Een groepje Duitse militairen had de opdracht gekregen het Witte Bruggetje ter hoogte van de Lak Fabriek aan de
Paterswoldseweg te verdedigen en zo nodig te laten springen. Veel kans zich van hun taak te kwijten kregen zij
echter niet want de eerste Sherman tanks vuurden reeds van grote afstand op hun positie en troffen doel waardoor
enkele duitse militairen sneuvelden. De overigen vluchtten voor het aanstormende geweld. Intussen had het
vierloops Flak geschut, dat opgesteld stond aan de zuidelijke rand van de tweede ingang van het Stadspark, het vuur
geopend op de aanstormende tanks en daarmee namen de gevechten rond de Bevrijding van de Stad Groningen een aanvang.
Reeds kort nadat dit gevecht begon echter zweeg het Flakgeschut waardoor de tankversperring, die door de Duitsers werd
gebouwd aan de Paterswoldseweg, ook onverdedigd kwam te liggen. Tegen enkele voltreffers van het gepanserde en van
rupsbanden voorziene 3.7 inch geschut bleek deze versperring niet bestand.
De Weg naar Groningen lag open.
Er werd nog steeds gevuurd vanuit loopgraven. Het zou nog tot middernacht duren voordat deze loopgraven "schoon"
zouden zijn. Intussen echter waren de tanks behoedzaam en al vurend verder op gerukt waarbij enkele boerderijen die
aan de rand van Groningen stonden in vlammen opgingen. Toen de eerste twee tanks de tweede uitgang van het Stadspark
passeerden, een gebied dat nog niet werd gezuiverd, werd de eerste tank met een enorme explosie getroffen door een
panserfuist die werd afgevuurd vanuit de schuilloopgraaf die lag op de hoek van de ingang van het Stadspark. Doordat
de gunner privat Fred Butterworth, bij de explosie op slag werd gedood, ramde de onbestuurde tank de gevel
van het perceel Paterswoldseweg 190. Daar brandde hij geheel uit en veroorzaakte dat uiteindelijk het gehele woonblok
ten prooi viel aan de vlammen zee. Ook de tweede tank raakte bij deze aktie beschadigd en de Canadezen besloten daarom
alle tanks terug te trekken en de situatie te evalueren.

De Canadese tank die aan de Paterswoldseweg een huizenblok brandend inreed. Het hele blok is vervolgens
afgebrand. De foto is de dag erna gemaakt. De schrijver van dit verhaal, dhr. Piëst, toen 16 jaar, staat middenop de foto, schuin kijkend.
Het was een mooie zomerse dag die vrijdag (de 13e april) en niemand kon vermoeden dat deze dag, die zo rustig en zonnig
begonnen was, zo'n grimmige wending zou nemen. Ofschoon we ergens in de verte wel reeds geschut konden horen had niemand
bevroed dat de bevrijders zich al zo snel zouden melden. Dat er op korte termijn echter toch iets zou gebeuren leidde ik
af van het feit dat de Duitsers versterking van de troepen aanvoerden die om ongeveer 11 uur in de morgen per veewagen
arriveerden op de hoek van de Parkweg en de Paterswoldseweg. Het was een weinig gemotiveerde groep die daar werd ingezet.
Een groep soldaten die in leeftijd varieerde van 14 tot 65 jaar. Het viel mij op dat de groep, waaronder zelfs enkele
lichtgewonden, bestond uit restonderdelen van de infanterie, de luchtmacht, de marine en de Grüne polizei alsmede kleine
groepen van de SS, de Germaansche SS, de Landwacht en de W.A. nog verder aangevuld met leden van de Hitler Jugend en
gemilitairiseerde spoorweg mannen. Het geheel, dat werkelijk weinig gevechtswaarde meer had, stond kennelijk onder
leiding van een zeer jonge officier, die duidelijk zeer gespannen, de situatie opnam nadat de groep uitgestapt was.
Hun bewapening was zeer pover. De meesten hadden een geweer terwijl sommigen beschikten over een machinegeweer. Wel hadden
zij de beschikking over veel panser-fausten en granaten, wapens die echter slechts met veel oorlogs ervaring en moed kunnen
worden gebruikt.
Reeds enkele uren nadat zij waren gearriveerd echter zou de eerste tank, vanuit de schuilloopgraaf door één van hun
panserfausten worden vernietigd.
De jonge officier keek mij aan met een blik die niet veel goeds voorspelde en dus besloot ik maar zo snel mogelijk het
veld te ruimen en naar huis te gaan.
Vanuit de erker van onze ouderlijke woning aan de Parkweg had ik zicht op de strijd die, naar later zou blijken, de
komende 24 uur zou plaatsvinden. Toen de gevechten losbarstten en er overal werd geschoten met zowel lichte als zware
wapenen wist je zelfs niet meer of je eigen huis, waarin je plat op de vloer lag, misschien inmiddels in brand stond.
De strijd tussen de laatste resten van het Duitse Leger en de Canadezen rond de Stad was begonnen en zou 3 dagen duren.
Juist in de eerste twee dagen werd er verbeten in die Parkbuurt gevochten. Het helse lawaai van de ontploffingen en de
fluitende kogels werd nog eens extra versterkt door de gierende granaten die vanuit Paterswolde op doelen in de Stad
werden afgevuurd.
De oprukkende infanteristen ondervonden veel bescherming van de muurtjes die, samen met de tussenstangen, de tuinomheiningen
vormden aan de Parkweg. Onvoorstelbaar was het om te zien met welke een onverschrokkenheid de Canadezen tussen het schieten
door even een Sweet Caporal of Wild Woodbine opstaken. Hoe vreemd keken wij aanvankelijk tegen hun stengun
aan waarmee de meesten bewapend waren.
Veel huizen stonden inmiddels in brand en die lucht vermengde zich met de penetrante reuk van benzine en rubber.
Vanuit het raam van de flat, op de tweede verdieping (hoek Kamerlingh Onnesstraat-Parkweg), werd een handgranaat uit
het raam naar beneden gegooid midden tussen enkele Canadezen, die zich even aan het vuur van de Parkweg onttrokken hadden,
waardoor er soldaten gewond werden. Een Canadees gaat alleen naar boven om de Duitser die dit veroorzaakte in te rekenen.
Hij komt inderdaad na 5 minuten met zijn gevangene de trap af. De Duitser, kennelijk zeer bang voor repressailles roept
bijherhaling "Ich bin ein guter mensch" waarop de Canadees besluit hem neer te slaan met de kolf van zijn geweer,
hetgeen op het nippertje werd voorkomen door een officier. Die man redde daarmee, het leven van de betrokken Duitser.
Daar komt over de Parkbrug een Duitse Rode Kruis auto aangestoven. Luid claxonerend verlaat hij het door de
Duitsers bezette gebied (ten Oosten van de Parkbrug) en raced over de brug naar de Parkschool (ten westen van
de Parkbrug) hetgeen Canadees gebied was en waar een Duits Lazaret was ingericht in de Parkschool. Hier stopt
hij voor het oude gymlokaal. De achterdeur van de auto gaat van binnen uit open. Daar ligt tot mijn grote
verbazing een soldaat achter zijn machinegeweer gereed om de Canadezen in de rug aan te vallen. Ik besefte
direct dat veel Canadezen hiervan het slachtoffer zouden kunnen worden en waarschuwde de Canadees die achter
ons muurtje lag direct door op het raam te tikken en naar de Rode Kruis auto ca. 50 meter achter hem te wijzen.
Daarna ben ik snel van het raam weggekropen omdat ik verwachtte dat er op de erker zou worden geschoten, hetgeen
overigens niet gebeurde. Even later zie ik de auto leeg staan. Wat er gebeurde met de beide inzittenden heb ik nooit
vernomen.
Wat er terecht kwam van de Duitser, die uit het lazaret kwam met zijn geweer stijf tegen zijn verbonden been en
zich achter de muur van de speelplaats nestelde om vandaar ook de Canadezen in de rug aan te vallen, is mij ook
niet bekend.
En dan was er die Canadees die, flink aangeschoten, steeds door de vuurlinie liep al schreeuwende
"They can't hit me". Vreemd genoeg werd hij ook niet geraakt of wilde men hem misschien niet raken?
Toen de tanks de straat in kwamen rijden bleek de bestrating niet bestand tegen het gewicht van deze reuzen
waardoor de klinkerweg veranderde in een soort karrespoor. Ook de trottoirbanden werden, met de weg gelijk,
naar beneden gedrukt. De tankbemanningen zowel als de infanteristen werden, overal in de portieken, getracteerd
op een hap of en slok uit de fles die bewaard werd voor de Bevrijding. Toen even later werd vernomen dat er
mogelijk sprake van een tijdelijke terugtocht zou kunnen zijn, kreeg mijn moeder het benauwd omdat zij de
Canadezen getracteerd had. Gelukkig trokken ze niet terug.
Ofschoon het nog lang niet veilig was besloot ik er even tussenuit te knijpen en overal eens polshoogte te
gaan nemen. Helaas waren er zo te zien nogal wat manschappen gesneuveld. De straat lag bezaaid met oorlogstuig
en scherven en vooral langs de Paterswoldseweg stonden veel huizen in brand.
Op de hoek van de Paterswoldseweg en de Parkweg lag het levenloze lichaam van de jonge officier die mij 24 uur
geleden zo onheilspellend aankeek. Zijn strijd was gestreden en ik vroeg mij af waardoor hij sneuvelde aangezien
ik zo oppervlakkig gezien, geen verwondingen bij hem kon waarnemen.
Zo'n 150 meter verder lagen twee Duitse soldaten die bij het oversteken van de rijweg naar de loopgraaf achter
de ijskantine werden gedood. De tweede hield zijn geweer met zijn rechter hand omklemt terwijl hij 2 foto's van
zijn vrouw in zijn linkerhand hield. Wat zou er door hem heengegaan zijn in die angstige minuten voor zijn sterven?
Het symbolische van het beeld drong zich aan mij op. Hier lag hij tussen Vrede en Oorlog of zo U wilt tussen
Liefde en Haat.
Links van mij lag de Kantine van de Groninger IJsbaan waar de Duitsers in huisden gedurende de oorlog. Je kon
duidelijk merken dat zij alles in de grootste haast achter zich hadden gelaten. Dat er nog wel eens een
Booby Trap had kunnen liggen toen ik door die keet liep kwam pas later bij mij op. Verder ging de tocht door
de loopgraaf naar de schuilplaats aan de tweede laan van het Stadspark van waaruit de Sherman tank waarschijnlijk
werd afgeschoten. Sedert de vlucht van de Duitsers was er kennelijk nog niemand geweest. Er lagen slechts
pantserfausten en pistolen in deze blokhut.
Ook het vierloops flakgeschut dat aan de zuidzijde van de tweede ingang van het stadspark stond lag er,
weliswaar verlaten, maar toch volledig intact bij. Waarschijnlijk verliet de bemanning van dit geschut
door gebrek aan bescherming de stelling toen de kanonnen van de aanstormende tanks op hen werden gericht
zoals ik in het begin reeds opmerkte. Flak geschut gaf immers amper bescherming aan de manschappen.
Uit pure nieuwsgierigheid bekeek ik het vierloopsgeschut en bewonderde de kleuren die op de munitie
werden aangebracht. Uit een van de kisten nam ik een reserve loop mee als souvenir.
Slechts 50 meter verder langs de weg naar huis trof ik de tank aan, tegen de achtergrond van het uitgebrande
flatgebouw, die inmiddels door veel mensen aandachtig werd bekeken.
Volgens betrouwbare bron vluchtte een bemanningslid van de tank, na de crash, de trap op en belde daar aan
waarop een Duitse Spoorweg beambte de deur opende. Deze beambte werd door de Canadees gevangen genomen. Toen
echter bleek dat de gehele flat een prooi der vlammen zou worden en de inwoners het gebouw moesten verlaten
werden de rollen omgedraaid en de Canadees als krijgsgevangene afgevoerd.
En dan was er drama dat zich voltrok in de brandgang die loopt tussen de Kamerlingh Onnes straat en het
Hoornsediep, waar ik een kleine groep gesneuvelde Canadezen aantrof (4-6 man). Juist om het vuur, waaronder
de Parkweg lag, te ontlopen besloten zij door de brandgang te gaan. Het Duitse mitrailleurs nest, aan de
overkant van het Hoornsediep, had echter zodanig positie gekozen dat niet alleen de Parkweg doch ook het
laatste gedeelte van de brandgang in het schootsveld lag. Dekking zoeken naar links of rechts was niet
mogelijk want er waren slechts gesloten schuttingen zodat zij een gemakkelijk doelwit vormden.
Dan kruipt de eerste tank langzaam de Parkbrug op en hij draait tot mijn verbazing het naast het kanaal
liggende jaagpad op. Langzaam wordt de lantaarnpaal die daar stond tegen de grond gedrukt en plat gereden.
Dan hoor ik de boordwapens schieten op de laatste Duitsers die zich achter deze dijk veilig waanden.
Inmiddels werden grotere groepen krijgsgevangenen al marcherend aangevoerd en ik zie nog die Canadees
komen aanrijden op zijn Harley. Hij stopt zo'n 20 meter voor de opmarcherend troep en springt van zijn
Harley waarvan motor nog even door loopt. Hij heeft zich inmiddels tot de eerste van de troep gericht
met de vraag "Got a watch?". Zo ja dan wordt het horloge direct ingenomen. Vol trots laat hij
mij zijn met horloges behangen armen zien.
Zij die na de oorlog het levenslicht zagen, zullen die verhalen wellicht niet meer zo aanspreken en het
zal zelfs niet lang meer duren of de generaties die deze donkere tijd meemaakten zullen uitgestorven zijn.
Dan zal men slechts uit documenten kunnen vernemen dat wij hier werden bevrijd door Canadezen die, ver van
hier, have en erf verlieten om voor ons Vrijheid en Vrede te bevechten.
Het inspireerde mij tot het schrijven van het volgende gedicht;
The Men of Maple Leaf
Bold they were, the combatants we knew
How deep our sympathy for them grew
South they came and fought their way
Memory engraved is that glorious day
Lives squandered, precious blood shed
Our want fot freedom was finally met
There was scarely time to fraternize
The battle went on, at high a price
In the actions brave ones would fall
Facing their losses the men stood tall
It took three days to clear the town
Dislodging the enemy beyond our bounds
Stricken by panic some fled to the shore
Deserted or were scattered to the four
Many fighting wearied, surrendered fast
Our war torn hometown was freed at last
Smouldering ruins were marking the place
Where battering damaged her ancient face
Peace returned, the yoke of ware was gone
Thanks to the Canadians, a tough task done
To commemorate them we dedicate a forest yet
Maple leaves fell for us, lest we forget.
J. Piëst in samenwerking met Grunn.nl
|