• Menu
  • Historie
     
    Email ons!
     
  • GRUNN.NL: Stadshistorie
  • Middeleeuwen

    Politiek en bestuur

    025

    • Kor Feringa/Middeleeuwen/stadsgeschiedenis Groningen /geschiedenis stad Groningen/historie.

    Al in het begin van de 12e eeuw, zo niet eerder, krijgen de bisschoppen van Utrecht als leenheren van Groningen te maken met de toenemende macht van de burgerij, c.q. de kooplieden , onder meer uit het geslacht der Gelkingen, die het bestuur over de stad aan zich willen trekken.
    Het conflict spitst zich toe in 1112, wanneer de bisschop de Groningers er toe dwingt de verdedigingswerken te slechten. Het is niet duidelijk of aan deze eis volledig gevolg is gegeven.
    In elk geval belooft de burgerij - na een bezetting van de St. Walburgkerk die met geweld wordt beŽindigd (zie verder par. 050) - de bisschop in 1143 geen pogingen meer te doen rond Groningen opnieuw een omwalling aan te brengen; een belofte die aan het eind van de eeuw echter niet blijkt te zijn nagekomen.
    • Het geven van toestemming tot het aanbrengen van een omwalling is in de middeleeuwen doorgaans een privilege van de landsheer.
    • Gelkingen: de eigenaren van een versterkt huis aan de Grote Markt en tevens van het zogeheten Gelkingeland, tegenwoordig het zuidwestelijk deel van de stad waarin de Zeeheldenbuurt, Laanhuizen, Corpus den Hoorn, Buitenhof, het Stadspark en het Hoornsemeer.

    Omhoog
    026

    Met het doel zijn positie in de stad te verstevigen stelt bisschop Hartbert (1139-1150) een prefectuur Groningen in en benoemt hij, in plaats van de tot dan toe functionerende hofmeiers, in 1145 een prefect (of burggraaf).

    • De prefectuur Groningen, die in bestuurlijk opzicht dus duidelijk wordt afgescheiden van Drenthe, beslaat het gehele Gorecht: de stad zelf, het resterende deel van de marke (de stadstafel), de huidige gemeente Haren en de voormalige gemeente Noorddijk (w.o. de heerlijkheid Selwerd).
      De prefect krijgt van het bisdom Utrecht munt-en tolrecht- en dus ook het marktrecht - als onderleen in erfpacht (opperleenheer of suzerein is de Duitse keizer). Ook wordt hij belast met het militair commando, de rechtspraak en het beheer van de kapittelgoederen. Ridders (miletes) of borgmannen staan de prefect terzijde. De 'curia prefecti' staat noordelijk van de St. Maartenskerk.
    De verstandhouding tussen de bisschop en de prefect staat - vanwege een verschil in belangen - al in 1164 zodanig onder druk, dat de prefect wordt vervangen.
    In de periode 1186-1196 zijn prefecten van Groningen betrokken bij een langdurig gewapend conflict over de rechtsmacht in Drenthe tussen de dan residerende bisschop, Boudewijn II van Holland, en de door een ambtsvoorganger benoemde, maar door hem niet erkende, burggraaf van Coevorden (tevens drost van Drenthe), die een geheel eigen politiek volgt. Groningen steunt daarbij de burggraaf, die verwant is aan de prefect.
    • De prefectengeslachten - de functie is erfelijk, maar gaat niet steeds over in rechte lijn - staan (achtereenvolgens) bekend als Van Groningen van Sepperode (Sepperade), Van Gronebeke van Selwerd, Ten Hove (of Van den Hove) van Selwerd. In 1190, tijdens de derde kruistocht, sneuvelt prefect Rudolf van Sepperode bij het beleg van Akko. Een vrouwelijke prefect is Ida van Selwerd.

    Omhoog
    027

    In de 12e eeuw vindt een fundamentele wijziging plaats in de status van bisschoppen als leenmannen van de keizer. Op grond van het in 1122 tussen de Duitse keizer en de paus gesloten Concordaat van Worms worden bisschoppen uitsluitend nog door de paus benoemd op voordracht van het betreffende kapittel (de investituur met kruis en ring). De keizer behoudt het recht de bisschoppen eventueel ook wereldlijke macht toe te kennen (de investituur met de scepter). De politieke mogelijkheden van de keizer bij een bisschopsbenoeming nemen daarmee af; omgekeerd ook de morele verplichting de bisschoppen in voorkomend geval te steunen.

    • Binnen een bisdom worden voordrachten voor benoemingen, met het oog op de wereldlijke macht die veelal aan de functie is verbonden, door belanghebbende families overigens nog wel politiek beÔnvloed (de bisschopsbenoemingen in Utrecht op den duur vooral door de machthebbers in Gelre en Holland). Bisschoppen zijn vaak van adellijke afkomst.
    • Eenmaal benoemd laten de bisschoppen hun kerkelijke taken doorgaans over aan lagere geestelijken.

    Omhoog
    028

    De tegenstellingen tussen de prefecten van Groningen als vertegenwoordigers van de landsheer (maar ook met een eigen belang) en de burgerij, in casu de kooplieden, nemen in de 13e eeuw steeds ernstiger vormen aan. Partijen, elk met de nodige gewapende ondersteuning, vormen wisselende coalities: de prefect met steun van de hoofdelingen (plaatselijke machthebbers) uit de Friese landen tegen de kooplieden, maar ook kooplieden en hoofdelingen tegen de prefect. Prefect en kooplieden treden overigens gezamenlijk op tegen belangengroepen uit de Friese landen als een gemeenschappelijk stedelijk belang in het geding is.
    Een deel van de Friese landen, te weten Oostergo en Westergo in de huidige provincie Frysl‚n, wordt - in 1086 en nog eens in 1138 - door de keizer formeel in leen gegeven aan het Utrechtse bisdom. Ook de graven van Holland krijgen er - in 1165 bij het Condominiumverdrag - bepaalde rechten. Over de toekenning door de keizer van rechten in de huidige Ommelanden na 1090 bestaat onduidelijkheid.

    • In 1248 bevestigt keizer Willem III 'rechten, vrijheden en privileges' in 775 door keizer Karel de Grote aan alle Friezen geschonken, van 785-814 opgeschort, maar door Lodewijk de Vrome in 814 opnieuw toegekend. Dit zgn. 'Karelsprivilege' zou - naar de gebruikelijke interpretatie - voor de Friese landen een rijksonmiddellijke status garanderen; dat wil zeggen dat zij rechtstreeks ressorteren onder de keizer en dus niet onderhorig zijn aan een landsheer. Ook zouden zij de vrijheid hebben hun eigen rechtsregels toe te passen. Het privilege is de oorsprong van de zgn. 'Friese vrijheid', waarop in later eeuwen veelvuldig een beroep wordt gedaan. Het bestaan van het privilege is in 1417 door de Duitse keizer opnieuw erkend, hoewel dan al wordt gesproken van een vervalsing van het betreffende document. Het 'Karelsprivilege' zou zijn verleend bij wijze van dank voor de hulp van de Friezen bij de verdediging van Rome in de strijd tegen de Saracenen (islamieten). Zie ook par. 60.
    • Noch de bisschoppen, noch de graven van Holland hebben in de loop van de eeuwen hun gezag in de economisch welvarende kustgebieden kunnen effectueren, al streven met name de graven van Holland daar wel naar. Van belang in dit verband is de door de Hollandse graaf Willem IV verloren slag bij Warns (eigenlijk Staveren, 1345), waaraan het Friese gezegde 'leaver dea as slaef' (liever dood dan slaaf) is verbonden. Zie verder par. 037.
      In feite maken plaatselijke en regionale hoofdelingen, grietmannen en abten in de Friese landen de dienst uit.
    • Het ontbreken van daadwerkelijk landsheerlijk gezag in zowel Wester- als Oosterlauwers Friesland (Oosterlauwers Friesland: de Ommelanden van Groningen met - tot in de 13e eeuw - ook het Oldambt) is mede het gevolg van de perifere ligging van deze gebieden ten opzichte van de bestuurscentra van de formele leenheren.
    • Het begrip 'Ommelanden' ziet volgens sommige schrijvers oorspronkelijk overigens op aan de zee gelegen landen, niet op de landen gelegen rondom Groningen. Daarvan wordt voor het eerst gesproken in 1386.

    Omhoog
    029

    In de jaren 1222-1227 wordt in een burgeroorlog de prefect uit de stad verdreven door de Gelkingen, die worden gesteund door de burggraaf van Coevorden, zoals eerder aangegeven formeel ook een leenman van de bisschop van Utrecht. De prefect neemt (22 april 1227) de stad weer in met behulp van Ommelanders uit Hunsingo. Groningen zou daarbij in de as zijn gelegd.

    • Op 22 juli 1227 wordt het leger van de bisschop van Utrecht, Otto II van Lippe, dat op weg is om de prefect van Groningen bij te staan, door de burggraaf van Coevorden verslagen in de moerassen bij Ane. Onder meer de bisschop zelf komt daarbij om het leven.
      In een daaraanvolgende slag om de borg van Peize worden de burggraaf en de Gelkingen op hun beurt door troepen van de bisschop verslagen.
    • Tijdens de nog jaren voortdurende onlusten in Drenthe is er in 1232 sprake van een uitval van Groningers tot in Zuidlaren, waar dan juist markt wordt gehouden. Het is de eerste vermelding van de Zuidlaarder paardenmarkt: sinds 1701 op de derde dinsdag in oktober.
    In Groningen wordt in 1242 opnieuw melding gemaakt van gewapend verzet tegen de prefect door de Gelkingen, met weer een stadsbrand als gevolg.
    In 1250 en 1251 wordt de stad belegerd vanuit Hunsingo en Fivelingo (die hun onderlinge conflict om een eiland in de huidige Noordpolder (boven Warffum) daartoe bijleggen en het Oldambt. De stad verhoogt namelijk de prijs van het koren waardoor in die streken hongersnood ontstaat (par. 066).
    • Bij de overgave moeten de prefect en zijn ridders de stad verlaten, maar mogen de - allengs voor de Ommelanden onmisbare - kooplieden blijven. De stadsmuren moeten echter voor een deel worden geslecht.
    In 1255 worden de geschillen tussen prefect en burgerij - na weer nieuwe strubbelingen - voorlopig bijgelegd. De prefect behoudt in de stad evenwel nog slechts minimale rechten (de rechtspraak). Hij is ook niet meer in de stad woonachtig. Zijn ridders of borgmannen (bewoners van de steenhuizen in en rond de stad) nemen een tussenpositie in. Uit hun kringen komen ook stadsbestuurders voort.

    Omhoog
    030

    Al rond 1220 wordt de in wezen, zeker voor wat betreft de bouwkundige ontwikkeling, Noord-Duitse stad Groningen aangeduid als een zeer rijke plaats: 'civitas opulentissima'. De stad noemt zich vrije- en rijksstad: de civitate nobile et caesaerea Groningensi, d.w.z. bevrijd van het bisschoppelijk bestuur en 'rijksonmiddellijk', want ontstaan op koningsgoed en derhalve alleen de keizer onderworpen.
    De facto heeft Groningen in deze eeuw stadsrechten, te weten een zekere autonomie en de jurisdictie over het eigen grondgebied.

    • Het verlenen van stadsrechten is een prerogatief van de landsheer, die een stad daarmee in feite erkent als een (vrijwel) autonome juridische entiteit. Het is tevens een manier om een stad aan zich te binden.
      In veel gevallen zijn het overigens de burgers van een stad zelf die de stadsrechten formuleren en daarop een bevestiging van de landsheer vragen. De civitas van Groningen heeft zo'n erkenning kennelijk nooit nodig geoordeeld.
    • Ook een uiterlijk teken van grote autonomie is aanwezig. Zo gebruikt Groningen plm. 1245 een stadszegel met een afbeelding van de St. Maartenskerk (dan juist vernieuwd) en het randschrift 'Sigilum civitatis Groniensis'. De afbeelding van de kerk op het zegel komt overeen met de werkelijkheid, zo blijkt uit bouwhistorisch onderzoek.
      De afbeelding verwijst ook naar het geloof in een goddelijke macht die de rechtsgemeenschap van Groningen beschermt. De landszegels van de omliggende Friese landen bevatten eveneens sacrale afbeeldingen.
    • Groningen mag zich dan wel rijksstad noemen; de stad is niet schatplichtig aan de Duitse keizer en heeft geen 'Sitz und Stimme' in de Rijksdag.

    Omhoog
    031

    De civitas (of universitas), de stadsgemeenschap, wordt bestuurd door achtereenvolgens oldermans (aldermanni) en door 12 consules of raadsheren. Deze laatste worden voor het eerst genoemd in 1245.

    • Oldermans worden wel gezien als de representanten van de verschillende buurschappen in de marke; de raadsheren als stadsbestuurders. In 1318 worden ze aangeduid als 'consules civitatis'; oldermans worden dan niet meer genoemd. Die term geldt nog wel de voormannen van de gilden (par. 067).
    Vanaf plm. 1275 is er ook sprake van vier burgimagistrii of burgemeesters. Hun voorlopers (genoemd in 1257) zijn de rationales of rekenmeesters. In 1322 is er al sprake van een stadsschrijver of notarius.
    De burgemeesters (die elkaar per kwartaal aflossen) en raadsheren worden elk jaar op 22 februari (St. Petrusdag) gekozen door de 24 leden tellende gezworene of gemene meente, bestaande uit aanzienlijke burgers van de stad (de Petrikeur). Als hun woordvoerders treden drie zgn. 'taalmannen' op. De gezworene meente is te vergelijken met de huidige gemeenteraad, de burgemeesters en de raadsheren vormen het dagelijks bestuur van de stad, vaardigen wetten en resoluties uit en zijn mede verantwoordelijk voor de rechtspraak.
    • Bij verkiezingen wordt gebruik gemaakt van keuzeheren, kiesmannen, die worden aangewezen door uit een keurhoed witte en zwarte bonen te trekken. Het randschrift van de hoed luidt: 'het grootste bewijs der vrijheid is, zijn eigene gewoonten en wetten te gebruiken'.
      Jaarlijks treedt de helft van de leden van de gemene meente, van de burgemeesters en van de raadsheren af. Alle genoemde functies worden overigens uitgeoefend binnen een gesloten circuit van vooraanstaanden, zodat dezelfde personen doorgaans nu eens de ene, dan weer de andere positie bekleden. Wel worden al te nauwe familiebanden binnen een bepaald college vermeden.
    • Door de eeuwen heen worden in de stad geboren Groningers wel aangeduid als 'mollebonen'. Mogelijk is er een verband met de eerder genoemde witte en zwarte bonen.
    • In de wikipedia is een lijst van burgemeesters van Groningen opgenomen.
    Bij belangrijke beslissingen kan het stadsbestuur ook een beroep doen op de 'oude raad', de voormalige raadsheren, en op de 'wijsheid der stad', een bijeenkomst van alle aanzienlijke burgers gezamenlijk, w.o. de voormannen van de verschillende gilden. Raadpleging van alle burgers (in de St. Walburgkerk) vindt slechts plaats bij zeer belangrijke aangelegenheden, bv. de erkenning van een nieuwe landsheer.

    Omhoog
    032

    Groningen kent in de middeleeuwen twee vormen van burgerrecht. Het kleine burger- of buurmaalsrecht omvat het recht tot vrije koophandel en het recht een ambacht uit te oefenen, dan wel nering te doen. Bovendien heeft men deel aan de stadsrechten en -vrijheden. Men is ingezetene van de stad.
    Het volle burgerrecht omvat bovendien het recht verkozen te worden in alle ambten en bedieningen.
    Het burgerrecht wordt verkregen door het hebben van bezit of eigendom, of door geboorte, huwelijk of vestiging in de stad. Men kan zich ook inkopen. Burgers zijn verplicht tot het betalen van belastingen, het leveren van diensten aan de stad en tot het - financieel en in persoon - bijdragen aan de verdediging ervan (en aan militaire inzet elders: het 'reizen met de wimpel').
    Alle burgers leggen een eed van trouw af aan de stadsregering. Het burgerrecht geldt formeel overigens alleen de mannelijke inwoners.

    • Inwoners van de stad, van de stadstafel, van de stadsjurisdicties en van Drenthe worden gezien als landgenoten. Alle overigen zijn 'buitenlanders'. Het onderscheid is onder meer van belang in de toepassing van het strafrecht.
    • Alle stadsbewoners - behalve de burgers en hun gezinnen ook de 'bijwoners' (dienstpersoneel, gezellen, leerlingen, dagloners, e.a.) en de vreemdelingen - moeten zich houden aan de regels met betrekking tot het gebruik van open vuur en licht, van maten en gewichten, tot het houden van dieren en tot de reinheid van de straten.
    • Middeleeuwse bronnen geven aan dat in het algemeen zo'n 4% van de inwoners van een stad behoort tot de aanzienlijke burgers; 16% staat te boek als 'kleinburger', 20 ŗ 30 % van de inwoners zou arm zijn.

    Omhoog
    033

    De stad is verdeeld in afzonderlijke buurschappen: de kluften. Het zijn de kleinste bestuurlijke eenheden, belast met taken op het gebied van 'politiezorg', bevolkingsadministratie, verdediging, bouwtoezicht, e.d. Ook de burenplichten worden in dit kader vervuld. De kluften staan onder leiding van kluftmeesters of kluftheren.

    • De Ebbingekluft en de Oosterkluft (ook wel Gelkinge-, Gaddinge- of Haddingekluft) behoren tot het St. Maartenskerspel (parochie); de A-, Neder- of Utingekluft en de Assinge- of Boteringekluft tot het A-kerspel. Tot na WO II is het historische begrip 'kluft' (het woord is te herleiden tot 'klieve' of 'scheide') in de stad nog gehanteerd door de toenmalige hervormde gemeente.

    Omhoog
    034

    Vanaf de tweede helft van de 13e eeuw sluit de stad zelfstandig, dus zonder instemming van de prefect, verdragen met verscheidene Friese landen. Deze verdragen hebben een wisselende reikwijdte en strekking. In het algemeen gaat het om onderwerpen als waterbeheersing, hulp tegen vreemd geweld, vrij handelsverkeer, de veiligheid van personen en goederen, het tegengaan van rechteloosheid. In een latere fase worden in dergelijke verdragen ook het stapelrecht en het biermonopolie van de stad geregeld en de mogelijkheid van hoger beroep op vonnissen van plaatselijke rechters bij rechtscolleges in de stad.

    Omhoog
    035

    De overeenkomsten met (groepen van) hoofdelingen en grietmannen uit de Friese landen hebben enerzijds tot gevolg dat de anarchie (de keerzijde van de 'Friese vrijheid') in de betrokken gebieden wordt opgeheven; de stad neemt anderzijds in de loop van de tijd een zodanig overheersende positie in dat daardoor juist weerstanden worden opgeroepen. Ook een als al te welwillend beoordeelde houding van de stad tegenover vreemde machthebbers die invloed in de Friese landen nastreven roept verzet op.

    • In de 13e eeuw wordt melding gemaakt van verdragen met Fivelingo (1258, met een nog opmerkelijk bescheiden positie voor de stad), Menterwolde (1283/7) en Drenthe (1291); in de volgende eeuw met Leeuwarden (1317), Oostergo (1318), Hunsingo (1321), opnieuw met Fivelingo (1325).
    In de jaren 1330-1338 wordt Groningen vanuit de Ommelanden aangevallen en - in 1334 - zelfs veroverd. De Groningers wordt verstoring van de vrije handel verweten alsmede frauduleuze handelingen met maten, gewichten en munten.
    In 1338 echter maakt de stad weer afspraken met Hunsingo, Fivelingo, maar ook met Westerwolde, Drenthe en met de abten van Aduard en Wittewierum, onder meer om eens per jaar 'de munt te regelen'.
    Bovendien verbindt Groningen zich dan tegenover de verdragspartners de Friese vrijheid te beschermen tegen alle vreemde heren.
    De Saksisch-Drentse stad is daarmee impliciet een deel geworden van de Friese landen.
    • De reeks verdragen wordt voortgezet: de Stellingwerven en Schoterwerven (1355), Oostergo en Westergo (1361), Peize en Roden (1352), Humsterland (1366), Reiderland (dat dan nog reikt tot de Eems), het Oldambt, Fivelingo, Westerkwartier, Vredewold en Langewold (1368), Hunsingo (1378), opnieuw Oostergo en Westergo (Schierings verbond, 1381).
    • In de gebieden die gerekend kunnen worden tot de huidige Ommelanden, wordt tot in de 14e eeuw Fries gesproken. Eerst geleidelijk gaat men - onder invloed van de stad - over op (dialecten van) het Nederduits. De stad zelf zou tot plm. 1300 tweetalig zijn geweest. In 1370 worden in Groningen ambtelijke stukken niet meer in het Latijn geschreven, maar in het Nederduits (doorgaans in gothisch schrift).

    Omhoog
    036

    In de Friese landen woeden al halverwege de 14e eeuw veten tussen Schieringers en Vetkopers, de benamingen voor regionale strijdgroepen van wisselende (familie)samenstelling en betekenis, die in de loop van de tijd blijken vooral te verschillen in de economische en politieke belangen die zij op enig moment nastreven.
    Aanvankelijk kiest de stad voor de 'Schieringers' en is Groningen het centrum van verzet tegen Hollandse invloeden in de Friese landen, in die jaren belichaamd door Albrecht van Beieren, graaf van Holland (in functie 1358-1404). Albrecht van Beieren heeft onder meer een verbond gesloten met de Vetkoperse hoofdeling Ocko ten Broke, die streeft naar de volledige rechtsmacht in Oost-Friesland.

    • Schieringers: mogelijk genoemd naar de grauwe, of schiere, habijten van ongebleekte schapenwol van de lekenbroeders van de CisterciŽnzer kloosterorde; de Vetkopers naar de vetweiderij en de daarmee verbonden handel (op Holland) door de orde der Praemonstratenzers of Norbertijnen. De benamingen komen voor het eerst voor in 1392 en gelden met name partijen in Westerlauwers Friesland. Voor de controversiŽle facties in stad en ommelanden zijn uit de 14e eeuw geen nadere aanduidingen bekend.
    • Kloosters en kloosterorden spelen een belangrijke rol in het politieke en economische leven, gegeven hun betrokkenheid bij landontginning, landbouw en waterstaat (zijlvestenijen). De leiding van de kloosters is veelal verwant aan plaatselijke machthebbers.

    Omhoog
    037

    Albrecht van Beieren, aan wiens voorgeslacht de Duitse keizer - zoals eerder vermeld - het oppergezag in de Friese landen ooit heeft geschonken, doet vanaf 1396 pogingen die gebieden ook feitelijk onder zijn gezag te brengen. Tegen het eind van de eeuw erkennen de Vetkoperse voormannen in belangrijke delen van Westerlauwers Friesland hem als hun landsheer.
    Niet ten onrechte ervan uitgaande dat de stad Groningen ook tot de Friese landen behoort, tracht Albrecht van Beieren ook de stad voor zich te winnen. De meerderheid van het stadsbestuur verzet zich echter daartegen.

    • Albrecht van Beieren trekt Friesland ook binnen met het oogmerk een einde te maken aan de kaapvaart op de Zuiderzee door de zgn. 'likedelers' (hun buit wordt verdeeld in gelijke porties), die opereren vanuit de Lemmer.
    • De zeerovers hebben oorspronkelijk hun domicilie met name in Oost-Friesland, waar zij bekend staan als VitaliŽnbrŁder. Deze laatste naam voert terug op eerdere (deels legale) activiteiten in de Oostzee. In het kader van het Hanzeverbond is ook de stad Groningen rond 1400 betrokken bij de bestrijding van piraterij op de Noordzee en de Wadden. In 1422 vindt nog een expeditie plaats tegen kapers uit Dokkum en Ezumazijl.

    Omhoog
    038

    De positie van de prefect komt in het begin van de 14e eeuw opnieuw ter discussie. Rond 1309 woedt een hevige strijd tussen de prefect en zijn aanhangers ('die van de Herestraat') en de families Folkerdinghe en Harderinge (de zgn. Westerpartie). Daarbij wordt het dan juist gereedgekomen nieuwe stadhuis op de Grote Markt vanwege de prefect afgebroken. Het wordt in 1311 herbouwd. (Mogelijk staat al in 1255 een raadhuis op de Grote Markt.)
    Na 1321 komt de titel 'prefect' in de stadsgeschiedenis niet meer voor.
    De autonomie van de stad blijkt in deze periode o.m. uit de codificatie van de rechten van het stadsbestuur in het 'stadboek' (1311 en 1330). Wel geeft in 1310 de landsheer (dan bisschop Gwijde van Avesnes) nog de aanwijzing dat in het stadboek de rol van de raad als rechtbank voor alle Groningers, dus zonder uitzonderingen, moet worden vastgelegd.

    Omhoog
    039

    In de loop van de 14e eeuw wordt de relatie met de formele landsheren van Groningen, de bisschoppen van Utrecht, in de praktijk een louter financiŽle. In 1380 erkent de stad nog eens het belastingrecht van de bisschop.
    Het bisdom is dan al, om economische redenen (geldgebrek is doorgaans het belangrijkste probleem van het bisdom), er toe overgegaan het Gorecht met de heerlijkheid Selwerd te verpachten aan leden van het prefectengeslacht Ten Hove van Selwerd. Na een periode van wanbetaling door de Ten Hoves verkrijgt de stad in 1392 een groot deel van de prefectuur zelf in pacht. De rechtspraak (het gericht van Selwerd) en het muntrecht gaan over naar de stad. De munten dragen het randschrift 'Moneta Nova Groniensis': nieuw Gronings geld.

    • Groningen voert ook het wapen van de prefectuur: een schild met een groene baan en dito wimpel. Een eerste afbeelding van het wapen dateert uit 1263. De betekenis van de kleur groen in het wapen is onbekend; mogelijk is er een relatie met de eerdere status van de prefectuur als domein van de Salische keizers. Zie voor het stadswapen verder par. 076.
    • De groene baan is in later eeuwen opgenomen in de stedelijke vlag.
      De kleuren wit en groen vormen daarnaast het centrale kruis in de provinciaal Groningse vlag (vastgesteld in 1950). Zie par. 266.
    • De financiŽle problemen van het bisdom zijn onder meer het gevolg van de hoge afkoopsommen die een nieuw te benoemen bisschop moet betalen aan concurrerende kandidaten voor het ambt, aan hoge ambtenaren, steden, e.d.: alles in ruil voor hun steun. Ook voor de wijding door de paus moet worden betaald. Tenslotte zijn er de kosten van het bisschoppelijk leger.

    Omhoog
    040

    In 1393 wordt de bisschopszetel van Utrecht ingenomen door Frederik van Blankenheim. Het domkapittel draagt hem bij die gelegenheid alle rechten en goederen van het bisdom over. De bestaande pachtovereenkomst met Groningen blijft daarbij in stand. Ook overigens streeft de bisschop - om machtspolitieke redenen - althans voorlopig naar goede verhoudingen met de stad. In 1399 komt een verdrag tot stand waarin Groningen belooft geen andere heer te zullen aannemen als dat zou strekken tot nadeel van de bisschoppen of het bisdom van Utrecht. De bisschop op zijn beurt belooft Groningen te zullen steunen in de strijd tegen vreemde heren (in casu de graven van Holland: vgl. par. 037).

    • In Drenthe moet de kastelein van Coevorden zich in 1395 opnieuw onderwerpen aan het gezag van de bisschop.

    Omhoog
    041

    De houding van de bisschop verandert als uit de stad verdreven Vetkopers zijn hulp inroepen. Frederik van Blankenheim ziet nu mogelijkheden Groningen meer aan zich te binden. Hij slaat in 1400 een kortdurend beleg voor de stad. Deze militaire actie staat in de historie bekend als de Groninger oorlog.

    • De belegering vindt o.m. plaats vanaf de Kempkensberg (in het huidige Sterrebos). Schansen, met van de naam van de bisschop afgeleide namen als Blankeweer (bij Noordlaren) en Blankevoorde (bij Glimmen in een bocht van de A) blijven na het opbreken van het beleg dienen om de toegangsroutes naar Groningen te kunnen blokkeren, om zodoende strooptochten van de Groningers in Drenthe te kunnen voorkomen.
    • Het grensgebied tussen het Groningen en Drenthe wordt in de middeleeuwen gemarkeerd door wederzijdse versterkingen. Ook de namen Weerdenbras en Nutspete (of Mitspete) worden in dit verband genoemd.

    Omhoog

    Ruimtelijke orde

    042

    Het stadsgebied van Groningen wordt in de 12e eeuw nog uitgebreid door de aanwinning van land in de oostelijke bedding van de A.
    Enkele - nu nog in het landschap te herkennen - meanders van de Hunze in de Koningslaagte worden rond 1100 afgesneden.
    Omstreeks 1250 wordt, ter bescherming van het Woldgebied, de nog bestaande Wolddijk (van Noorderhoogebrug tot bij Ten Boer) opgeworpen. Het (Drenther)wold wordt - onder meer vanuit Groningen - ontgonnen. Daarbij ontstaan dorpen als Wolfsbarge, Kropswolde, Westerbroek, Engelbert, Middelbert en Noorddijk. Ook de buurtschappen Waterhuizen, Roode Haan, Euvelgunne en Noorderhoogebrug, alle gelegen aan de Hunze, zijn in deze periode ontstaan.

    Omhoog
    043

    Vanaf het midden van de 13e eeuw (eerste vermelding 1262) worden op de omwalling van Groningen bakstenen muren gebouwd met 20 uitspringende muurtorens. De muren zijn plm. 5-6 m. hoog en 60 cm. breed. De stad is toegankelijk via een zestal in baksteen opgetrokken poorten.

    • Het zijn de Boteringepoort, de Ebbingepoort, de Poelepoort, de Oosterpoort, de Herepoort en de Apoort. Tussen de Apoort en de Boteringepoort is geen toegangsweg naar de stad.
    In deze periode heeft het stratenpatroon van de binnenstad al vrijwel volledig de vorm die het nu nog heeft. Achterstraten (Haddingedwarsstraat, Stalstraat, Kreupelstraat) behouden soms nog eeuwen hun oorspronkelijk karakter.
    • De meeste straten die uitlopen op de beide marktpleinen zijn, uit veiligheidsoverwegingen, bij de uitmondingen vernauwd. (Bij de wederopbouw na WO II is met name de vernauwing van de O. Ebbingestraat ongedaan gemaakt). Eveneens om veiligheidsredenen is het beloop van de straten achter de poorten niet kaarsrecht, maar is een lichte kromming aangebracht. Tenslotte geven ook de poorten zelf een kromming te zien.
      Voor de Herepoort, de Oosterpoort en de Poelepoort bevinden zich weerpleinen. In de middeleeuwen wordt geschoten met hand- en kruisboogwapens.
    • De oudste straatnaam in Groningen is die van de Ebbingestraat. De naam komt voor in 1245. (Zie verder in de wikipedia.)
    • De - voor het eerst in GVA 1842 - door Acker Stratingh opgeworpen gedachte dat de Vismarkt ooit een haven, dan wel ten minste een opvaart zou zijn geweest, wordt niet door de uitkomsten van bodemonderzoek bevestigd. Ook het hoogteverschil tussen Herestraat en het Kleine der A maakt deze optie niet waarschijnlijk.

    Omhoog
    044

    In de loop van de 13e, en deels ook in de 14e eeuw, worden de stadsmuren omgeven door dubbele droge, respectievelijk met stilstaand water gevulde, defensieve grachten. Tussen de grachten ligt op sommige plaatsen nog een aarden wal met borstwering, een singel. De grachten bevinden zich:

    • aan de noordzijde: tussen de wal/muur en het huidige Lopendediep;
    • aan de oostzijde: tussen de wal/muur en het tegenwoordige Schuitendiep;
    • aan de zuidzijde: ter hoogte van het huidige Ged. Kattendiep - Ged. Zuiderdiep;
    • aan de westzijde: de A als binnenste stadsgracht; tussen de A en de oeverwal het ca 1350 nieuw gegraven Mennersdiep (Menrediep).
    Het Lopendediep en het Schuitendiep in hun huidige vorm zijn in de beschreven periode nog niet gegraven.

    Omhoog
    045

    Omstreeks 1215 verrijst ten noorden van de St. Maartenskerk, op de plaats van de huidige Prefectenhof, een steenhuis (verdedigbaar huis met de ingang op de eerste verdieping) voor de prefect.
    Andere steenhuizen in Groningen, bewoond door leden van vooraanstaande geslachten (borgmannen), zijn het nog bestaande Calmershuis (O.Boteringestraat/Broerstraat), idem het Hinckaartshuis (O. Kijk in 't Jatstraat 6), het Folkerdinghehuis (Akerkhof/Folkingestraat), het oostelijke hoekpand Gr. Markt/Gelkingestraat, een huis op de oostelijke hoek Vismarkt/Pelsterstraat. Ook bij de Abrug staat een steenhuis (van het geslacht Ter Brugge).
    Niet duidelijk is of en in hoeverre al deze huizen ook werkelijk verdedigbaar waren.

    • Huizen waarvan delen nog uit de 12e of 13e eeuw dateren staan vooral aan de Grote Markt zuidzijde, Herestraat, het Hoge der A en de O. Boteringestraat. Geschat wordt dat in de binnenstad in totaal nog 2-300 huizen oorspronkelijk stammen uit de periode tot 1500.
    • Het overgrote deel van de huizen in de stad is gebouwd van hout. Rond 1200 wordt voor het eerst in baksteen gebouwd; in de loop van de 13e en in de 14e eeuw vindt op grotere schaal 'verstening' plaats. Op initiatief van de kloosters ontstaan dan talrijke tichelwerken en kalkovens. Aan het einde van de 16e eeuw zijn er - op enkele uitzonderingen na - geen houten huizen meer. Het laatste houten huis (achterzijde perceel Folkingestraat 53) is overigens eerst aan het einde van de 20e eeuw afgebroken.
    Buiten de stad is in de middeleeuwen sprake van versterkte steenhuizen of stinsen als Groenenberg of Gronenborch, ook wel Gronebeke (in een bocht van de Hunze, nu Finsehaven), definitief verwoest 1338 (eerder in 1242 en 1250); de Vrijdemaborg in een meander van de Hunze, buiten de stadsvrijheid (in het huidige Oosterpark); het Reinoltshuis in de wijk De Hunze (De Klerkstraat), verwoest 1401; het Cortinghhuis of Cortingheheem in de Borchmanneham (De Hoogte), omgestort 1338; kasteel Selwerd (verwoest 1338) en kasteel (of blokhuis) Paddepoel (ook wel Zernikeburcht), gebouwd omstreeks 1225, gesloopt 1357. In elk geval de huizen Gronenborch, Selwerd en Paddepoel worden bewoond door leden van de opeenvolgende prefectengeslachten.

    Omhoog
    046

    Het verdedigingsstelsel wordt in de 14e eeuw in stand gehouden en, nadat onder dwang - als gevolg van de vrede met de Ommelanden (1338) - de stadsmuur tussen Ebbinge- en Boteringepoort moet worden afgebroken, omstreeks 1350 weer hersteld en nog uitgebouwd.

    • Bij de vrede van 1338 moeten zes steenhuizen van de weergangen op de verdieping worden ontdaan.
    • In 1361 wordt de (in 1338 goeddeels verwoeste) woontoren van de prefectenfamilie in Selwerd door de stad aangekocht en met de grond gelijk gemaakt. Het huis Paddepoel is dan al gesloopt. Beide vormen een bedreiging voor de scheepvaart naar zee.
    • Het terrein van het voormalige kasteel Selwerd ('De Huppels', noordelijk van de begraafplaats Selwerderhof), is beschermd als archeologisch rijksmonument.

    Omhoog
    047

    Rond het midden van de 13e eeuw wordt de A ten noorden van de stad voor een deel vervangen door een gegraven rak: het huidige Reitdiep). Het kanaal sluit in eerste aanleg bij Dorkwerd aan op (de bedding van) een meander van het Eelderdiep en komt vervolgens via 'de mude' (= monding met sluis) ten zuiden van de boerderij Harssensbosch uit op de Hunze.
    Aan het eind van de 14e eeuw (1385) ontstaat een rechtstreekse verbinding met de Hunze bij Wierum door het graven van een nieuw rak (het Zwanerak) vanaf Dorkwerd. Het rak sluit aan op een al eerder (1360) gegraven kanaal dat dient voor de uitwatering van Lieuwerderwolde op de Hunze.

    • Het Reitdiep mondt als Groninger diep uit in de Noordzee via de Scholbalg tussen Ameland en Schiermonnikoog (nu Friese gat of Westgat). Vanuit de stad Groningen verzorgt het gildrecht de bebakening en betonning. Op Schiermonnikoog is door de stad een kaap opgericht.
    Het riviertje de Hunsinge (eigenlijk het Peizerdiep) wordt rond 1290 door de conversen van het Aduarder klooster afgeleid naar het dan nieuw gegraven Aduarderdiep (vanaf Leegkerk tot de Aduarderzijl). Ten zuiden van Leegkerk wordt in het verlengde van het Aduarderdiep de Zuidwending gegraven.
    In de eerste helft van de 14e eeuw wordt ten zuiden van de stad (vanaf Glimmen) de A vergraven tot het Hoornse diep. In 1360 is er al sprake van de Hoensloot (Hoendiep).
    • 'Reitdiep': vergraven diep; 't Hoen' (van het hoeden van vee): landstreek even buiten het toenmalige Groningen.

    Omhoog

    Bevolking

    048

    Naar schatting bedraagt het aantal inwoners van de stad in de middeleeuwen ca. 5.000. Dit aantal zal slechts zeer geleidelijk stijgen, voornamelijk door migratie.
    Men wordt in deze periode gemiddeld niet ouder dan 35 jaar. Mannen worden gemiddeld ouder dan vrouwen; veel vrouwen sterven in het kraambed.

    • Voor middeleeuwse begrippen is Groningen een middelgrote plaats: slechts weinig steden in Europa tellen meer dan 10.000 inwoners. De grootste zijn Keulen en Gent met 40-50.000 inwoners. Groningen komt niettemin al voor in een Arabische atlas uit 1154.
    In 1349/1350 woedt in Europa een pestepidemie. Daarbij sterft zeker een derde (in sommige streken zelfs de helft) van de bevolking. In Groningen moet de 'haastige ziekte' (of Zwarte Dood, de term dateert uit de 19e eeuw) in 1350 vanuit Duitsland zijn doorgedrongen.
    • De pestbacil (Yersinia pestis) - endemisch in het historische Turkestan aan de zijderoute - wordt in 1349 naar Messina (ItaliŽ) overgebracht door Genuese schepen, afkomstig uit Feodosya, een haven op De Krim. Ook naderhand spelen havensteden een belangrijke rol in de snelle verbreiding van de ziekte in Europa.
    • Voor de St. Bernard-abdij in Aduard wordt een sterfte van 55% gemeld. Voor de stad zijn geen nadere schattingen voorhanden. Ook over de Jodenvervolging die in genoemde jaren heeft plaatsgevonden (o.m. in Kampen, Zwolle en Oldenzaal, in welke steden Joden 'uit liefde tot God' worden gedood en verbrand door groepen rondtrekkende flagellanten) zijn voor Groningen geen gegevens bekend. De Joden worden ervan beschuldigd de veroorzakers van de pestepidemie te zijn. Zij zouden het drinkwater hebben vergiftigd.
    • Zeker sinds het functioneren van het christendom als staatsgodsdienst worden Joden in de samenleving gemarginaliseerd. Hen wordt verweten Christus te hebben gekruisigd. In West-Europa gelden vanaf de 12e eeuw tal van discriminerende maatregelen. Daaronder regelmatig de verplichting tot het dragen van - doorgaans geel gekleurde - onderscheidingstekenen. Zie ook par. 267.

    Omhoog

    Religie en sociale zorg

    049

    In de volle middeleeuwen is er, ook in Groningen, uitsluitend sprake van de rooms-katholieke godsdienst. In de stad worden kerken en kloosters gesticht. Monniken en nonnen zijn niet alleen werkzaam ten behoeve van de eredienst en de pastorale zorg, maar zijn ook actief in het onderwijs, de zorg voor zieken, armen en vreemdelingen, in de landbouw en in de landaanwinning.
    In 1075 wordt voor alle geestelijken de celibaatsplicht heringevoerd. Eerder geldt dat alleen de hogere geestelijkheid.

    Omhoog
    050

    Op het noordelijk deel van het tegenwoordige Martinikerkhof wordt, plm. 1100-1112, een tufstenen kerk gebouwd als hofkapel voor de bisschop van Utrecht.

    • Ter plaatse staat eerder al (gedurende korte tijd) een houten gebouw, met mogelijk ook een religieuze functie. Een nog ouder gebouw op dezelfde plaats is gedateerd op plm. 650.
    Deze St. Walburgkerk is verdedigbaar: het is een zgn. kerkburcht, in feite een bolwerk van de vertegenwoordiger van de bisschop in Groningen, zowel tegen aanvallen van vreemde indringers als tegen de burgers van de stad. Voor de burgerij is de kerkburcht een bedreiging in hun streven naar onafhankelijkheid.
    De St. Walburgkerk is in deze periode geen parochiekerk. De pastoorsweem (pastorieboerderij) van de kerk ligt aanvankelijk aan de noordzijde van het tegenwoordige Martinikerkhof, later aan de westzijde.
    • In 1189 breken de inwoners van Groningen het dak van de kerk af na een twist over de eigendomsrechten van de bisschop.
      De Groningers menen recht te hebben op de kerk omdat zij eerder zelf ter plaatse een verdedigingswerk tegen de Deense vikingen zouden hebben opgericht. Er zijn niet te verifiŽren berichten over een aanval van de Noormannen op Groningen rond 991.
    • St. Walburg (plm. 710-779), een uit Zuid-Engeland afkomstige missionaris, abdis van een nonnenklooster in Heidenheim (Beieren). De van 1100-1112 in Utrecht residerende bisschop, Burchard, is van Beierse komaf.

    Omhoog
    051

    In 1247 wordt een dan al bestaande kapel, gesticht plm. 1212 en toegewijd aan O.L.Vrouwe en de H. Nicolaas (en aan alle Heiligen), tot parochiekerk verheven. Vanaf plm. 1350 uitsluitend O.L. Vrouwe- of Mariakerk. Naderhand wordt ter plaatse een kruisbasiliek gebouwd (gereed in 1466): de kerk to der A of (Der) A-kerk.

    • De grens van de parochie (het A-kerspel) met die rond de oudere St. Maartenskerk verloopt langs de O. Kijk in 't Jatstraat - Stoeldraaierstraat - Haddingestraat.
    De tufstenen St. Maartenskerk wordt plm. 1225-1250 eveneens vervangen door een kruisbasiliek (in romaans-gothische stijl). Met het overbrengen van de relieken van St. Martinus bestaat geen twijfel meer over het patrocinium van de kerk.
    • De St. Maartenskerk bezit ook een relikwie in de vorm van een arm van Johannes de Doper, gevat in een zilveren reliekhouder die is bezet met juwelen. De kerk wordt daarom bezocht door bedevaartsgangers. Het stadsbestuur maakt van het bezit van het relikwie periodiek gebruik in discussies met de landsheer. Het reliek is in 1588 verloren gegaan.
    • De naam van de H. Otger wordt ook in deze periode nog in ere gehouden. Zijn naamdag (10 september) is het begin van de vrijmarkt, tevens betaaldag van pachten en andere schulden.

    Omhoog
    052

    In Aduard wordt in 1192 een CisterciŽnzerklooster gesticht: de St. Bernard-abdij. Het zal uitgroeien tot het machtigste en invloedrijkste klooster in de Friese landen. De plm. 150 CisterciŽnzer priestermonniken en meer dan 250 conversen en lekenbroeders houden zich niet alleen bezig met zielzorg en onderwijs, maar - vanuit de voorhoven van het klooster - ook met land- en veenontginning en inpolderingen.

    • Hun pij heeft een witte kleur (voor priesters) of een grauwe (of schiere) kleur (voor conversen of werkmonniken met beperkte religieuze verplichtingen). Vgl. de naam Schiermonnikoog.
      Tot de lekenbroeders behoren donaten (die uitsluitend een belofte van gehoorzaamheid afleggen en hun bezittingen aan het klooster overdragen) en ook proveniers. De laatste leggen geen beloften af.
    • Het klooster heeft uiteindelijk zo'n 25% van de oppervlakte van de huidige provincie Groningen in eigendom, w.o. de eerste veenkoloniŽn: Wolfsbarge en Kropswolde en ook de eilanden Bosch, Corenzand en Heffezand (par. 023). De stad Groningen verbiedt de abdij in 1349 zijn bezit in dit gebied nog uit te breiden. In Drenthe is de abdij eigenaresse van o.m. landerijen langs het Eelder- en Peizerdiep. De landerijen worden veelal verhuurd aan pachtboeren of meiers.
    Het Aduarder klooster (verwoest in 1580) heeft - evenals 20 andere kloosters in de Friese landen en in Drenthe - een refugium (wijkplaats ingeval van oorlog en voor de wintermaanden) in de stad: in dit geval aan de huidige Munnekeholm/Reitemakersrijge.
    Een CisterciŽnzer-vrouwenklooster (Jesse of Yesse) ligt in de huidige buurtschap Essen. Het is ingewijd in 1215 (en wordt verlaten in 1594).

    Omhoog
    053

    Plm. 1245 vestigt zich in Groningen, op een terrein ten zuiden van de tegenwoordige Broerstraat, de bedelorde der Franciscanen of Minderbroeders. Eerder al, plm. 1170, is een Benedictijner dubbelklooster, het klooster Maria Virgo, St. Catharinaklooster of klooster Silowerth voor zowel monniken als nonnen, gesticht in Selwerd. Het wordt in 1584 verlaten. Ter plaatse staat tegenwoordig de boerderij 'Groot Klooster'.

    • In de jaren 1276, respectievelijk 1284, ontstaan ten noorden van de Broerstraat het Vrouw Menolda-convent en het Vrouw Sijwen-convent: begijnhoven voor vrouwen; zonder speciale regels, maar wel gericht op een leven van gebed en meditatie. De begijnen zijn werkzaam in het onderwijs en in de ziekenverpleging.

    Omhoog
    054

    Ook in de 14e eeuw worden nog enkele kloosters en conventen gesticht.

    • In 1303 (- 1594) het Dominicaner- of Jacobijnerklooster (Predikherenklooster), op een door de prefect geschonken terrein dat reikt van de tegenwoordige Jacobijnerstraat tot de muur bij de Hofstraat;
    • vůůr 1326 het Vrouw Clara- of Nijeconvent op een terrein tussen O. Kijk in 't Jatstraat en De Laan (het 'Harmonie-terrein');
    • in 1386 (eerste vermelding van) het Convent der Geestelijke Maagden of het Olde Convent op een terrein tussen de Rode Weeshuisstraat en de Hardewikerstraat.
      Het laatstgenoemde convent gaat in 1401 over tot de - strengere - Derde orde van St. Franciscus en heet dan St. Agnesklooster.
    Alle genoemde kloosters (met elk overigens niet meer dan 15-30 bewoners) beschikken over een kerk of kapel en een kloosterkerkhof. Kapellen staan ook op de Tie (het Nieuwe Kerkhof), op de grens met Helpen en bij Noorderhogebrug.
    Uiteindelijk telt de huidige provincie Groningen een 35-tal kloosters. Vanuit de kloosters worden plm. 150 parochies bediend.

    Omhoog
    055

    Ten behoeve van passerende vreemdelingen, van armen en van zwakken (Dt. Siechen) is er vanaf 1267 (mogelijk al eerder) het H. Geest- of Pelstergasthuis van de Orde der Hospitaalbroeders aan de Pelsterstraat. In 1342 wordt het Armenconvent of Moltmakersgasthuis (voormalige Entensgang, O.Kijk in 't Jatstraat) opgericht. Dit convent bezit in een latere periode in de stad diverse huizen voor het onderbrengen van behoeftige inwoners.

    • Het Armenconvent gaat in 1647 op in het Lammehuiningegasthuis aan de Akerkstraat.
    Een bijzondere instelling in Groningen is nog de Broederschap der Kalenden (Kalenderbroeders), opgericht in 1318. In de broederschap bidden (steeds op de eerste dag van de maand: kalendae) priesters en vooraanstaande leken (ook vrouwen) voor de zaligheid van gestorvenen. Benadrukt wordt ook zelf 'godvruchtig' te leven.
    Andere broederschappen - met een overeenkomstig doel - zijn de Sacraments- en de St. Antoniusbroederschap.

    Omhoog
    056

    De Bisschopshof (met de weem van de St. Maartenskerk: op de plaats van het tegenwoordige Feithhuis) wordt door de bisschop in 1325 overgedragen aan de hoofdpastoor.

    • De Bisschopshof beslaat het terrein tussen Martinikerkhof en Poelestraat. Een deel ervan is het valkhof van de bisschop.

    Omhoog

    Onderwijs

    057

    Het onderwijs in de middeleeuwen is een volledig kerkelijke aangelegenheid. Het leidt op voor kerkelijke en bestuurlijke functies en op basis daarvan tot wetenschappelijke arbeid (rechten, theologie). Alleen de jongens gaan naar school.

    Omhoog
    058

    Een pauselijk besluit uit 1218 schrijft voor dat bij alle parochiekerken scholen moeten worden gesticht die de Latijnse kerkzang kunnen bevorderen. In Groningen betreft het dus de St. Maartensparochie (Scole tho Sunte Meerten) en de A-parochie (Scole O.L. Vrouwe ter A: vgl. ook de straatnaam Schoolholm).

    Omhoog

    Justitie

    059

    Vanaf 1255 beslist de raad van Groningen, samen met een door de prefect aangestelde schout of schulte, over alle civielrechtelijke en strafzaken met betrekking tot de inwoners van de stad. De schout alleen beslist over misdrijven waarop een doodvonnis staat. In 1309 wordt ook deze verantwoordelijkheid door het stadsbestuur overgenomen.
    Zoals vermeld komt in 1392 de rechtspraak in het gehele Gorecht aan de stad.

    • Rond 1280 is de rechtspraak in Selwerd onder die voor het Gorecht gebracht. Sindsdien wordt voor het gehele gebied gesproken van het 'gericht van Selwerd'.

    Omhoog
    060

    Vanaf 1361 vinden in Groningen gedurende enkele jaren, steeds op 1 juli, opnieuw bijeenkomsten plaats van de Upstalboom (of opstalboom): een vergadering (of warf) van grietmannen of richters uit Friesland en het Westerkwartier en redgers (lett. raadgevers) uit de Ommelanden en Oost-Friesland, bedoeld om de onderscheidene rechtsregels op elkaar af te stemmen en daarmee de rechtszekerheid van de inwoners van deze gebieden te vergroten. De warven worden ook wel aangeduid als landgerechten. De vergadering dient - met wisselend succes - tevens als beroepsinstantie. Ook wordt gesproken over de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het onderhoud van de zeedijken; immers: 'dei nait diek'n wil, mout wiek'n' (vroegere waterschapshuis Onderdendam), of 'gain diek, gain laand, gain leev'n' (Carel Coenraadpolder).

    • Upstalboom: genoemd naar de oorspronkelijke vergaderplaats (op dinsdag na Pinksteren) van vertegenwoordigers van de zogeheten 'zeven vrije Friese zeelanden', te weten bij een grafheuvel op een door eiken omzoomd terrein in Rahe bij Aurich in Oost-Friesland (Zur Thingstrasse). De eerst bekende bijeenkomst vindt plaats in 1156; omstreeks 1250 is het verbond ter ziele gegaan. De Upstalboom vormt in zekere zin ook een bondgenootschap, gericht tegen vreemde indringers die de 'Friese vrijheid' zouden willen aantasten. Als zinspreuk geldt: 'Eala Frija Frisena' (sta op vrije Friezen). Zie ook par. 028.
    • Tot de Friese zeelanden tussen Vlie en Weser worden onder meer gerekend (de gouwen in) Westerlauwers Friesland, Oosterlauwers Friesland (de Ommelanden) en Oost-Friesland. De andere liggen verder oostelijk. Er zijn overigens ook andere indelingen bekend. De Friese zeelanden zijn nog verbeeld in de zeven banen en de zeven plompeblÍden (bladeren van de gele plomp) van de latere provinciaal Friese vlag. Het getal 'zeven' staat mogelijk voor 'veel'. Zie ook par. 104.
    • Redgers en grietmannen 'slijten hun redgerrecht' in een rechtstoel, een min of meer omvangrijk gebied, waarin zij - in beginsel bij ommegang (toerbeurt) - zijn aangewezen door de eigenaren van de zgn. 'edele heerden', boerderijen met een bepaalde omvang (vanaf plm. 15 ha). De kleinste rechtstoel omvat slechts een enkele boerderij: het (voormalige) Platvoetshuis bij Dorkwerd; de grootste telt meer dan 100 edele heerden.
      In de loop van de tijd ontstaan ook rechtstoelen die in een en dezelfde hand blijven (staande rechtstoelen). De combinatie van het redgerrecht met collatierechten, posities in de zijlvestenijen, de uitoefening van het notariaat, leidt tot het ontstaan van de hoofdelingen- en jonkergeslachten in de Ommelanden (de laatste ook wel bekend als de Ommelander adel).

    Omhoog

    Economische ontwikkelingen

    061

    Hoewel daarover nauwelijks specifieke gegevens bekend zijn moet de ontwikkeling van Groningen als handelscentrum onverminderd fors zijn geweest. Gemeld wordt dat in de 12e en 13e eeuw in Groningen kruisvaardersschepen zijn uitgerust. De schepen verzamelden zich bij het eiland Borkum. De 13e eeuw is een in hoofdzaak nog welvarend tijdperk. Pas tegen het einde van de eeuw treedt een terugslag op.

    • In 1164 (Sint Julianavloed), 1196 (Sint Nicolaasvloed) en 1219 (Sint Marcellusvloed) worden grote overstromingen gemeld in de landen rond de Eems.
      Aan het eind van de dertiende eeuw ontstaat de Dollard. De naam wordt voor het eerst gebruikt in 1485. Delen van het Reiderland worden - ook al omdat de dijken door oorlogsgeweld niet kunnen worden hersteld - achtereenvolgens overspoeld door de Kerstvloed (1277), de Sint Hubertusvloed (3.11.1287) en de Sint Luciavloed (13.12.1287).
      De Marcellusvloed van 1362 (16.1) leidt tot de ondergang van het stadje Torum (onder Emden) en van ongeveer 26 dorpen in het Dollardgebied. Nog andere zijn in de loop van de eeuwen verdronken of verplaatst.
      De Luciavloed teistert ook het Marnegebied. De Marcellusvloed maakt omvangrijke waterstaatkundige werken in de omgeving van het Reitdiep noodzakelijk.

    Omhoog
    062

    In de stad woont in deze periode nog een aanzienlijke agrarische bevolking. Zo zijn er zeker 88 hofsteden waarvoor een pachtsom (grondcijns) betaald moet worden: de zgn 'grunsinghofsteden'. Voor 1283 zijn de hofsteden eigendom van de Abdij van Werden; daarna o.m. van de graaf van Bentheim.
    In de nabijheid van Groningen wordt turf gewonnen (zie par. 052). Turf is de belangrijkste brandstof in de stad.

    Omhoog
    063

    Een belangrijke bron van inkomsten is ook de vrachtvaart op de Oostzeelanden via de Hunze, of via de rede van Delfzijl aan de Eems.
    In 1250 kent Groningen een Ripenvaardersgilde, een gilde van kooplieden die op het Deense Ripen (Ribe) varen.
    Bekend is een verdrag uit 1229 over de handel op Smolensk dat ook is ondertekend door de Groninger kooplieden Bernard en Volker. Uit 1257 dateert een besluit van de koning van Engeland, dat Groningse kooplieden bescherming garandeert.
    De stad onderhoudt verder handelsbetrekkingen met Oost-Friesland, Bremen, Hamburg, de Oostzeelanden, Bergen, Westfalen (via de Eems), Holland, Vlaanderen, Frankrijk en Engeland. In Hamburg is in de 13e en 14e eeuw een Gronings handelskwartier.
    Voor de handel op Keulen, Utrecht, Sleeswijk en Herbrum (aan de Eems) bestaan vierhansen of hansen, belangengemeenschappen van kooplieden die het recht hebben (zijn toegelaten) om op genoemde streken handel te drijven. Hansa: groep.
    Groningen behoort daarmee tot de plm. 200 zogeheten Hanzesteden in Europa. De 'mercatores hanseati' uit deze steden maken deel uit van een omvangrijk netwerk voor (gereglementeerde) buitenlandse handel in vooral waardevolle goederen als edelmetalen, textiel en specerijen. Ook graan, vis, zout en hout worden verhandeld. In 1272 wordt in Groningen vanuit Bremen voor de eerste maal hopbier aangevoerd. Toevoeging van hop steriliseert het bier en vergroot de houdbaarheid ervan.

    • De kooplieden in het noordwesten van Europa communiceren onderling tot in de 16e eeuw in het Nederduits, een taal die mogelijk al uit de 12e eeuw dateert. Eerst na die tijd gaat men over tot het Nederlands (Hollands met sterke Brabantse invloeden) of het Hoogduits. Duits: oorspronkelijk 'taal van het volk' (i.t.t. het Latijn). De in 1997/1999 door de EU in Nederland en Duitsland erkende streektaal, het Nedersaksisch, is op het Nederduits terug te voeren. Onder meer de in Stad gesproken variant van het Gronings is een dialect van het Nedersaksisch. (De eerste bewaard gebleven tekst in het stad-Gronings dateert uit 1792.)

    Omhoog
    064

    In 1264 wordt een eerste gemeenschappelijke vergadering van de Hanze gehouden. Het hanzeverbond staat onder leiding van steden als LŁbeck, Hamburg en Stralsund. Concurrenten zijn vooral de Hollandse en Engelse kooplieden.

    • Van formele toetreding van steden tot het hanzeverbond is in deze periode overigens geen sprake. Het stedelijk belang kan zelfs strijdig zijn met het belang van het verbond. Wel beschermen de steden lijf en goed van wederzijdse kooplieden.
    Eerst in 1356 krijgt de Duitse Hanze als stedenbond meer inhoud. Groningen wordt eerst in 1422 tot het verbond toegelaten. De stad speelt geen belangrijke rol (Groningen is geen principaalstad), hoewel het stadsbestuur - blijkens een brief uit 1358 - tot de initiatiefnemers van het Hanzeverbond heeft behoord. Ook behoort Groningen in 1367 tot de Keulse Confederatie, een reeks van steden die gezamenlijk bewapende koggeschepen uitrusten tijdens een oorlog met de Deense koning.
    • In de zuidelijke Nederlanden is sprake van de Vlaamse Hanze van Londen onder leiding van de stad Brugge. Vanuit Vlaanderen vindt ook een omvangrijke handel plaats op Italiaanse steden als Genua en VenetiŽ. Na handelsoorlogen verkrijgen de Vlaamse steden in 1441 en 1473 ruimere mogelijkheden rechtstreeks zaken te doen met steden aan de Oostzee.
    • Na 1530 heeft de Duitse Hanze feitelijk geen betekenis meer. Het verbond wordt in 1669 opgeheven. Handelsroutes (naar IndiŽ, Amerika) en handelscentra (o.m. Lissabon, Antwerpen en Amsterdam) corresponderen dan al lang niet meer met de verhoudingen in de middeleeuwen.

    Omhoog
    065

    In geheel Europa is in de 14e eeuw sprake van een economische recessie. Rond 1275, 1315, 1330 en 1345 zijn er hongersnoden, ook in de Friese landen. De pestepidemie van 1349 is al genoemd. De recessie is een gevolg van relatieve overbevolking, tekortschietende bemestingstechnieken en van klimaatveranderingen. Het wordt structureel kouder: de kleine ijstijd (1430 - plm. 1850). De positie van Groningen in de internationale handel taant als gevolg van de verschuiving van handelsroutes en van het gebrek aan achterland.

    Omhoog
    066

    De rol van de stad in de handel met de Ommelanden roept in toenemende mate spanningen op.
    Zo klagen al in 1250 de Ommelanden erover dat de stad 'meedogenloos' (namelijk na een reeks stormvloeden, waardoor de oogst verloren gaat) de prijs van buitenlands graan verhoogt, terwijl de prefect de beste paarden van de markt opeist. Ten opzichte van de Ommelanden geldt dan al het stapelrecht: alle in die streken geproduceerde waren (behalve die voor eigen gebruik) moeten - in eerste aanleg alleen door de Groninger kooplieden zelf - in de stad worden aangeboden en verhandeld.

    • Voorbeelden daarvan zijn: boter, kaas, gerst, peulvruchten, rogge (voornamelijk uit Drenthe), koolzaad, ossen en paarden.
    Het stapelrecht heet 'op Groningen te zijn gelegd', maar wordt in feite door de stad afgedwongen. Groningen heeft ook een monopolie op het brouwen van (kluin)bier, in de stad zelfs de belangrijkste vorm van nijverheid. Als bijnaam voor de stadjers geldt dan ook de naam 'kluinkoppen'. Door het stapelrecht wordt de aanvoer van voedsel, zowel als van grondstoffen voor de bierbrouwerij gegarandeerd.
    De stad kent zeker in de 13e eeuw al een vis-, hout-, vee- en paardenmarkt. Paarden en ossen - geweid in het Ooster- en Westerhamrik - vormen een belangrijk exportproduct. Een paardenmarkt bestaat zeker in 1238.
    De graanmarkt in Groningen wordt in 1166 voor het eerst genoemd. In de stad worden ook grote hoeveelheden graan opgeslagen. Verscheidene kloosters kopen daartoe zelfs speciale panden aan.
    • De tegenstellingen tussen stad en ommelanden moeten niet worden overdreven: veel stedelijke burgers hebben bezittingen in de ommelanden. Ommelander geslachten hebben eigendommen in de stad.

    Omhoog
    067

    In de stad Groningen functioneren reeds vanaf de 14e eeuw een aantal gilden (het zullen er uiteindelijk een 32-tal worden), met als meest invloedrijke het brouwersgilde.

    • De gilden - de oudste dateert uit 1317, de smeden - kunnen worden gezien als monopolistische verenigingen van hetzij kooplieden, hetzij ambachtslieden, werkzaam in eenzelfde bedrijfstak. Zij staan onder leiding van een 'opperste olderman', bijgestaan door twee 'hovelingen'. Met name de ambachtsgilden kennen coŲperatieve inkoopfaciliteiten en reglementen op het punt van opleidingen, kwaliteitsnormen, lonen en prijzen (gildekeuren). Er zijn verplichtingen tot wederzijdse steun (ook aan weduwen en wezen) en er is een eigen tuchtrechtspraak. De gilden verlenen in voorkomend geval ook militaire bijstand aan de stadsregering. In ruil daarvoor hebben zij een zwaarwegend adviesrecht inzake raadsbesluiten met handelspolitieke betekenis.
    • De voormannen van de afzonderlijke gilden maken deel uit van de 'wijsheid der stad'. De gezamenlijke gilden worden bij het stadsbestuur vertegenwoordigd door de zgn. 'bouwmeesters', die ook een toezichthoudende functie hebben. Sommige gilden ontlenen hun verordenende bevoegdheden rechtstreeks aan de raad, c.q. op die gilden heeft de raad een zekere invloed. Zij worden raadsgilden genoemd. De andere heten burgergilden. In hun functioneren is er geen verschil.
    Groningen kent nog ruim 20 straatnamen die duiden op een concentratie van bepaalde ambachten: bv. Pelsterstraat (pelsters zijn bontwerkers), Peperstraat (mogelijk stoelenmatters); Pottebakkersrijge, Reitemakersrijge (reitmakers vervaardigen rieten manden voor de lakennijverheid), Sledemennerstraat, Schuitemakersstraat. Ook: Korfmakersgang (Battengang 21), Koornbrandersgang (Prinsenstraat 41), Schiemakersgang (Poelestraat 40). De Hoedemakersgang (Pelsterstraat 4), een private gang, wordt pas in de 20e eeuw zo genoemd.
    • De wikipedia bevat een verklarend overzicht van straatnamen in Groningen.

    Omhoog

    << Vorige hoofdstuk Index Volgende hoofdstuk>>

    © 1998, 2014 Kor Feringa, in samenwerking met Grunn.nl