige macht nastreeft, onder meer aanvallen op Emden en Termunten, plaatsen die in Schieringse handen zijn.
      De Schieringer Hiske Abdena, proost van Emden, vlucht vervolgens naar Groningen, waar de stedelijke Vetkopers hem geen bescherming willen garanderen. De Schieringse partij in de stad richt daarop (oktober 1413) in en rond het raadhuis een bloedbad aan.
    • Een verbond van de stedelijke Schieringers met verwante groeperingen in Hunsingo en Fivelgo, leidt tot een oorlog met de Oost-Friese Vetkopers in het gebied van de Eems.
      De Ommelanden van Groningen, en ook het Reiderland, raken daarbij volledig in handen van de Schieringers. Een reeks borgen van tegenstanders wordt ingenomen of verwoest. Sluizen in het Eemsgebied worden door de Vetkopers onklaar gemaakt en dijken doorgestoken.
    • De Schieringers komen in de stad Groningen in deze periode voor onder de naam Hekers (Hekerens); de Vetkopers als Bronkhorsten, beide naar de Gelderse groeperingen onder die namen. Incidenteel zijn ook de aanduidingen Hoeken (voor de Hekers of Schieringers) en Kabeljauwen (voor de Bronkhorsten of Vetkopers) wel gebruikt.

    Omhoog
    070

    In 1415 verdrijven de Vetkopers op hun beurt de Schieringers uit de stad: Groningen wordt 'Vet'. De Schieringers trekken zich nu - nadat zij in 1417 ook een treffen met de Vetkopers bij Noordhorn (slag bij Okswerd of Oxwerd) niet hebben kunnen winnen - terug op Westerlauwers Friesland en doen een beroep op het hoogste gezag in het Duitse rijk.

    • De politiek van Duits koning Sigismund (1410-1437, keizer vanaf 1433) is erop gericht een verdere uitbreiding van het gezag van de Hollandse, dan inmiddels tegelijkertijd ook Bourgondische, graven in de Friese landen te voorkomen.
      In een overeenkomst met de Schieringers worden (1417) alle Friese landen door hem als rijksonmiddellijk aangeduid. De rechten van de graven van Holland zijn daarmee vervallen. Overigens wordt over de stad - immers in handen van Vetkopers- de rijksban afgekondigd: Groningen wordt buiten de rechtsorde geplaatst.

    De Vetkopers besluiten daarop de bisschop van Utrecht (opnieuw) als hun landsheer te huldigen. Bisschop en domkapittel erkennen Groningen in 1419 als vrije stad, met inbegrip van alle rechten, gewoonten, verdragen en vrijheden. Groninger kooplieden mogen vrijelijk door het gehele bisdom reizen en handel drijven.
    In 1420 vindt ook een verzoening met koning Sigismund plaats. In 1422 komt, met de 'Groninger zoen' of Groninger pacificatie, een voorlopig einde aan de strubbelingen tussen Schieringers en Vetkopers in de Ommelanden. In 1427 laait de strijd nog eenmaal op, nu tussen twee Vetkoperse facties onderling, waarbij de stad partij wordt en vervolgens een gewapend treffen verliest (slag bij Oterdum).
    Hoewel de Vetkopers uiteindelijk de winnende partij zijn is de onderlinge animositeit - o.m. door vele 'zoenhuwelijken'- in korte tijd verdwenen.
    • In Friesland bewesten de Lauwers is ook gedurende de rest van de eeuw nog sprake van partijschappen.
    Door aankoop van het gebied van de bisschop van Utrecht verkrijgt de stad in 1460 opnieuw de rechtsmacht in het Gorecht. De streek rond Foxhol, Hoogezand, Sappemeer, Windeweer en Lula wordt gezien als 'de vrije van het Gorecht' en wordt eveneens door de stad bestuurd.
    Tenslotte mag Groningen zelf de ambtman aanstellen.

    Omhoog
    071

    In de 15e eeuw sluit Groningen, al dan niet na gewapende strijd, een nieuwe reeks verdragen met omliggende gebieden.

    • Te noemen zijn: Achtkarspelen (1416), Opsterland en Smallingerland (1425), Westerkwartier (1428), Hunsingo, Fivelingo, Reiderland, Oldambt (1434), Oostergo (1444) en Westerwolde (1447). Ook zijn er overeenkomsten met de Duitse steden Hamburg, Lubeck, Bremen en Oldenburg (1434).
      In de tweede helft van de eeuw volgen nog het Duitse Oost-Friesland (1459), Opsterland (1461), Achtkarspelen en Kollumerland (1467).
      In de meeste verdragen wordt nu ook de verplichting tot wederzijdse militaire steun opgenomen. In 1434 is voor de eerste maal sprake van het weren van vreemde kooplieden, die het stapelrecht van Groningen zouden aantasten.
    Na 1440, nadat de rechten van de plaatselijke hoofdelingen (gewapenderhand) zijn overgenomen, oefent de stad in de Oldambten (Wold-Oldambt en Klei-Oldambt) en in een deel van het Reiderland (Ulsda e.o.) zelfstandig het gezag uit. Tot de lasten daaraan verbonden behoort de verantwoordelijkheid voor de zeeweringen rond de Dollard.

    Omhoog
    072

    In 1456 weigert de stad (samen met andere steden in het bisdom) in eerste aanleg de erkenning van de nieuwe Utrechtse bisschop David van Bourgondië als landsheer. Eerst na een beleg van Deventer door de graaf van Holland, Filips de Goede, gaan de steden overstag. In de Friese landen vreest men dat zijn leger ook naar het noorden zal optrekken.
    Bij de inhuldiging van de bisschop in 1459 vraagt Groningen - met een beroep op de rijksonmiddellijke status van de Friese landen - hem de onderhorigheid van deze gebieden aan de graaf van Holland tegen te gaan.

    • Het graafschap Holland is in 1433 door huwelijk en vererving in het bezit gekomen van het Bourgondische huis. Filips de Goede, ook bekend als Filips van Bourgondië, doet al vanaf zijn aantreden pogingen ook de Friese landen onder zijn gezag te brengen, maar stuit daarbij op de politiek van de Duitse keizer (zie par. 70). David van Bourgondië is zijn bastaardzoon. Diens benoeming tot bisschop van Utrecht heeft dus een dynastieke achtergrond.

    Omhoog
    073

    In 1474 verklaart de Duitse keizer opnieuw dat de Friese landen alleen aan hem zijn onderworpen. Hij erkent tegelijkertijd de positie van de stad Groningen ('onze getrouwe rijksstad') als feitelijk beschermende macht in Klein-Friesland (de Groningse Ommelanden).
    In de periode 1479-1481 bestaat zelfs korte tijd de mogelijkheid dat de keizer, daartoe overigens geïnspireerd door de stad zelf, Groningen belast met het potestaatschap over zowel Klein-Friesland als Westerlauwers Friesland. De stad vindt de daarvoor te betalen prijs (10.000 Rijnse - in het Rijnland geslagen - goudguldens per jaar, in euro's € 6.600) evenwel te hoog, zolang de betrokken gebieden niet ook daadwerkelijk onder jurisdictie van de stad staan en dus niet duidelijk is welk bedrag het 'onder contributie brengen' van het gebied uiteindelijk zal opleveren.

    • Potestaat: een door de keizer aangesteld bestuurder, maar niet een landsheer (It.: podesta).

    Omhoog
    074

    Groningen sluit inmiddels in 1473 (voor 10 jaar) en in 1482 (voor 40 jaar) met alle Ommelanden wel een 'Groot verbond' tegen alle 'duetsche en sudersche heren'. Men wil gezamenlijk 'frij en friesch' blijven. In 1477 wordt ook met Westerlauwers Friesland, te weten met de Vetkoperse partij, een nieuw verbond gesloten. De stad verplicht zich daarbij geen land te veroveren. Groningen mengt zich door het aangaan van het verdrag nadrukkelijk in de strijd tussen de Friese partijschappen. In de overeenkomst wordt ook het stapelrecht van de stad vastgelegd.

    In 1482 wordt voor twintig jaar de heerlijkheid Westerwolde (eigenlijk: Westerwoldingerland) in leen verkregen van de bisschop van Münster (leenheer sinds 1316), nadat in 1478 al de borg te Wedde is veroverd.
    Westerwolde is voor de stad van belang, omdat het de mogelijkheid biedt een verbinding te leggen met het Emsland en met Münsterland. Hoewel met de bisschop in 1483 de gezamenlijke aanleg van een kanaal wordt overeengekomen, wordt het werk nooit voltooid. Ook een verbinding over land komt niet tot stand.
    Kerkelijk valt Westerwolde onder het bisdom Osnabrück.
    • In de loop van de eeuwen zijn vaker plannen ontwikkeld met het oogmerk Groningen - deels via bestaande waterlopen - door eigen gebied met de rivier de Eems te verbinden. Om (vermeend) waterstaatkundige redenen is geen van deze plannen ooit volledig uitgevoerd.
      Alleen de Oude Gracht bij Vlagtwedde zou mogelijk nog verwijzen naar de oorspronkelijke opzet.

    Omhoog
    075

    Nadat in 1491 opnieuw een verbond is gesloten met Oostergo (het Dokkumer Verbond) en Westergo, en het jaar daarna met Leeuwarden en Zevenwouden, beheerst Groningen (de stad 'van de Westfaalse gecken') alle Friese landen: de huidige provincies Groningen en Friesland, behalve de streek rond Franeker. De steden Sneek en Sloten staan zelfs onder rechtstreeks gezag van de stad; o.m. Oterdum (bij Delfzijl), Zuidbroek, de Pekel, Dokkum, Kollum, Workum, Harlingen en Leeuwarden kennen een Gronings garnizoen en een door Groningen benoemde 'kastelein'.
    De relatie van de stad met de gebieden in Westerlauwers Friesland wordt in 1494 door de keizer bekrachtigd in het zgn. 'Tractaat van Kempten'.
    De 'stadstaat' Groningen staat daarmee op het toppunt van zijn macht.

    Omhoog
    076

    De positie van de stad wordt nog eens onderlijnd in het stadswapen (de oudste afbeelding dateert van plm. 1425) en in de eigen - nu ook gouden - muntslag.

    • Het wapen is de enkele (v.a. 1433 de dubbele) keizerlijke adelaar, verwijzend naar Groningen als vrije rijksstad. De adelaar draagt het schild met groene balk, door de stad al eerder overgenomen van de prefecten (voor de kleur groen zie par. 039). De Duitse adelaar (nog steeds het wapen van de Bondsrepubliek) is van Romeinse herkomst. De adelaar werd in het Romeinse rijk gezien als de boodschapper van de oppergod Jupiter. Het gebruik ervan door de keizers symboliseert hun eveneens goddelijke status.
    • Het recht op gouden muntslag is in 1487 door de keizer toegekend. Groninger munten dragen namen als penningen en grootkens (1/12 stuiver), plakken (1/6), oordjes (1/4), butjes (1/2), kromsteerten (2/3), stuivers of jagers, braspenningen (1 1/4 stuiver), vliegers (2), flabben (4), schellingen (6), (Carolus)guldens of florijnen, daalders (1 1/2 gulden), St Jans-goudguldens. Groningen volgt het Habsburgse stelsel waarin de gulden is verdeeld in 20 stuivers van elk 12 penningen. De Carolusgulden dateert uit 1542.
      De straatnaam 'Butjesstraat' is overigens niet te herleiden op de muntsoort, maar op de familienaam Butken.

    Omhoog
    077

    De zogenoemde 'Pax Groningana', de door de stad min of meer opgelegde vrede, leidt op die grond toch ook weer tot onenigheid en onlusten in Westerlauwers Friesland, met name in Sneek. De strijd tussen Schieringers en Vetkopers lijkt te herleven.
    Hoofdelingen uit Westergo vragen in 1498 Albrecht van Saksen, 'keizerlijk veldheer', maar tegelijkertijd werkzaam voor eigen rekening en risico, te willen optreden als 'gubernator en potestaat' van de Friese landen.

    • Albrecht van Saksen gaat op het verzoek in en brengt heel Friesland nog in 1498 onder zijn gezag. Het verzet van de Vetkopers uit Oostergo en Zevenwouden wordt gebroken in de slag op het Rode Klif bij Laaxens (Laaxum). De stad Groningen wordt, onder bedreiging met geweld, er toe gebracht het verdrag met Oostergo te annuleren.
    In hetzelfde jaar bevestigt de Duitse keizer de positie van Albrecht van Saksen in Friesland, een positie die ook geldigheid krijgt ten opzichte van de stad Groningen, de Groningse Ommelanden en Oost-Friesland.
    • Achtergrond voor dit besluit is de omstandigheid dat de keizer Albrecht van Saksen een aanzienlijk bedrag schuldig is en hem tegelijkertijd ook nodig heeft voor zijn strijd tegen Karel van Gelre (zie ook par. 098). Met de erkenning doet de keizer het nog maar enkele jaren eerder gesloten 'Tractaat van Kempten' weer teniet.

    Omhoog
    078

    De Duitse keizer in die jaren is Maximiliaan I van Oostenrijk uit het huis Habsburg (1493-1519). Hij is gehuwd met Maria van Bourgondië die in 1477 de Nederlandse bezittingen van het Bourgondische huis heeft geërfd en die door haar huwelijk overbrengt naar het Habsburgse huis.
    In het hertogdom Bourgondië zelf regeert van 1482-1506 haar zoon Filips de Schone, die tevens graaf van Holland is. Hij stemt uiteraard in met de benoeming van Albrecht van Saksen in de Friese landen.
    De voornaamste tegenstanders van Groningen in de Friese landen, de graven van Holland (die immers deel uitmaken van het Bourgondische huis) zijn nu gelieerd aan het hoogste gezag in het Duitse rijk, te weten de Duitse keizer.
    De mogelijkheden voor de stedelijke politiek worden daarmee belangrijk ingeperkt.

    Omhoog
    079

    Als de stad Groningen vervolgens nog in 1500 door Albrecht van Saksen (tevergeefs) wordt belaagd, nadat deze in de zgn. Saksische oorlog met behulp van plaatselijke hoofdelingen al een deel van de Ommelanden heeft veroverd, en de stad daarop een beroep doet op de formele landsheer, de bisschop van Utrecht (dan Frederik van Baden), krijgt deze laatste een verbod van de keizer om aan de oproep tot bijstand gehoor te geven.

    Omhoog
    080

    Tegen het einde van de eeuw worden belangrijke rollen in de stadspolitiek gespeeld door de geleerde Rudolf Agricola, van 1480-1484 syndicus (secretaris, feitelijk stadsadvocaat) van Groningen en door Willem Frederiks ('mr. Willem Welgeleerd'), van 1490-1525 persona personatis, hoofdpastoor van de St. Maartenskerk, die formeel adviseur is van het stadsbestuur.

    • Beide zijn - met andere bijbelse humanisten, w.o. Wessel Gansfort (1419-1489) - lid van de zgn. Aduarder kring, een groep intellectuelen die informeel bijeenkomt in de Cisterciënzer abdij van Aduard. De bloeitijd van de kring valt in de periode 1470 - 1490.
      Agricola schrijft in Groningen een veelgebruikt handboek voor het filosofie-onderwijs: 'De inventione dialectica'. Van hem is ook de uitspraak dat de bevolking van Groningen 'halfboers en stug is en wars van de omgang met beschaafde geesten'.

    Omhoog

    Ruimtelijke orde

    081

    Rond 1400 wordt, vooral voor handelsdoeleinden (turfvaart), een begin gemaakt met het graven van een directe scheepvaartverbinding van de stad naar zuidelijker en oostelijker gelegen plaatsen. Daartoe wordt een nieuw kanaal gegraven, het huidige Schuitendiep - voor een deel het huidige Oude Winschoterdiep - naar de Hunze bij Roode Haan. In de stad loopt het Schuitendiep langs de bestaande defensieve buitengracht tot bij de huidige Bloemstraat.
    Vanaf dat punt ontstaat (1405) tussen het Schuitendiep en de Hunze ook een noordelijke verbinding, de Nije graft, gedeeltelijk door gebruik te maken van de bedding van het riviertje de Thije of het Selwerderdiepje. De Nije graft - teruggevonden onder de bebouwing van het Boterdiep oostzijde - verbindt de buitenste stadsgracht met de Hunze bij Noorderhoogebrug. Tussen Roode Haan en laatstbedoeld punt valt de Hunze zelf vrijwel droog.
    Rond 1424 wordt - gedeeltelijk door gebruik te maken van de Delf en de Fivel - het Damsterdiep aangelegd. Het vormt de verbinding met de enige stad in de Ommelanden: Appingedam (= dam in de Abt). De stadsrechten van 'n Daam dateren van 1327.
    Via het Damsterdiep ontstaat een noordelijke verbinding met de Eems. Het Damsterdiep is niet verbonden met de stadsgrachten (in casu het Schuitendiep).

    • Aan de Damsterweg (buiten de stadsmuren) is een kerkhof voor slachtoffers van de pest. Deze worden doorgaans begraven in een massagraf.

    Omhoog
    082

    Omstreeks 1470 (bedreiging door Karel de Stoute!) worden de verdedigingswerken gemoderniseerd door het bouwen van bolwerken of bastions en van nieuwe aarden wallen. Het geheel ook weer omgeven door grachten. De grotere draagwijdte en vuurkracht van de - inmiddels gemeengoed geworden - artillerie maakt dit noodzakelijk. De bombarde of het kanon - aanvankelijk met stenen, eind 15e eeuw ook met ijzeren kogels, aangedreven door buskruit - dateert uit 1331.
    De oude middeleeuwse grachten verliezen aan betekenis.

    • In het zuidoostelijke bolwerk wordt de Drenckelaarstoren gebouwd. In het noorden komen bolwerken voor de Boteringe- en Ebbingepoort. Vanaf de bolwerken is een betere verdediging van de verbindingswallen mogelijk: er zijn geen dode hoeken meer.
    De wallen in het westen liggen nu buiten de buitenste stadsgracht (het Mennersdiep); in het zuiden vindt een beperkte stadsuitleg plaats: ongeveer tot de huidige binnensingels. Dit laatste overigens zonder dat de bebouwing daarmee gelijke tred houdt. Nog in de 17e eeuw liggen er stads- of gemene weiden (buurmanden).
    • Waar nodig worden nieuwe poorten gebouwd; de oude blijven nog bestaan. Voor het eerst is er sprake van een Steentil- (1517) en Kranepoort. Een nieuwe Boteringepoort dateert eerst uit 1525. In 1569 wordt die poort al weer afgebroken.

    Omhoog
    083

    Te vermelden is nog het onderhoudscontract dat de stad in 1479 afsluit met de aanwonenden van de Hereweg, de belangrijkste toegangsweg over land, bedoeld om de weg in redelijke conditie te houden.

    • De stad is in deze periode te land ook bereikbaar via Wedde - Slochteren, via Appingedam - Ten Boer (de Stadsweg), vanuit Friesland via Dokkum - Zuidhorn - Dorkwerd, 'over de Drent' vanuit Coesfeld i. Wf/Coevorden en vanuit Ommen en Steenwijk via Assen/Rolde. Alles uiteraard voor zover de wegen goed begaanbaar zijn.
    • In 1497 wordt een eerste stedelijke verordening op de stadsreiniging afgekondigd. Het stedelijk afval mag niet meer op de openbare weg of in de diepen worden gedeponeerd, maar moet worden gestort op de buurmanden. De burgers zijn verplicht de eigen straat te onderhouden. Er worden ook beperkingen gesteld aan het houden van loslopende varkens.

    Omhoog

    Religie en sociale zorg

    084

    Ook in de 15e eeuw wordt de christelijke godsdienst beleden volgens de leer en de gebruiken van de rooms-katholieke kerk (liturgie, sacramenten, heiligenverering). Andere opvattingen hebben zich nog niet vertaald in geïnstitutionaliseerde vormen.
    In Groningen bevinden zich drie hoofdkerken, vijf klooster- en vier gasthuiskerken, met alleen al in de St. Maartenskerk 21 priesters (die 20 -25 altaren bedienen).
    Hoewel Groningen ook kerkelijk ressorteert onder de bisschop van Utrecht, wordt in 1412 vastgelegd dat de geestelijkheid de bisschop niet behoeft te gehoorzamen als de stedelijke privileges zich daartegen verzetten.

    • Ter hoogte van het huidige Hilghepad (Helpman) bevindt zich omstreeks 1483 een 'hilghe stede' (heilige plaats), een kamp waar enkele kelken, een hostievaas en drie gewijde hosties, afkomstig van diefstal uit de Abdijkerk van Aduard, door de dief zijn begraven. De 'hilghe stede' wordt gewijd aan het H.Sacrament en ontwikkelt zich tot bedevaartsoord (nog in 1643 als zodanig bekend).

    Omhoog
    085

    Wat de beide parochiekerken betreft: in 1408 stort de toren van de St. Maartenskerk in.

    • De inpandige toren is dan overigens slechts 30 m. hoog. Tussen 1452- 1464 wordt een nieuwe toren gebouwd, die echter in 1468, samen met een deel van de kerk, ook weer instort als laat gevolg van een brand (blikseminslag) in 1465. In 1482 is de toren grotendeels opnieuw opgetrokken. De Martinitoren staat symbool voor de macht van Groningen in de Ommelanden.
    Plm. 1450 wordt de weem van de St. Walburgkerk verplaatst van de noord- naar de westzijde van het Martinikerkhof.

    Omhoog
    086

    In 1436 vindt de oprichting plaats van een Fraterhuis van de Broeders des gemenen levens. Het wordt gevestigd in het latere Prinsenhof.

    • De (leken)broederschap is gericht op het beoefenen van moderne devotie, praktische vroomheid met een zekere nadruk op individuele geestelijke ontwikkeling: 'met een boekje in een hoekje'. De leden leiden een ingetogen leven. Zij voorzien in hun onderhoud o.m. door het afschrijven van boeken.
    • Vanaf 1568 wordt het beheer over het Ludeken Jargesgasthuis (in de huidige Haddingedwarsstraat), gesticht in 1450, overgenomen. De Broederschap wordt in 1578 ontbonden. Het Fraterhuis blijft bestaan tot 1586, het Ludeken Jargesgasthuis tot 1689.
    • Een convent voor religieuze vrouwen, O.L.Vrouwe ten Hoorn of Maria ter Horne, in de huidige wijk Corpus den Hoorn, wordt voor het eerst genoemd in 1456.
    Omhoog
    087

    In het jaar 1452 (of 1455) wordt ook Groningen bezocht door de Franciscaner 'observantist' pater Johannes Brugman (plm. 1400-1473), een rondreizend boeteprediker die binnen zijn orde aandringt op het naleven van de regel van St Franciscus (het ideaal van absolute armoede) en daarbuiten - onder het gewone volk - op het serieus nemen van de Tien Geboden. De zegswijze 'Hij kan praten als Brugman' slaat op hem terug.

    • Onder de Franciscanen is ook een stroming van 'conventuelen' die een minder streng regime voorstaat. De Franciscanen in Groningen zouden in meerderheid tot die stroming gerekend moeten worden.

    Omhoog
    088

    In de 15e eeuw worden de volgende gasthuizen gesticht:

    • 1405. Het St. Geertruids- of Pepergasthuis (Peperstraat) 'voor ellendige en arme pelgrims'. Het is van 1605-1702 ook 'dolhuis'. St Gertrudis (626- 659), abdis van het klooster te Nijvel, is de patrones van de reizigers.
      De pelgrimage (met de mogelijkheid aflaten te verdienen) geldt de St. Maartenskerk, waar een arm van Joh. de Doper wordt bewaard.
    • 1422. Het St. Jurgensgasthuis (St.Jurgens: St. Joris) voor melaatsen aan de Hereweg (bij de huidige Helperkerkstraat). Leprozen worden verbannen uit de gemeenschap wegens hun vermeende onreinheid. Op bepaalde uren mogen zij naar het A- en het Martinikerkhof om te bedelen. Om de burgers te waarschuwen zijn zij verplicht hun komst door middel van zgn. 'Lazaruskleppers' (of klikspanen) aan te kondigen: het zgn 'klaplopen'. De leprozerie functioneert tot 1599. Eerst in de loop van de 17e eeuw komt in Europa geen lepra meer voor.
    • 1479. Het Mepschen- of St. Annengasthuis (aan de O. Kijk in 't Jatstraat).
    • 1489 (- 1978). Het Jacob- en Annagasthuis ('Lekkerbeetjesgasthuis'), Gasthuisstraat.
    • Met als doel de ondersteuning van thuiswonende (huiszittende) armen wordt in 1437 het 'Armhuiszittend convent' opgericht (Akerkstraat).
    • In 1476 verkrijgt het Pepergasthuis een legaat, onder het beding dat jaarlijks aan de armen van het dorp Faan (Westerkwartier) een ton haringen wordt verstrekt. Aan deze bepaling wordt nog steeds de hand gehouden.
    • De meeste gasthuizen zijn (ook) proveniersgasthuizen. Men kan zich inkopen (een 'proeve' betalen) om als oudere verzekerd te zijn van onderdak en verzorging.

    Omhoog

    Onderwijs

    089

    Gedurende de 14e en 15e eeuw worden veel kerkelijke parochiescholen door de stedelijke overheden overgenomen. In Groningen gebeurt dat in 1375 met de St. Maartensschool, feitelijk een Latijnse school. De school is gevestigd in wat nu het oudste deel van het Provinciehuis is, de Statenzaal.
    In 1464 (- 1586) vestigen de Broeders des Gemenen levens een convict voor arme studenten van de St. Maartensschool op een terrein dat deel uitmaakt van de Bisschopshof, op de hoek St. Jansstraat/Schoolstraat: het Arme Klerkenhuis.

    Omhoog
    090

    In de late middeleeuwen geven de steden voor wat betreft het onderwijs in het algemeen het volgende beeld te zien:

    • de stadsschool onder leiding van een rector (in Groningen de St. Maartensschool);
    • parochiescholen.

    • Beide schoolsoorten voor jongens van 7 - 15 jaar. In de 'onderbouw' wordt les gegeven in de landstaal. De scholen leiden niet meer uitsluitend op voor kerkelijke en bestuurlijke functies. De zesjarige St. Maartensschool verzorgt nu ook een inleiding op universitaire vakken als astronomie en (eind 16e eeuw) rechtsleerdheid en medicijnen.
    • bijscholen of particuliere scholen. Deze worden eventueel ook door meisjes bezocht. Het is mogelijk onderricht te krijgen in Frans, rekenen en boekhouden.
    • onderscholen, te weten nonnenscholen of schrijfscholen, kleinkinderscholen (alle door nonnen geleide scholen).

    Omhoog

    Justitie en politie

    091

    Het in de stad gesproken recht, veelal aangeduid als het Oud-Groninger recht, wordt in 1400 en 1425 opnieuw gecodificeerd. Uit 1434 dateert het Oldermansboek, waarin het gilde-, stapel- en waterrecht is vastgelegd. Deels dateert het al uit de 13e eeuw.
    Het stadsarchief, de zgn. 'Stadskiste', stamt uit 1416.

    Omhoog
    092

    De warven, de periodieke bijeenkomsten van burgemeesters en raad van Groningen met hoofdelingen, grietmannen en rechters (redgers) uit de omliggende Friese landen, gewijd aan de unificatie van rechts- en bestuursregels, blijven in de 15e eeuw bestaan.

    • Voor wat betreft de bestuurlijke onderwerpen kunnen de warven worden beschouwd als voorlopers van de latere statenvergaderingen.
    In 1428 wordt vastgelegd dat de gemene landswarf te Groningen optreedt als beroepsinstantie voor vonnissen van plaatselijke grietmannen en rechters uit de Ommelanden. Uitvoerend orgaan is sinds 1470 de Hoofdmannenkamer, die in bepaalde situaties ook zelf recht spreekt. Beroepsinstantie voor de inwoners van de stad en de stadsjurisdicties zijn Burgemeesteren en Raad.

    Omhoog
    093

    Voor de verdediging van de stad (en voor politiediensten) beschikt het stadsbestuur in de eerste plaats over het schutten- of schuttersgilde (de schutterij). De leden ervan zijn afkomstig uit de gegoede burgerij. Daarnaast levert elke kluft een vendel weerbare mannen voor de burgerwacht.
    De stad maakt in voorkomend geval verder gebruik van huursoldaten.

    • Teneinde te voorkomen dat de schutten een te zelfstandige macht in de stad kunnen vormen, worden bijeenkomsten van het schuttengilde altijd bijgewoond door leden van de raad.

    Omhoog

    Economische ontwikkelingen

    094

    De economische malaise waarvan in de voorafgaande eeuw sprake is, duurt tot plm. 1475; daarna treedt een periode van langzame groei in die duurt tot plm. 1650.
    Oorzaken zijn de bevolkingsgroei en (daardoor) de toenemende behoefte aan voedsel en aan grondstoffen voor de nijverheid. De buitenlandse handel van Groningen betreft met name ook de Duitse gebieden die bereikbaar zijn via de Eems (Ems) en de Weser. In de tweede helft van de eeuw beleeft met name de ossenhandel een bloeiperiode. In de Ommelanden bevinden zich vele vetweiderijen, onder meer rond een aantal kloosters.

    Omhoog
    095

    In de 15e eeuw kent Groningen jaarlijks zes markten waarop ook vreemde kooplieden worden toegelaten. Eén keer per jaar, van 10-23 september, is er een vrijmarkt met marktvrede. De vredeskruizen staan aan de rand van de stadstafel en markeren begin en einde van de stadsvrijheid.
    Een andere belangrijke markt is de 'Paasmarkt'. Uit de jaarmarkt in de maand mei is de nog bestaande Meikermis ontstaan. Rond 25 juli vindt de St. Jacobsmarkt plaats. De septembermarkt (en -kermis) is in 1854 afgeschaft.

    • Marktrecht is, behalve door Appingedam, in de vroege middeleeuwen ook verkregen (van de toenmalige landsheren) door plaatsen als Farmsum, Garrelsweer (aan de Delf en Fivel, 1057), Houwerzijl, Winsum (aan de Delf, 1057) en Westeremden (aan de Fivel). Garrelsweer en Appingedam bezitten ook muntrecht. Geen van de genoemde plaatsen heeft evenwel ooit de positie van Groningen feitelijk kunnen bedreigen.
    Vanaf 1407 bezit de stad een 'vleeshuis' (voor de verkoop van vers vlees); vanaf 1434 een 'wanthuis' (lakenhal). Een algemene gildebrief (1436) regelt de betrokkenheid van de gilden bij het stadsbestuur. Het 'gildrecht' , in oorsprong het bestuur van het genootschap van kooplieden, ziet namens het stadsbestuur toe op de naleving van het stapelrecht (zie ook par. 047).

    Omhoog

    << Vorige hoofdstuk Index Volgende hoofdstuk>>

    © 1998, 2010 Kor Feringa, in samenwerking met Grunn.nl