Prehistorie
| | 001 | - Dit compendium over de geschiedenis van de stad Groningen door Kor Feringa, inmiddels al meer dan 12 jaar op internet, wordt nog regelmatig bewerkt en aangevuld. Laatste bewerking: 1 augustus 2010. Een register op onderwerpen kan op verzoek worden toegezonden. De auteur is bereikbaar via k.feringa@home.nl.
Een verklaring van straatnamen in Groningen, eveneens van zijn hand, is te vinden in de wikipedia. De stadsgeschiedenis van Groningen wordt illustratief weergegeven in Meindert Schroor, 'Historische Atlas van Groningen' (SUN, 2009). Het landschap van Noord-Nederland is in hoofdzaak gevormd na de derde ijstijd : het Saalien (plm. 200.000 voor Chr. - plm. 125.000 voor Chr.). Er is in dit gebied dan onder meer sprake van een glaciaal bekken, dat zich transformeert tot het dal van de rivier de Hunze. Het dal - bij Groningen 10 km. breed - strekt zich uit van het hedendaagse Emmen tot de Noordzeekust (die veel noordelijker ligt dan de tegenwoordige).- De Hunze (van 'hon': modder, moeras) slibt vanaf plm. 70.000 voor Chr. tot in de middeleeuwen voor een groot deel dicht. Het dal wordt dan gevuld met veen, leem, klei en zand. De benedenloop van de rivier blijft beïnvloed door de zee. De monding van de
oer-Hunze ligt (tot in de 9e eeuw) boven het tegenwoordige Pieterburen.
Gelijksoortige processen doen zich voor na de vierde en laatste ijstijd, het Weichselien (plm. 50.000 voor Chr. - plm. 10.000 voor Chr.), in het dal van een meer westelijk gelegen rivier: de A. Tijdens het Weichselien wordt Noord-Nederland overigens niet door een ijskap bedekt; wel is de ondergrond bevroren. - Voor de loop van de Hunze en de A op het grondgebied van Groningen: zie par. 016.
Kenmerkend voor het landschap is verder de Hondsrug (tot in de 19e eeuw komt ook de naam Bisschopsrug voor), deels ontstaan als opgestuwde rand van het gletsjerbekken, deels mogelijk al eerder aanwezig.- Er zijn over vrijwel de hele lengte van de Hondsrug (70 km. vanaf Klazienaveen) eigenlijk twee afzonderlijke takken, waarvan de kruinen in Drenthe op plm. 1 km. uit elkaar liggen.
Onnen ligt nog op een uitloper van de oostelijke tak; Haren, Helpman en Groningen liggen op die van de westelijke tak.
De westelijke tak eindigt boven de Noorderbegraafplaats aan de Moesstraat en zet zich dan ondergronds nog voort tot bij Baflo. Het hoogste punt in Groningen ligt aan de Helper Esweg (8.91 m. boven NAP); in de binnenstad ligt het in de Donkersgang (8.57 m.). Groningen is dus gelegen op het meest noordelijke deel van de Hondsrug, op de overgang van zand naar klei; geografisch gezien een zeer gunstige plaats: naar in later eeuwen zal blijken zowel uit economisch als uit militair oogpunt van strategische betekenis. - De Hondsrug wordt op meerdere plaatsen doorsneden door erosiedalen, ontstaan rond 40.000 voor Chr. Daaronder een verbinding tussen de A en de Hunze direct ten zuiden van de Appèlbergen, in het latere grensgebied tussen Groningen en Drenthe (zie par. 041) en een verbinding ter hoogte van de latere Helperlinie tussen Helpman en Groningen.
Ten westen van de A ligt de 'rug van Tynaarlo', die beduidend lager is dan de Hondsrug. Deze rug volgt de lijn Eelde, Eelderwolde (tot ruim 3 m. boven NAP) - Ruskenveen en eindigt boven Hoogkerk.
Westelijk ervan ligt het dal van het latere Eelder- en Peizerdiep. Het Eelderdiep stroomt in Groningen door de huidige wijk De Held en mondt uit in de Hunze. Het Peizerdiep gaat naar het noorden over in een waterloop die in later eeuwen wordt aangeduid als de Hunsinge. De Hunsinge stroomt langs het tegenwoordige Leegkerk en Kleiwerd en mondt uit in de Hunze ter hoogte van Wierum. - Ten oosten van Groningen ligt bij Middelbert nog de 'rug van Slochteren' (0 - 3 m. boven NAP).
- Onder de bodem van (de huidige provincie) Groningen bevindt zich het zogeheten 'Slochterenveld', bestaande uit poreus gesteente bedekt met lagen van afgestorven plantenresten, waaruit sinds 1959 aardgas wordt gewonnen. Het veld is 300 miljoen jaar geleden (tijdens het Carboon) ontstaan. Nederland lag destijds op de evenaar en kende een tropisch klimaat.
Uit het Perm (260 Ma geleden) dateren zoutlagen, waaruit sinds 1981 magnesiumwinning plaatsvindt (Tripscompagnie); uit het Kwartair (1.6 Ma geleden) zoutpijlers, waaruit sinds 1957 steenzout wordt gewonnen (Heiligerlee en Zuidwending).
| Omhoog | | | 002 | Uit de prehistorie zijn over het gebied slechts schaarse gegevens bekend. Uit de laatste periode van het Paleolithicum (de oude steentijd), als er in het toendralandschap van Noord-Nederland alleen nog maar sprake is van jagers, vissers en voedselverzamelaars, dateren sporen van een tijdelijke nederzetting bij Sassenhein (een petgat, nu vooral visplas in Haren): plm. 11.000 voor Chr., na de laatste ijstijd.
Ter plaatse zijn vuurstenen werktuigen van rendierjagers uit de Hamburgcultuur gevonden. Ook op het terrein van het UMCG (Academisch Ziekenhuis) zijn sporen uit deze periode aangetroffen. Hetzelfde geldt voor vondsten uit een haardkuil in de wijk Ruskenveen, die worden gerekend te behoren tot de Ahrensburgcultuur. In de midden steentijd (het Mesolithicum) raken de toendra's geleidelijk begroeid met naald- en loofbossen en met lage struiken. Er wordt gejaagd op edelherten, wilde zwijnen en op waterwild. Ook oerossen worden bejaagd. Jachtwerktuigen zijn speren, harpoenen en pijl en boog. Langs de Noordzeekust, dan plm. 50 km. ten noorden van de tegenwoordige Waddeneilanden, ontstaat een waddenlandschap. In het binnenland vormen zich veenmeren. In Drenthe is bij Pesse een (in het Drents museum in Assen te bezichtigen) boomstamkano uit 8000 v. Chr. gevonden. De hond is al gedomesticeerd; ook het paard als rijdier is al bekend. Aan het einde van het Mesolithicum wordt aardewerk geproduceerd. Uit deze periode (8800 - 5000 v. Chr.) dateert in Groningen een haardkuil op een terrein ten oosten van het Oude Winschoterdiep (Barkmolenstraat).
-
Een en ander wil niet zeggen dat in het noorden van Nederland niet al op eerdere tijdstippen mensen verblijven. Op de zandgronden van Friesland en Drenthe (o.a. bij Tynaarlo en Assen) zijn voorwerpen gevonden die worden gedateerd op plm. 60.000 v. Chr.
Het zal daarbij mogelijk zijn gegaan om de homo neanderthalensis, weliswaar een hominide, maar niet een rechtstreekse voorvader van het huidige menstype, de homo sapiens sapiens (de verstandige mens), die eerst plm. 40.000 jaar geleden naar Europa is gekomen. Homo sapiens, afkomstig uit Afrika (Ethiopië), is zeker 195.000 jaar oud. Volgens de jongste onderzoeken (2010) is plm. 60.000 jaar geleden o.m. in het Midden-Oosten sprake geweest van enige vermenging van beide menssoorten, die vervolgens zo'n 15.000 jaren lang tegelijkertijd in Europa hebben geleefd. Het aantal Neanderthalers in Nederland zal overigens slechts enkele honderden hebben bedragen.
| Omhoog | | | 003 | Uit de overgangsperiode naar een volledig agrarische cultuur (in Noord-Nederland voornamelijk de Trechterbekercultuur): het Neolithicum (nieuwe steentijd: 5000 - 2000 v. Chr.), zijn er - voor wat betreft het grondgebied van Groningen - aanwijzingen voor een nederzetting op een terrein bij de Van Julsinghastraat/ het Oude Winschoterdiep (plm. 4500 v. Chr.). Uit dezelfde periode dateren vondsten in de omgeving van de Prinsenstraat en op het terrein van het UMCG (3400 v. Chr.), waar eveneens sprake is van een nederzetting.
Rond 3500 v. Chr. zou er een nederzetting hebben gelegen in de omgeving van de Bordewijklaan. Rond 2500 v. Chr. is hetzelfde terrein in gebruik als akker. Landbouwproducten zijn tarwe, gerst en lijnzaad. - Uit dna-onderzoek blijkt een rechtstreekse verwantschap tussen de bewoners van de noordelijke contreien tijdens het Paleolithicum en die tijdens het Neolithicum (en vervolgens tot in de huidige tijd). Van immigratiestromen uit andere streken van Europa is geen sprake.
-
De eerste sporen die duiden op het bedrijven van landbouw in Drenthe - op zgn. 'celtic fields', dan wel hoogakkers (akkers ter grootte van plm. 40 x 40 m., omgeven door zandwallen of greppels) - dateren uit 4050 v. Chr. (Gieten).
Kenmerkend voor een latere fase zijn de introductie van de bespannen schuifploeg of het eergetouw (vanaf plm. 3500 v. Chr.) en de houten wegen door de veengebieden waarop met karren, getrokken door ossen, kan worden gereden. Schijfwielen zijn er rond 2500 v. Chr. (De keerploeg wordt eerst door de Romeinen geïntroduceerd; het paard als trekdier vindt pas ingang na de uitvinding van de haam in de 8e eeuw) De wegen maken
deel uit van handelsroutes, die - zo blijkt uit bodemvondsten - voeren tot in Denemarken en Westfalen (en verder). Het tijdperk als geheel wordt wel aangeduid als dat van de hunebedbouwers. De hunebedden zelf (beschermd vanaf 1870) dateren alle uit de periode 3400 - 3050 v. Chr. De Noordzeekust ligt nu globaal ter hoogte van de Waddeneilanden. De zeespiegel ligt in deze periode op 4.5 m. beneden NAP. - Het begrip 'nederzetting' mag niet te ruim worden opgevat: het gaat veelal slechts om één of enkele woonstalhuizen, gebouwd op steeds wisselende plaatsen (zgn. 'zwervende erven'), bewoond door meergeneratie-families van mogelijk ongeveer 8-10 personen. Het stalgedeelte is geschikt voor 20-30 dieren. De bevolkingsdichtheid bedraagt niet meer dan plm. 3-4 personen per km2.
| Omhoog | | | 004 | De vroege bronstijd (2000 - 800 v. Chr.) heeft in het 'bodemarchief' van Groningen tot op heden slechts een beperkt aantal vondsten opgeleverd: een vuurstenen pijlpunt, in 2005 gevonden in de Lutkenieuwstraat; in 2007 twee pijlpunten in Helpermaar, een dolk op het bedrijventerrein Eemspoort en een vuurstenen kling in de Gr. Appelstraat. Meer vondstmateriaal is er uit de overgangsperiode naar de ijzertijd (800 - 100 v. Chr.). In 2003 wordt aardewerk uit de periode 700 - 600 v. Chr. gevonden op een terrein aan de H.L.Wichersstraat; in 2007 in Helpermaar restanten van een woonstalhuis, gebouwd plm. 600 v. Chr. Eerder al worden aan de Verl. Lodewijkstraat blootgelegd de paalgaten van een boerderij, met spiekers (graanopslagplaatsen) en waterputten, uit ca 500 v. Chr. Een waterput in de omgeving van het Zuiderdiep wordt gedateerd omstreeks 500 - 300 v. Chr. Bovendien is ook daar aardewerk gevonden. Twee waterputten zijn aangetroffen op het huidige Guyotplein.
Aan het einde van de Moesstraat zijn sporen van een nederzetting uit 350 - 250 v. Chr. getraceerd.
- Ook op wierden, de in het kweldermilieu kunstmatig opgeworpen heuvels uit de eerste periode van terpenbouw, plm. 500 v. Chr.- 400 v. Chr., gelegen in en ten noorden van de tegenwoordige stadswijken Selwerd, Paddepoel, Reitdiep en Beijum wonen al mensen: veeboeren, afkomstig uit Drenthe. Het vee wordt - in de zomer - geweid op drooggevallen kweldergronden.
De veestapel bestaat - zo blijkt uit de bodemvondsten - voor ong. 70 % uit runderen en voor plm. 20 % uit schapen of geiten. Varkens komen minder vaak voor. Huiskatten en hoenderen zijn pas door de Romeinen naar onze contreien gebracht. De wierden liggen 3 tot 5 m. boven de (toenmalige) zeespiegel. - Uit de periode 200 v. Chr. - 50 n. Chr. dateert een tweede reeks wierden.
| Omhoog | |
© 1998, 2010 Kor Feringa, in samenwerking met Grunn.nl
|
|