Protohistorie en vroege middeleeuwen | | 005 | Als van de geschiedenis van Groningen meer bekend wordt, wordt het noordwesten van Europa bevolkt door onderling rivaliserende, vergeleken met de
welvaart in het Romeinse rijk nog zeer primitieve, West-Germaanse stammen (ook wel: Ingwäonen).
- De Germanen (of 'buren': de naam is afkomstig van de in Midden-Europa levende Kelten en naderhand door de Romeinen overgenomen) zijn sinds de late bronstijd (7e eeuw voor Chr.) in het genoemde gebied gevestigd. De mogelijk al eerder aanwezige bevolking is volledig geassimileerd.
In de eerste eeuwen na het begin van de christelijke jaartelling staan de Germanen, voor wat betreft het tegenwoordige Nederlandse grondgebied, bekend
onder verzamelnamen als Friezen, Saksen en Franken. Al deze identiteiten zijn oorspronkelijk afkomstig uit het noorden van Duitsland en uit de omgeving van de Oostzee. Tussen de stamverbanden zijn - afgezien van het onderscheid tussen vissers en landbouwers - weinig verschillen in religie, taal en leefgewoonten. De Ingwäonen worden daarom wel aangeduid als een 'Kultgemeinschaft'.
- De Friezen, nauwkeuriger de zogeheten Grote Friezen (Grutfriezen), in de 2e eeuw voor Chr. voor het eerst als zodanig benoemd door de Romeinen, wonen onder meer op wierden (terpen) in het kweldergebied langs de kust van Groningen en Friesland. Een mogelijke betekenis van de naam 'Friezen' is: 'vrienden'.
De Friezen vermengen zich vanaf de 1e eeuw voor Christus met de Chauken (eveneens een benaming van de Romeinen), die rond de monding van de Eems wonen. De Chauken, die in een eerder stadium ter plaatse de Ampsivaren hebben verdreven, worden in de 2e eeuw wel in verband gebracht met piraterij aan de 'Hollandse' kusten.
- Vanaf de vroege 4e eeuw na Chr. kan, voor wat betreft de inwoners van onder meer het huidige Drenthe en Westerwolde, worden gesproken over de Saksen. Hun kerngebied is het huidige Niedersachsen. Eerdere vermeldingen van het begrip 'Saksen' (voor de eerste maal over een gebeurtenis in 285 na Chr.) hebben nog geen betrekking op de inwoners van een bepaalde landstreek. In de 5e eeuw wonen ook al Saksen in het Friese gebied benoorden Groningen. Zij zijn afkomstig uit Drenthe. Sachs: korte dolk.
- Meer naar het zuiden leven door de Romeinen als Franken aangeduide stammen (Franken: vrijen; ook: dappere krijgers). In de derde eeuw is er onder meer sprake van Tubanten (Münsterland en Twente), Chamaven (Hamaland: de Achterhoek) en Salische Franken of Saliërs (Salland en Twente).
In de loop van de 3e en in de 4e eeuw trekken met name de Salische Franken naar het zuiden en raken zij geïncorporeerd in het Romeinse rijk.
Halverwege de 5e eeuw wordt tegen de Romeinen evenwel strijd geleverd. Het noorden van het tegenwoordige Frankrijk wordt naderhand het kerngebied van de Franken. De vroegere woongebieden van de Franken worden vanaf de 6e eeuw ingenomen door de Saksen. Vanaf de 9e eeuw wordt gesproken over een Nedersaksisch taalgebied dat reikt tot in de Achterhoek en tot over de IJssel. | Omhoog | | | 006 | Het noorden van Nederland valt buiten het Romeinse rijk, dat vanaf plm. 50 v. Chr. z’n begrenzing vindt aan de Rijn (de limes ad Germaniam inferiorem). Bij pogingen de limieten te verleggen
tot bij de Elbe lijden de Romeinen enkele nederlagen tegen de verzamelde Germaanse stammen, w.o. de Chauken (onder meer in 9 na Chr. de Romeinse generaal Varus bij de Kalkrieserberg ten noorden van Osnabrück). Gedurende een korte periode (9 v. Chr. - 28 na Chr.) oefenen de Romeinen een zeker gezag uit over de Friese landen. In latere
perioden worden - al dan niet na gewapende
strijd - allianties gesloten met de noordelijker wonende stammen. Ook zijn er over en weer in de eerste eeuwen van onze jaartelling levendige handelscontacten die zich ook tot Groningen uitstrekken, zo blijkt uit vondsten van Romeinse munten (w.o. gesloten vondsten) en van beeldjes van goden. Vanuit de
Friese landen vindt veehandel plaats, in ruil voor o.m.
wapens, aardewerk, wijn en laken. In de vierde eeuw
raakt het Romeinse rijk in verval. De Romeinen verlaten het huidige Nederlandse grondgebied in 405. In 476 wordt de
laatste West-Romeinse keizer afgezet. In hetzelfde tijdvak vindt een omvangrijke migratie (de Volksverhuizing) plaats van
Friezen, Saksen (en Angelen uit Jutland) uit of via de Friese landen naar Engeland en van Angelen en Saksen naar de Friese landen. Het begrip 'Friezen' houdt dan dus geen direct verband meer met de oorspronkelijke stamverbanden onder die naam, maar is eerder gerelateerd aan de overgeleverde naam van het gebied: Frisia (zie ook par. 023).
- In de beschreven periode is meer dan eens sprake
van een Romeinse veldtocht over de Eems tot diep
in het binnenland. Ter beveiliging is dan een Romeins garnizoen gelegerd aan de
monding van de Eems bij Bentumersiel (Jemgum).
- De term ‘de Friese
landen’ krijgt in de loop der
eeuwen enkele malen een andere betekenis. In de
Romeinse tijd geldt de term het kustgebied
benoorden de grote rivieren tot in het huidige
Duitsland. In de 3e, 4e en deels de 6e eeuw blijft de bewoning van dat gebied wegens wateroverlast beperkt tot oeverwallen, terpen en wierden. In hun grootste omvang (7e
- 9e eeuw) beslaan ‘de Friese
landen’ de kuststrook van het Zwin (bij
Sluis) tot de Weser (Noord- Duitsland), maar ook
de huidige provincie Utrecht (Frisia citerior: neder-Frisia).
| Omhoog | | | 007 | In de periode 700 - 800 worden de Friese en Saksische gebieden
successievelijk onderworpen door Frankische
koningen, w.o. Karel Martel (688-741) en Karel de Grote
(768-814, keizer sinds 800).
- De Frankische heersers (vanaf 480) zien hun rijk
als het nieuwe ‘imperium romanum’, de voortzetting van het Romeinse keizerrijk. In 496
bekeert de grondlegger van het Frankische rijk,
Clovis, zich om machtspolitieke redenen tot het Christendom.
De
tegenstanders van de Frankische heersers zijn in de eerste plaats de opeenvolgende Friese reges
(koningen) die in de 6e, 7e en in het begin van
de 8e eeuw de macht uitoefenen in de
Rijndelta. Van koninkrijken in de huidige
betekenis van het woord is overigens geen sprake. - Aangenomen wordt dat het oorspronkelijke kerngebied van de Friese koningen ligt in Oostergo en - vooral - Westergo. In de 6e eeuw zou de 'Hollandse' kuststrook op de Franken zijn veroverd; in de 7e eeuw de Rijn- Maas- en Scheldedelta in zijn geheel, alsmede de huidige provincie Utrecht. Men spreekt dan van 'Frisia Magna'. De huidige Noordzee wordt Mare Frisicum of Friese zee genoemd.
De Friezen (bekend is hun gekozen legeraanvoerder
‘koning’ Radbod (Fr. Redbad): 679-719) worden in 734 door de Franken definitief verslagen aan
de Boorne bij het huidige Irnsum. Friesland wordt - tot aan de rivier de Lauwers - ingelijfd in het Frankische rijk. De Saksenoorlogen , eigenlijk een reeks veldtochten van Karel de Grote op Saksisch gebied, duren van 772-804. In 783 is er sprake van een opstand van de Saksen en van invallen tot in het eerder al door de Franken veroverde Friese gebied. Daarbij worden christelijke kerken verwoest. In 785 echter gaat de belangrijkste Saksische leider, hertog Widukind (zoon van het woud) uit politieke overwegingen over tot het Christendom. Vanaf die tijd behoort het gebied waarin nu de stad Groningen ligt definitief tot het Frankische rijk. De Saksenoorlogen worden in 804 beëindigd met de Vrede van Selz (bij Straatsburg). Na de dood van keizer Lodewijk de Vrome (840) wordt
het Frankische rijk opgedeeld. De latere Nederlanden (terra
inferiores, de lage landen bider zee) maken vanaf 870 blijvend
deel uit van het Oost-Frankische of (vanaf 962) Duitse rijk,
nadat zij eerder nog tot het Midden-Frankische of
Lotharingse rijk hebben behoord.
- De benaming van het Duitse rijk als het Heilige Roomse (= Romeinse) rijk, onderlijnt dat het rijk op gelijke voet staat met de Heilige Kerk. Beide instituties menen rechtstreeks door God ingesteld en dus onvergankelijk te zijn.
De verwijzing naar het eerdere Romeinse rijk refereert aan een visioen van de profeet Daniël (Daniël 2:36) waarin vier wereldrijken worden voorspeld tot het moment waarop de wereld ten onder zal gaan. Het oude Romeinse rijk geldt al als het vierde imperium. De toevoeging 'der Duitse natie' dateert eerst uit plm. 1475. Het Duitse rijk (oorspronkelijk: rijk van Duitssprekenden) existeert, althans in naam, tot 1806.
| Omhoog | | | 008 | Het Duitse rijk is - evenals eerder het Frankische -
ingedeeld in gouwen die onder leiding staan van
leenmannen van de koning of keizer, daaronder graven en
bisschoppen. Het gebied van de buurschap (de marke) Groningen is
gelegen in het uiterste noorden van de gouw of het graafschap
Threanthe (Drenthe). Groningen is dus in oorsprong een Drents dorp.
- Een gouw (pagus) is in het feodale stelsel een
bestuursrechtelijke, en veelal ook geografische,
eenheid. In sommige gevallen vormen meerdere gouwen een graafschap; in Drenthe vallen de gouw en het graafschap samen.
Ook bij de Saksen is het begrip gouw al bekend. Het gaat daar om een verzameling nederzettingen onder leiding van vooraanstaande - edele - families met aan het hoofd een gekozen 'koning' of leider, die vooral legeraanvoerder is. - De naam Threanthe zou verwijzen naar de drie oorspronkelijk samenstellende delen van Drenthe: Noordenveld, Zuidenveld en Westenveld. Drenthe, voor het eerst als zodanig aangeduid in 820, wordt tot 1046 geregeerd door onder meer graven van Hamaland (uit een Saksisch gravengeslacht) en hertogen van Neder-Lotharingen. Eerst in 944 wordt een graaf met name genoemd. In dat jaar wordt het foreestrecht (zie par. 009) in Drenthe door de koning geschonken aan de bisschop van Utrecht, die daarmee een belangrijke inkomstenbron verwerft.
- De gouwen ten westen en ten noorden van het dorp Groningen dragen namen als Humstergo of Hugmerthi (welke gouw het volledige huidige Westerkwartier beslaat), Hunsingo, Fivelingo en Eemsgo.
De gouwen in de Ommelanden en die in het huidige Fryslân (o.m. Oostergo en Westergo) staan tot 1086 onder het (fictieve) gezag van leenmannen uit Werl en Brunswijk (de Brunonen) en van de aartsbisschop van Bremen. De graven van Hamaland zijn rond 1000 beleend met Hunsingo en Fivelingo.
Hoewel leenmannen oorspronkelijk een ambtelijke
positie innemen, en dus door de leenheer
naar believen kunnen worden ontslagen, worden
hen, in ruil voor hun diensten aan koning of
keizer, allerlei rechten toegekend en krijgt de
functie een erfelijk karakter. In de praktijk
treden leenmannen dan ook op als territoriale
vorsten. -
Bisschoppen, vaak uit aanzienlijke geslachten,
worden in de vroege middeleeuwen door de keizer
veelvuldig als leenman ingeschakeld bij het bestuur en de
verdediging van het Frankische, later Duitse
rijk. Zij maken immers deel uit van een hechte,
op continuïteit gerichte en goed gestructureerde
organisatie, de katholieke kerk
(sinds 381 staatsgodsdienst in het West-Romeinse rijk), en
zijn als bestuursorgaan ten minste gelijkwaardig
aan de andere leenmannen. Bovendien kunnen zich
problemen met betrekking tot erfopvolging per definitie niet voordoen.
-
In het geval van de bisschop van Utrecht is ook
sprake van een bewust door de keizer gewild
tegenwicht tegen de landsheren van Holland en
Gelre.
| Omhoog | | | 009 | Het grondgebied van de huidige stad Groningen is
omstreeks 800 voor een deel zgn. ‘koningsgoed’,
d.w.z. in rechtstreeks bezit van de koning (keizer) Karel de Grote.
- Tot het koningsgoed behoren hofsteden, akkers,
wegen, visserijen en ook horigen of halfvrije boeren:
met bijzondere verplichtingen tegenover de grondeigenaar; zo bijvoorbeeld op de noordelijke es de
hof Tetinge, ten noorden van het tegenwoordige
Nieuwe Kerkhof. Verder zijn er de rechten
(regalia) op muntslag en tol, het foreestrecht
(jachtrecht, recht op houtkap, recht op gebruik van woeste gronden), het recht op de
gruit (bloeiwijze van de Myrica gale of gagelstruik, tot in de
14e eeuw noodzakelijk voor het brouwen van bier),
marktrecht, geleiderecht (het recht op een
vergoeding voor het waarborgen van de veiligheid
van personen en goederen) en het recht van
regeling van maten en gewichten.
- Ook de naam
Koningslaagte, voor het gebied rond de meanders van de Hunze, ten westen van de
Wolddijk, zou kunnen wijzen op eigendomsrechten van de
koning.
Een ander deel van Groningen (omgeving O.
Ebbingestraat) is (plm. 900) eigendom van de Abdij van
Werden (nu een voorstad van Essen) aan de Ruhr, in 796
gesticht door de prediker Liudger. De abdij heeft - veelal door schenkingen verkregen -
bezittingen in het gehele Duitse rijk, o.m. ook in de
Ommelanden en in de veengebieden rond Groningen
(bijvoorbeeld in Lieuwerderwolde: het gebied rond
Hoogkerk en Leegkerk). Tenslotte is het niet onmogelijk
dat ook het bisdom Utrecht dan al gronden in eigendom
heeft: de Bisschopshof (tussen Martinikerkhof en
Poelestraat), het Mennichfoldichegoed (zuidelijk van de
Kl. Kromme Elleboog) en het Nijdingegoed (tussen
Haddinge- en Folkingestraat). Utrecht is sinds 777 een regulier bisdom.
Er zijn geen bijzonderheden bekend over de landbouwers in Groningen. Voor zover zij geen eigenerfden zijn, maar meiers, zal jaarlijks pacht (in natura) zijn afgedragen aan de eigenaren van de grond, waaronder de Abdij van Werden en het bisdom. In Groningen zullen verder keuterboeren en niet-landbouwers (w.o. geestelijken en ambachtslieden) hebben gewoond. | Omhoog | | | 010 | Keizer Hendrik II (de Heilige) van het Duitse rijk bevestigt in
1024 de positie van de bisschop van Utrecht als
wereldlijk heer door hem een benoeming tot leenman
van het graafschap Drenthe (comitate de
Threanthe), waaronder het gebied (dingspel) van het Go- en
Woldrecht, in uitzicht te stellen. In dat gebied ligt de -
dan al verdedigbare - marktplaats Groningen (zie par. 018). De bisschop is één van de vorsten in het Duitse rijk en het bisdom een prinsbisdom. De effectuering van
de benoeming vindt eerst plaats in 1046. Bisschop van
Utrecht is dan Bernulf (1027-1054).
- Het wereldlijk gezag van de bisschop strekt zich uit over een ruimer gebied: het Oversticht, waartoe ook het Land van Vollenhove, Salland, Twente, een deel van Bentheim en de
Stellingwerven in Friesland behoren. Ook het Nedersticht is aan de bisschop onderhorig: de huidige
provincie Utrecht en delen van Zuid-Holland en
Gelderland. Sticht: een gebied waar een bisschop ook het wereldlijk gezag uitoefent.
- Het dingspel Go- en Woldrecht (het Gorecht) bestaat uit
het Go (de zanddorpen Noordlaren, Onnen, Glimmen, Hemmen,
Haren, Dilgt, Essen, Helpen en Groningen) en het oostelijk daarvan gelegen veengebied
Drentherwold. Ook de heerlijkheid Selwerd wordt ertoe gerekend.
Selwerd, gelegen tussen de Paddepoelsterweg en de Winsumerweg aansluitend aan de marke
van Groningen, is aanvankelijk een enclave in
Hunsingo, in rechtstreeks bezit van de bisschop
van Utrecht. Kerkelijk ressorteert het evenwel onder het bisdom Münster.
| Omhoog | | | 011 | Vooruitlopend op de benoeming tot leenman schenkt
Hendrik III, koning van het Duitse rijk sinds
1039 (keizer vanaf 1046), op 21 mei 1040 aan het bisdom Utrecht in
de persoon van de proost-voorzitter van het Domkapittel,
het centrale deel van het koningsgoed in het dorp
Groningen (genoemd als villa Cruoninga): de
koninklijke hof (of predium).
- Een predium heeft een functie in de
bestuursinfrastructuur van het rijk; het dient
als pleisterplaats voor rondreizende
rijksfunctionarissen, als centraal punt voor de
inning van belastingen en als spieker (spicarum) voor de opslag van de bij wijze van pacht aan de landsheer af te dragen landbouwproducten. Hoewel de schenking
(‘per beneficium’: uit welbehagen, maar
waarschijnlijk op aandringen van de bisschop
zelf) formeel ten goede komt aan het bisdom wordt
de fungerende bisschop degene die de feitelijke
rechtsmacht uitoefent.
- De giftbrief van 1040 bevat de eerste betrouwbare vermelding van de plaatsnaam Groningen. Dit jaartal wordt dan ook aangehouden als het stichtingsjaar van de stad. Jubilea worden eens per 50 jaar gevierd.
Een acte uit 1006, waarin de Benedictijner abdij Hohorst bij Leusden wordt begiftigd met een kerk in Groningen, wordt niet betrouwbaar geacht.
Bij de schenking behoort ook de overdracht van de
grafelijkheidsrechten op muntslag en tolheffing in het
Gorecht en van de rechterlijke macht in halszaken, het
latere ‘gericht van Selwerd’. De bisschoppen
van Utrecht worden in Groningen vertegenwoordigd door een
rentmeester: de hofmeier of villicus. Deze beheert ook de
kapittelgoederen.
| Omhoog | | | 012 | De plaatsnaam ‘Groningha’ (Cruoninga)
of Groningen - zeker tot in de 17e
eeuw wordt ook wel de naam ‘Groeninghen’
gebruikt - is mogelijk afgeleid van het indo-germaanse
‘grôna’: drassige, groene (wei)landen aan de
a (de rivier: in dit geval de Drentse A en eventueel de Hunze). ‘Groninghi’ zijn dan de mensen die temidden daarvan hun
woonplaats hebben. De naam Groningen is ook wel met de
mansnaam ‘Groni’ en met de naam van de latere prefectenfamilie Gronebeke (zie par. 026) in verband gebracht. De Gronebeke zelf is een waterloopje ten noorden van het tegenwoordige Annerveen, dat uitmondt in de Hunze.
- In het Gronings wordt gesproken van Grönnen (ook
wel Grunn’n) of - in later eeuwen -
eenvoudigweg van ‘Stad’. De inwoners van Groningen worden 'stadjers' genoemd. In reclameteksten tenslotte wordt wel de naam 'Grunningen' gebruikt.
De Friese
benaming voor Groningen is Grins (voor de provincie: Grinslân)(Oud-Fries: garuns = marktplaats). Groningers heten Grinsers of Grinslânners. De vooral 19e eeuwse uitdrukking ‘Gruno’s veste’
(of varianten daarvan in namen van bedrijven en verenigingen) is
terug te voeren op de mythische figuur 'Gruno’,
kleinzoon van 'Friso’, die de stichter
van Groningen zou zijn.
- Op grond van een in Niedersachsen
gebruikelijke relatieve datering van plaatsnamen
duidt de uitgang -inga op een naam die kan
teruggaan tot 500 na Chr. In het huidige Duitsland bestaan nog drie plaatsen die de naam Grôna of Gröningen dragen.
| Omhoog | | | | 013 | Aangenomen mag worden dat op de Hondsrug binnen de grenzen van de tegenwoordige gemeente Groningen al in de 8e of 7e eeuw voor het begin van onze jaartelling is gewoond (par. 004). In de huidige
stadskern is sinds plm. 400 v. Chr.
sprake van continue bewoning.
Bodemvondsten uit de eerste eeuwen na het begin van de
jaartelling, recent nog in de Lutkenieuwstraat, ondersteunen die opvatting. De eerste hoeven
liggen op het huidige Martinikerkhof, in het gebied
O. Boteringe-/O. Kijk in ‘t Jatstraat en op het
huidige Guyotplein. Vanaf de 6e eeuw breidt de bebouwing
zich uit naar het westen (9/10e eeuw) en het zuiden (11e eeuw) en wordt Groningen een
dorp.
Een afzonderlijke bebouwingskern of buurschap ligt in de vroege middeleeuwen bij het Zuiderdiep/de
Prinsenstraat. Deze zuidelijke kern wordt van de
noordelijke afgesneden als in de 11e eeuw de
eerste omwalling tot stand komt. - De stadsarcheoloog van Groningen veronderstelt dat de regelmatige wegenstructuur in het zuidelijk deel van de binnenstad, die ook dateert uit de 11e eeuw, niet organisch is gegroeid langs de grenzen van akkers en bouwpercelen, maar wijst op een planmatige aanleg, mogelijk onder bisschoppelijke regie (Historisch Jaarboek Groningen 2009). De afstand tussen de afzonderlijke noord-zuid verlopende straten is 16 Groninger roeden (65 m.)
- Lager gelegen gebieden, direct aansluitend aan de huidige binnenstad - bijvoorbeeld rond het Damsterdiep - lenen zich
eeuwenlang niet voor permanente bewoning. Door
een stijging van de zeespiegel is vooral het
gebied ten noorden van de stad met enige
regelmaat overstroomd en wordt het met slib
overdekt. Men vindt er uitgestrekte rietvelden en
moerasbossen (o.a. het woud van Bedum).
De
wierden in het gebied dragen namen als Feerwerd, Krassum,
Wierum, Beswerd en Joeswerd (alle al genoemd in
744). Vanaf plm. 1000 worden in de Ommelanden op
grotere schaal dijken gebouwd en wordt land
ingepolderd in de Lauwerszee- en Fivelboezems. - In deze periode slibt ook de zeehaven van Wester-Emden (Emetha) dicht. De naam komt voor het eerst voor in 945. De functie van Westeremden wordt overgenomen door Appingedam (voor het eerst genoemd in 1224) en Delfzijl (1272).
| Omhoog | | | 014 | De buurschappen in de marke van Groningen voeren het beheer over de markegronden, de gronden die niet het eigendom zijn van een enkele eigenaar: voornamelijk weilanden en hooiland (madelanden). Mogelijk in de kern al eeuwen eerder ontstaan beslaat de marke in de 11e eeuw een gebied begrensd door de volgende (markante) punten:
- de Penningsdijk (nu grotendeels Zernikeplein) in het noorden;
- in het oosten de rivier de Hunze met de St. Walfridusbrug en de (latere) borg Gronenborch
(Groenenberg) in een bocht van de rivier (nu
Nieuwe Winschoterdiep bij de Finse haven);
- in het zuiden globaal langs de tegenwoordige A 7 tot bij de Campinglaan;
- in het westen de Campinglaan/Wolvedijk en het fictieve verlengde daarvan tot ter hoogte van de huidige Protonstraat; vervolgens tot Donghorn (ook Dodingehorn, naar de mansnaam Doede): de bocht in het
Reitdiep in Kostverloren; tenslotte langs het latere Reitdiep tot de Penningsdijk.
- De landerijen in het zogeheten Kraanland, waarop tegenwoordig onder andere de wijk Buitenhof en het bedrijventerrein Kranenburg, worden eerst sinds plm. 1450 tot de stadstafel van Groningen gerekend.
De oudste St. Walfridusbrug over de Hunze is gelegen in de kleiweg Groningen
- Adorp (bij de huidige boerderij 't Hemelrijk). De brug is genoemd naar Walfridus, de latere patroonheilige van de
kerk in Bedum die,
volgens een hagiografie, rond 985 door de Vikingen zou zijn
ter dood gebracht. Van Walfridus wordt verteld dat hij
dagelijks vanuit zijn woonplaats (Adorp) naar Groningen liep om
er de H.Mis bij te wonen. Hij zou de brug ook zelf hebben gebouwd.- De keuze voor Adorp - en niet voor Bedum - als woonplaats van Walfridus kan op goede gronden worden beargumenteerd. (Een wandeling vanuit Bedum was fysiek onmogelijk, vgl. Noorderbreedte 97/2). De naam St. Walfridusbrug is in de middeleeuwen verbonden aan de overgang over de Hunze in Noorderhogebrug aan het begin van de Wolddijk (bij de Groningerweg). Nu draagt de spoorbrug over het Van Starkenborghkanaal de naam Walfridusbrug.
| Omhoog | | | 015 | Voor zover de gronden in de marke hoger liggen dan 1
m boven NAP zijn ze in gebruik als akkers; de esgronden
zijn vanaf de 6e eeuw nog opgehoogd met stalmest en
afval (de verhoging is 1 cm. per 10 jaar). De lager gelegen gronden zijn, na bedijking ervan, voornamelijk in gebruik als weidegrond: het Ooster- en Westerhamrik. Er vindt al vroeg bemaling plaats.
- Essen en woerden (de kernen van
een es) liggen bijvoorbeeld tussen O. Kijk in
‘t Jatstraat en De Laan (Stickelswoerd), ter
hoogte van de Haddingestraat, rond het Nieuwe
Kerkhof, en ter hoogte van de Radesingel.
- Hamrik is
ingepolderde markegrond.
| Omhoog | | | 016 | De rivier de Hunze stroomt, 60 m.
breed, maar nogal ondiep, in ruime meanders oostelijk van
Groningen. De westelijke begrenzing van het Hunzedal
volgt globaal de lijn Oliemuldersweg - buurt De Hoogte.
Het gebied Koningslaagte is nog een zeeslenk. De
oostelijke grens van het dal van de A, ten westen
van Groningen, volgt, althans in de 11e eeuw, de lijn Stationsplein - Schoolholm - A-Kerkhof - Hoge der A (bij de Turftorenstraat); de westelijke grens ligt ter
hoogte van de Westerhavenstraat - Sledemennerstraat. Verondersteld mag worden dat het tussengelegen gebied vooral bestaat uit drassige landerijen. De A
is zeer ondiep.
- 'Holm' is hoogte; in
dit geval de hoge oostzijde van het A-dal. Naar het
noorden verenigen de A, die in de oudste
bedding slingert door de huidige wijken Paddepoel, Zernike en Selwerd,
en de Hunze zich mogelijk ter hoogte van het tegenwoordige Selwerderhof. Nog niet alle oude rivierbeddingen in genoemde wijken zijn volledig getraceerd en benoemd.
| Omhoog | | | 017 | Door (het dorp) Groningen loopt - al in het begin van
onze jaartelling - een zuid-noordverbinding via
de huidige Hereweg - Herestraat - Waagstraat -
Boteringestraat (tot plm. 1000 nog gelegen in het
verlengde van de Waagstraat) - splitsing bij de Tie (het
Nieuwe Kerkhof) in wegen naar Garnwerd en Winsum
enerzijds en naar Bedum (de Cleywegh) anderzijds. De weg naar Garnwerd en Winsum splitst zich bij de huidige Noorderbegraafplaats. De
oost-westverbinding via Poelestraat - Grote Markt -
Brugstraat dateert mogelijk uit het begin van de 11e
eeuw.
- Een tie is een brink, ook wel - meer in het bijzonder - een
omheinde kamp met een drinkdobbe, waar met regelmaat runderen
worden ingeschaard.
Een tweede toegangsweg uit het zuiden
loopt langs de huidige Oosterweg. Alle wegen zijn sinds
de 8e eeuw op de brink (de Grote Markt, tot in
de 19e eeuw Brede Merckt geheten) met elkaar
verbonden. In de 10e eeuw is er in de
Herestraat (en in de Waagstraat) al een wegverharding met
vlinten of veldkeien. - De oudste wegverhardingen in de overige straten in het zuidelijk deel van de tegenwoordige stadskern dateren uit de 11e eeuw. De Grote Markt wordt rond 1200 bestraat, de Vismarkt zelfs nog eerder. De wegverhardingen liggen 2 - 3 m. onder het huidige maaiveld.
| Omhoog | | | 018 | Het beeld van Groningen in de 11e eeuw wordt
verder bepaald door een door
poorten onderbroken omwalling, in de meest
primitieve vorm bestaande uit een landweer: een met (meidoorn)struiken begroeide aarden wal met
‘planken en staketsels’ (palissaden). Delen ervan
bestaan al in het begin van de eeuw (1025-1035), zo valt op te maken uit de ouderdom van een teruggevonden paaltje bij de Singelstraat. De omwalling
- ongeveer 4 m. hoog, nog aangevuld met (droge) grachten die 20 m. breed zijn - loopt:
- in het noorden langs een lijn tussen Vishoek -
Hoekstraat - Muurstraat - Hardewikerstraat -
Hofstraat en de huidige diepen;
- in het oosten: over het Prinsenhofterrein, tussen
Singelstraat- Schoolstraat - Achter de Muur en
het huidige Schuitendiep;
- in het zuiden: ten zuiden van de Kl. Peperstraat
- Burchtstraat - Bruine Ruiterstraat - Nieuwstad
en ten noorden van het tegenwoordige Ged.
Zuiderdiep; de oudste, in het plaveisel van de
Herestraat aangegeven, tufstenen Herepoort dateert uit 1010; in de Kleine Gelkingestraat en aan het einde van de Pelsterstraat geven glitterstenen de plaats van de omwalling aan;
- in het westen vormt de A de verdedigingslinie; het land aan de overzijde is drassig.
Overal in Noordwest-Europa dienen
omwallingen tot bescherming van de inwoners van de tot
steden uitgegroeide marktplaatsen en van hun goederen. De omwalling bevestigt de positie van Groningen als bestuurlijk, kerkelijk en handelscentrum, zeker vanaf het midden van de 10e eeuw. De stad is marktcentrum voor de wijde omgeving, maar ook op- en overslagcentrum voor goederen, bestemd voor de landsheer of voor de abdij van Werden. De strategische ligging van de stad aan de A en het Groninger diep (tegenwoordig het Reitdiep) maakt buitengaatse handelsvaart mogelijk. | Omhoog | | | | 019 | Het aantal
inwoners van Groningen in het eerste millennium
valt slechts te schatten. Het zullen er in de Romeinse
tijd zo’n 200 zijn geweest, in de 9e eeuw
ongeveer 1000 en in de 11e eeuw 2000 tot 2500.
Als gevolg van de voortdurende overstromingen (vanaf de derde eeuw stijgt ook de
zeespiegel) is er met enige regelmaat sprake van migratie
uit de kleigebieden, o.m. vanuit de wierden in de directe
omgeving, wellicht ook uit de eilandgebieden Middag (Feerwerd, Ezinge e.o.) en het tegenwoordige
Humsterland (Oldehove, Niehove e.o.).
Vanaf de 11e eeuw neemt de bevolking in Europa
duidelijk toe. Men spreekt zelfs van een verdrievoudiging
in de Nederlanden in een relatief korte periode. Oorzaken
zijn: een mild klimaat, het in cultuur brengen van steeds
meer landbouwgrond, technologische vernieuwingen
(-water-molens), sinds de 11e eeuw ook
textielnijverheid. De gemiddelde levensverwachting is rond de millenniumwisseling 21 jaar. | Omhoog | | | | 020 | In het kielzog van de Frankische
veroveraars - en in hun opdracht - worden de onderworpen
volken, althans hun voormannen, in de noordelijke gewesten
collectief gekerstend (de
‘doop met het zwaard’) door predikers als
Willibrord (in 695 eerste aartsbisschop of
‘apostel’ der Friezen), Bonifatius (eveneens
aartsbisschop, in 754 bij het tegenwoordige Dokkum
vermoord), Willehad (plm. 780) en Liudger (plm. 780-795).
- Tot dan vereert men goden als
Wodan, de god van de krijgers en van de wijsheid, Thor (of Donar), de god van de donder, onder meer de
beschermer van de boeren tegen reuzen, en Frija, godin
van de liefde en de vruchtbaarheid. Ook natuurkrachten worden vereerd. De goden worden onder meer
gediend in heilige bossen, bij heilige bomen,
bronnen en stenen.
- De christelijke doopbelofte bevat o.m. de - deels Oud-Saksische - zin: 'end ec forsacho allum diaboles uuercumand uuordum Thunaer ende UUoden ende Saxnote ende allum them unholdum the hira genotas sint' (ik verzaak alle werken en woorden van de duivel, Donar en Wodan en Saxnote en alle demonen die hun metgezellen zijn). Saxnote is een onder de Saksen gangbare naam voor Thyr of Ziu, onder meer de god van de rechtspraak.
-
De volledige overgang naar een nieuwe godsdienst (heidense symbolen en rituelen krijgen overigens niet zelden een nieuwe - christelijke - betekenis) zal enkele eeuwen hebben geduurd.
Het heidense geloof blijft - ook vanwege het aanvankelijke analfabetisme van de meeste inwoners - evenwel als bijgeloof nog eeuwenlang herkenbaar, onder meer in volksverhalen over weerwolven, witte (= wijze) wieven, heksen en spoken.
Met de invoering van het christendom wordt het grote aantal lokale goden vervangen door een enkele god met universele pretenties; rituele handelingen zijn nu gebaseerd op gecanoniseerde teksten die een brede geldigheid bezitten; het Latijn fungeert als gemeenschappelijke taal. Kenmerkende eigenschappen van de christelijke godsdienst zijn verder het geloof in een - beter - leven na de dood (dat het aardse bestaan draaglijker maakt) en de morele verplichting tot steun aan zieken, armen, weduwen, wezen en vreemdelingen (op straffe van sancties).- De positie van het christendom in het westen komt overeen met het Bijbelse (oud-testamentische) beeld van verbondenheid tussen God, koning en volk. De christelijke godsdienst draagt in hoge mate bij aan de sociale en politieke cohesie in de samenleving. De verbinding met het wereldlijk bestuursmodel maakt dat politieke beslissingen van vorsten - daaronder het voeren van oorlogen - tegenover hun onderdanen door de Kerk worden gelegitimeerd.
- Het christendom zal eeuwenlang de ontwikkelingen in Europa inspireren en ondersteunen, maar tegelijkertijd ook de oorzaak zijn van of de aanleiding tot forse maatschappelijke tegenstellingen met soms zeer gewelddadige gevolgen.
| Omhoog | | | 021 | Namens de bisschop van Utrecht wordt rond 790 op de oostelijke helling van de
Hondsrug, ter plaatse van de
tegenwoordige Martinikerk, een houten kerk
gesticht. De kerk - georiënteerd, op het oosten gericht - is gebouwd aan de rand van een
dan al bestaand rijengrafveld, dat zich uitstrekt tot
onder de Grote Markt. Twee paalstompen, op z'n vroegst daterend uit 660, duiden op de aanwezigheid van nog oudere bebouwing.
- Wellicht heeft ter plaatse al een
voor-christelijk heiligdom (mogelijk een godenhuis) gestaan. In 601 gelast
paus Gregorius de Grote dat christelijke kerken bij
voorkeur juist daar worden gesticht, eventueel door een bestaande heidense tempel te reinigen en opnieuw te wijden. In 789 wordt deze opdracht door Karel de Grote bevestigd.
- Niet bekend is door wie de oudste kerk is gesticht. De prediker Liudger (742-809) wordt beschouwd als de stichter van een aantal kerken in de Friese landen, toegewijd aan St. Maarten. Hij werkt 787-793 in Groningen en Oost-Friesland. Van de prediker Willehad (plm. 730-789) is bekend dat hij in 779 actief is in Humsterland en in Drenthe (Vries, Emmen). In 780 vertrekt hij naar de omgeving van Bremen.
- De oudste in het grafveld gevonden boomkisten
kunnen uit plm. 700 dateren. Nog oudere
bijzettingen - zonder kist of plank - gaan
mogelijk terug tot 400 na Chr. Het grafveld dient
voor begravingen uit een zeer ruime regio. Een klein deel van het grafveld onder de Grote Markt (bij de Kreupelstraat) is in augustus 1996 voor het publiek zichtbaar geweest.
Er zijn aanwijzingen dat rond 850-860 een tweede
houten kerk op vrijwel dezelfde plaats tot stand komt.
Volgens overlevering is in die periode (836) een kerk verwoest
bij een aanval van Deense vikingen (Noormannen) op
Groningen. - Een eerste reeks invallen van de Noormannen in de noordelijke Nederlanden (Frisia) vindt plaats in de periode 810-845. Het is niet altijd duidelijk of het gaat om incidentele aanvallen, dan wel om een langduriger verblijf (waarbij ook sprake is van een zekere assimilatie met de oorspronkelijke bevolking). Deense krijgsheren spelen, soms zelfs als leenman, in de 9e eeuw een rol in de onderlinge politieke verwikkelingen tussen de Karolingische vorsten. Voor Groningen zijn er geen aanwijzingen voor een meer permanente vestiging. (Vgl. ook par. 050.)
Nog voor het midden van de 10e eeuw (925 -
950) wordt een derde - nu tufstenen - kerk gebouwd, waarvan
de fundering nog aanwezig is. Tufsteen wordt via de Utrechtse Vecht, het Almere, de Waddenzee en het Groninger diep uit de Eifel aangevoerd (de IJssel is in deze periode beneden Deventer minder goed bevaarbaar).
- De H.
Martinus van Tours of St. Maarten (316-397) is de patroonheilige
van het bisdom Utrecht en eerder van het
Frankische rijk. Ook Groningen valt 'onder de protectie van St. Maartens' mantel'. (Martinus deelde zijn mantel met een bedelaar.)
Aan hem herinneren in Stad de feestdag
van 11 november en het dan te zingen lied 'Sunte
Martinus bisschop, roem van alle landen, dat
wie hier met lichtjes loop'n, is veur ons gain schande'.
- Een bijzondere plaats zou - in eerste aanleg op
gezag van bisschop Balderik (919-975) - ook de
H. Otger hebben ingenomen, een medewerker van
Willibrord, waarvan niet veel meer bekend is dan
dat hij heeft geleefd in het begin van de 8e
eeuw (-813). Voor het eigenlijke kersteningsproces in Groningen
heeft hij dus geen betekenis gehad. De Martinikerk bevat een gewelfschildering met zijn afbeelding. Mogelijk is de kerk oorspronkelijk aan hem toegewijd.
De St. Maartenskerk wordt de moederkerk
van alle overige parochies in het Gorecht. Het is een
zgn. bisschoppelijke eigenkerk, d.w.z. dat de bisschop,
en niet de parochie, verantwoordelijk is voor het
onderhoud van de kerk en het levensonderhoud van de
pastoor. Uit de tweede helft van de 10e eeuw dateert een teruggevonden greppel die de grens vormt tussen de kerkelijke eigendommen ten zuiden van het Martinikerkhof en de publieke ruimte van de Brede Merct (Grote Markt). | Omhoog | | | | 022 | De oudste vorm van rechtspraak in de
marke van Groningen wordt uitgeoefend door de
eigenerfden, de eigenaren van de zgn. ‘volle’,
d.w.z. volledig gewaarde, hoeven. Zij komen naar
behoefte bijeen in een go- of gouwding (volksvergadering)
waar, aanvankelijk op basis van mondeling overgeleverd gewoonterecht,
besluitvorming plaatsvindt onder
leiding van een markerichter (die dus niet zelf
rechtspreekt). Na 1040 treedt als zodanig op een
vertegenwoordiger van de landsheer. Het gewoonterecht wordt 'gewezen' door een groep wijze mannen: de asega's. - Splitsing of samenvoeging van boerenerven heeft een wijziging in het aantal waardelen tot gevolg.
- Rond 790 worden, in opdracht van Karel de Grote, de (straf)rechtsregels van de overwonnen volken opgetekend en aangevuld met Frankische, sterk door het Romeinse en het canonieke recht beïnvloede rechtsregels. In het noorden gelden sindsdien de Lex Frisionum, respectievelijk de Lex Saxonum.
- De dan zo genoemde ‘Raad voor den Hove’ vergadert -
naar Germaans gebruik - aanvankelijk in de open
lucht, voor het hof van de villicus. Het
koningsgoed en later de kapittelgoederen zijn aan
de plaatselijke rechtsmacht onttrokken.
- Het begrip ‘ding’ heeft
niet alleen betrekking op het wijzen van vonnissen in
rechtsgedingen of gogerichten (waartoe de vierschaar wordt gespannen), maar op alle besluitvormende
vergaderingen van markegenoten.
| Omhoog | | | | 023 | In Groningen wordt zeker al in de Romeinse tijd ruilhandel bedreven: vis, vlees
(ham), zuivel en mogelijk wollen weefsels (laken) uit de
omliggende Friese gebieden tegen haver, gerst, rogge en
hout uit Drenthe. In de geschiedenis van de Friese landen in
hun totaliteit staan vooral de 6e en 7e eeuw bekend als
een economische bloeiperiode, waarin - onder Frankische
bescherming - handelsrelaties worden onderhouden met
plaatsen aan de Engelse en Franse kust, met Jutland en
met de zuidkust van Zweden. Of Groningen daarin een
aandeel heeft gehad is onbekend. Kooplieden in het algemeen staan in deze periode wel bekend als 'Friezen', ook al komen zij uit andere delen van het rijk. Groningen behoort trouwens ook in engere zin tot de Friese landen.
De handelscentra in het noorden liggen bij de monden van de rivieren. Groningen ligt - gerekend vanuit de Noordzee - aan het einde van het Groninger diep (Dt. Tief), de dan nog tot vlak bij het dorp reikende zeearm, tegelijkertijd ook het meest noordelijke deel van de Hunze (die dus een getijderivier is). De 9e en 10e eeuw geven een
economische terugslag te zien. In 838 (St. Stefanusvloed, 26 december) is het gehele
Nederlandse kustgebied overstroomd en is de Lauwerszee
ontstaan. Hoewel delen ervan naderhand worden bedijkt, breidt het overstroomde gebied zich per saldo tot plm. 1300 nog uit. - In de Waddenzee ligt, tussen de eilanden Schiermonnikoog en Rottumeroog, nog het eiland Bosch (deels ten onder gegaan in 1570; anderdeels in 1717). Het eiland wordt enkel bewoond door een strandvoogd. Schiermonnikoog lag in de beschreven periode meer westelijk dan nu het geval is. In 2008 stellen geologen onder de huidige oostpunt van het eiland met behulp van grondradar sporen van het vroegere eiland Bosch te hebben aangetroffen.
- Voor de kust van Groningen liggen in de Waddenzee verder nog de begraasde, mogelijk ook bewoonde, eilanden Corenzand en Heffezand. Deze eilanden komen op 16e eeuwse kaarten al niet meer voor. Corenzand: ook genoemd Cornasant of Korenzand.
- De stormvloeden die het Lauwerszeegebied in de loop van de eeuwen teisteren zouden ook de stad Ezonstad (4e eeuw - 13e eeuw) hebben weggevaagd. Ezonstad lag volgens de overlevering ter hoogte van het tegenwoordige Ezumazijl. Voor het bestaan ervan is overigens geen enkel historisch bewijs. Archeologische vondsten wijzen eerder op restanten van zoutpannen.
| Omhoog | | | 024 | De 11e eeuw is weer een eeuw
van voorspoed. Handel en nijverheid concentreren zich dan
bij uitstek in de steden. Kooplieden -
vooral ook zij die op verre landen varen - en de door hen
verhandelde goederen krijgen rechtsbescherming.
De koopman wordt een belangrijke figuur in
de plaatselijke samenleving. Hij neemt posities in die
tot dan voorbehouden zijn aan adel en geestelijkheid.
- De handel met de landen rond de Oostzee (de Ommelandvaart) wordt volledig beheerst door Friese handelaren. In de Scandinavische landen en in Noord-Rusland
zijn uit deze periode in Groningen geslagen
bisschoppelijke munten gevonden. Aan het eind van de eeuw zijn Groningers in Visby betrokken bij de Gottlandse koopliedenvereniging.
- Ommelandvaart: de vaart via de vaarroute rond Denemarken.
| Omhoog | |
© 1998, 2010 Kor Feringa, in samenwerking met Grunn.nl
|
|